(_mas._)
_Gallus domesticus._
Het boek der natuur,
Leert dat de haan een vogel is met oogen vol vuur.
Zijn tred,
Is statig en net,
En 't is de moeite waard
Om eens te kijken naar zijn hals en staart,
Want zijn vedertooi
Is bijzonder mooi.
Bovendien
Zijn zijn pooten van sporen voorzien,
En kan men als sieraad nog tellen,
De kam op zijn kop en aan den hals de lellen.
Kortom, als men een haan
Daar zoo ziet staan,
Zal men kunnen zeggen: «wat is die vogel prachtig,«
En als hij kraait: «wat is zijn stem krachtig,
Hoe gevoelt hij zich magtig,
En hoe uitgedrukt is bij dien mijnheer,
Het gevoel van eigenwaarde en van eer.«
De haan bemint daarenboven zeer
Zijn echtgenooten of hennen,
Die hem ook als 't hoofd des huisgezins erkennen,
En die hij heeft willen gewennen,
Vroegtijdig te gaan naar bed,
Waarop hij zeer is gezet;
Doch het is ook zijn vaste wet,
's Morgens niet lang te blijven luijeren,
Maar vroeg op te staan en dan rond te kuijeren,
Want hij weet zeer wel,
Dat dit goed is voor zijn gestel,
En daarenboven houdt hij 't in tel,
Omdat 't 's morgens voor hem is een bagatel
De wormpjes te krijgen in de knel,
Waarop hij, nuchter, is zeer fel.
En hoeveel schepseltjes hij op die wijs al een loer heeft kunnen
draaijen,
Daar zal stellig geen haan naar kraaijen.
Enfin, de morgenstond
Heeft bij hem goud in den mond,
En als hij kraait, dan kraaijen alle hanen van de buurt in 't rond,
En, die 't niet doen, hebben stellig keelpijn of zijn niet gezond.
Hiervan is uitgezonderd,
Hetgeen ons niet verwondert,
Die op den toren moet staan,
Want die stoort er zich niet aan,
En die wil ook nooit meê uit vechten gaan,
Zoo als het geval is met den kippenhaan;
Want is onze sinjeur
Uit zijn humeur,
Dan toont hij, dat hij 't vechten door en door kent,
Als hij als haantje de voorste of driftige vent
Tegen zijn vijand inrent.
Trouwens, dat heeft zijn grootvader hem reeds ingeprent,
Toen die tegen hem zeide: «toon altijd dat je een flinke kerel bent;
Je moet al die vreemde windzakken,
Als ze op je erf komen, maar goed aanpakken
En afjakken.«
Welnu, met zijn scherpe sporen
Kan hij bloed storten, ja zelfs zijn collega vermooren,
Waarop hij koning kraait, als de andere het heeft verloren,
En dan mogen alle hanen uit de buurt zijn zegepraal hooren.
Kippen zonder haan,
Kunnen op den duur niet blijven bestaan,
Want ze hebben zonder haan geen zin,
Even als de bijen zonder koningin.
Er is echter onderscheid in,
Te weten: de natuurlijke geschiedenis,
Zegt dat de haan een mannetje en de koningin een vrouwtje is.