_Ovis aries._
Als men de natuur nagaat in hare werken,
Zal men bemerken,
Dat ieder individu varieert in de verschillende levenstijdperken.
Zoo was b. v. het schaap een lam,
Toen het in de wereld kwam,
Een beestje dat men door scheren nooit wol ontnam,
Om de eenvoudige reden,
Dat zijn rok te kaal was om zijn leden.
Een schaap is vermaard,
Wegens zijn zachten aard,
Waarin, naar men zegt, geen dier het evenaart.
Enfin, met gemak
Gaan er veel schapen onder één en hetzelfde dak.
Verder is het dier te respecteren,
Naardien het uit zijn melk lammertjespap laat fabriceren,
Mitsgaders uit zijn vacht een aantal wollen kleeren.
Ook zeggen de kenners, dat het dier onmisbaar is om goede tabak te
cultiveren.
Iemand, die in een keukenboek leest,
Ziet spoedig dat er nog al wat te maken valt van dat beest,
Doch een schurft schaap schreeuwt 't meest,
Hetgeen ook meestal het geval bij den mensch is geweest.
Echter kan van een schaap worden gezeid,
Dat het altijd een lageren toon aanslaat dan een geit,
Al wordt het ook op de slagtbank geleid;
Benevens nog de bijzonderheid:
Als er één over een brug is gegaan,
Dan nemen de andere schapen daar een voorbeeld aan,
Want dan volgen ze en blijven niet staan.
Volgens #Carus# gelijken sommige menschen op schapen,
Met de minzaamheid op hun voorhoofd en slapen,
Waarvan hij echter zegt,
Dat die nooit gedacht hebben aan het woord «opregt,«
Hetgeen men ook bij hen kan observeren,
Als ze zich van schaap in wolf metamorphoseren,
Want dan komt de echte man uit de kleeren.