DE KWARTEL.

_Tetrao coturnix._

Wanneer hier door ons iets over den kwartel wordt verteld,

Zoo bedoelen we hem, die gevonden wordt in 't Burensche veld.

De kwartel

Is veelal dartel,

Doch komt in gespartel

En gemartel

Als hij naar 't beentje wil hooren,

Want hierdoor heeft hij spoedig zijn vrijheid verloren,

En dan denkt hij: «hoe kon me toch die lokstem zoo bekoren!

Ik heb zeker een gebrek in mijn ooren,

En 't is wel een ongelukkige geschiedenis,

Als iemand zoo doof als een kwartel is.

Nu is 't mij gebleken,

Dat al dat steken

Niets anders was dan valsche streken;

En dat al dat wekken,

Slechts diende om mij in 't net te trekken

En tot mijn verderf te strekken.

Nu word ik gewaar

Hoeveel gevaar

Er gelegen is om te luisteren naar 't kwartelbeentje van #Frans

Langelaar#,

Want die man is op dat punt van zessen klaar;

Ik hield het stellig voor waar,

Dat Mejufvrouw Coturnix was daar;

't Was mijn voornemen aan haar

Een voorstel te doen, om te worden een gelukkig paar;

Want ik zal toch ook ééns trouwen moeten.

Doch hoe moet ik nu voor mijn stommigheids schuld boeten.

Ik raak niet meer uit de voeten;

't Is nu met me geheel en al mis,

Want de deur staat reeds open van mijn gevangenis.«

Enfin, zoo kan een kwartel doorslaan, die pas in 't net is.

Anders slaat hij gewoonlijk _kwikmedit_,

En hoe meer hij 't doet, hoe meer waarde hij voor de liefhebbers

bezit,

Vooral als hij in een kooi zit.

Doch behalve dat heeft dit dier,

Ook dikwijls pleizier,

Zelfs voor dag en daauw,

Te roepen _ma auw ma auw_.

Slaat hij veel, dan is de lucht meestal graauw,

Dan kan men zeggen, er zal gaauw

Regen komen.

Is zijn vrijheid hem niet ontnomen,

Dan leeft hij als een vischje in 't water,

En volgens Lavater

Zijn zijn hersenen zoo georganiseerd,

Dat hij voor reizen en trekken is gedisponeerd,

Hetgeen hij toont als hij in 't voorjaar hier arriveert,

En van hier weer in September naar zijn vroegere woonplaats

retourneert.

Op die terugreis is hij zoo gezet,

Dat, volgens Martinet,

Dit dier op dien tijd in de kooi onstuimig aan kan gaan,

En in zijn drift zijn schedel soms aan stuk kan slaan.

't Is gelukkig voor zijn persoonlijkheid als hij wordt verbeend,

Want dan is 't zeker dat hij nooit weer aan 't kwartelfluitje 't

oor leent,

En dan kan hij gerust zeggen: «je ziet nu wel dat ik niet zoo doof

ben,

Maar dat ik zeer goed hooren ken.«

Daar 't kwartelwijfje niet van de tongriem is gesneden,

Zoo zal een liefhebber van kwartels nooit aan haar zijn geld

besteden.

Een acht en twintigtal voorwerpen uit de natuurlijke geschiedenis, geschikt voor rederijkers- & nutsvoordrachten, in den trant van de gedichten van den schoolmeester, met een aanbevelend woord van wijlen Mr. J. Van Lennep · 第 29 / 34 题