(_femina._)
_Gallus domesticus._
Een hen of kip
Heeft van eijerenleggen een goed begrip,
Doch een kuiken
Kan men voor dat werk niet gebruiken.
Vliegen kan zij slecht,
Doch kakelen beter, als ze namelijk eijeren heeft gelegd,
Terwijl zij _klok klok klok_ tegen haar kiekens zegt,
Opdat deze 't zouden kunnen verstaan,
Dat het niet raadzaam is ver van honk te gaan.
Enfin, zij weet er alles van,
Als de nood is aan den man,
En dan
Hoort men ook dat zij alarm blazen kan.
Volgens de natuurlijke historie,
Heeft omtrent dit punt een hen altijd gehad veel memorie,
En haar koesterende liefde is immer nog op te merken,
Wanneer zij aan haar kiekens een schuilplaats geeft onder de
vlerken.
Geen wonder dat die kippekuur
Pestalozzi meer bekoorde dan de zorgeloosheid van zoo menig een
eigenwijs creatuur,
Te weten van een baker, die dikwijls uur op uur
Zit te dommelen boven een kooltje vuur,
Terwijl zij het kindje, dat laboreert aan buikpijn, spruw of zuur,
Maar laat liggen in de natte luur.
Kippig is een kip niet,
Want 't blijkt dat zij ver en scherp ziet;
Doch beschouwt men één of honderd kippen,
Dan kan men zien, dat zij dikwijls met de oogen knippen.
Naar haar aard
Draagt een hen 14 pennen in den staart,
En met haar voeten
Kan zij scharrelen, dat wil zeggen den grond omwroeten,
Waarom men haar niet graag in een tuin zal ontmoeten.
Er schijnt lang dispuut te zijn geweest,
Omtrent den naam van dit beest,
En van hier dat 't geroep _kiep kiep_ nog is overgebleven,
Dat men hooren kan, als men aan haar wat voeder wil geven.