DE GEIT.

_Capra hircus._

Als men een blik

Werpt op een geit of sik,

Dan zal men terstond kunnen denken:

Dit beest dient even als de koe om melk te schenken;

En als men nu de grootte nagaat van elk,

Dan moet natuurlijk een geit minder geven melk.

Enfin, die er geen koe op na weet te houen,

Die moet zijn geit maar als een kleine koe beschouwen,

En tevredenheid zal immers niemand berouwen?

Een jonge geit,

Is een dier dat een vrolijk leventje leidt,

En het rekent dansen, klauteren en springen,

Onder de pleizierigste dingen.

Soms zelfs huppelt het uit baldadigheid

Op zijn moeder, die er echter niets van zeit,

Want die ziet graag zulke luchtsprongen

Bij haar jongen,

En denkt dan: «mijn dierbare panden hebben goede longen,

Ik was vroeger ook zoo vrolijk en ongedwongen,

En ik herinner me den tijd nog als of 't gisteren was,

Dat ik vrij rond kon huppelen in 't gras,

Maar toen ik grooter werd, sneden ze mij af dien pas,

En kreeg ik als cadeau om mijn hals een soort van een das,

Waaraan een kettingje was.«

Enfin, #_tempora mutantur et nos mutamur in ipsis_#,

Dit leert iedere levensgeschiedenis,

En ook een oude geit die vast ligt, verschilt van haar kind dat nog

vrij is.

Dikwijls echter is 't spoedig voor een geitekind met zoo'n leventje

uit

Door een vilder van een jood, die 't in zijn levensbaan stuit,

Als die 't voor een stuiver of wat afstroopt de huid,

Vooral wanneer de geitespruit,

Is _masculini generis_,

Dat wil zeggen een bokje is.

Doch ook de dochtertjes loopen niet altijd dat bloedbad mis.

Voordat ze gespeend zijn of behoorlijk kunnen blaten,

Moeten ze mama dikwijls hier achterlaten.

Naar haar aard

Draagt de geit een of geen baard,

Ook wil ze met of zonder horens stooten;

In ieder geval heeft zij vier pooten.

Haar spitse kin,

Toont aan een wispelturigen zin,

En als ze u met haar vierkante oogen aan wil kijken,

Nu eens nadert en dan eens diplomatisch gaat wijken,

Zal er in haar karakter zekere stuurschheid en loosheid blijken.

Zijn de geiten manswaardig,

Dan vertoonen zij in een kunst zich vaardig,

Te weten in de kunst van villen

Die ze trouw beoefenen willen,

Als ze kans hebben den bast van boomen af te schillen,

Niet zoo zeer om bepaald haar honger te stillen,

Maar ze beschouwen zoo'n beetje,

Als een extra-ordinair dinétje.

Volgens een Franschman lijkt bij kaarslicht,

Een geitekop op een juffersgezigt.

Dit wordt althans bewezen,

Als we lezen:

«A la chandelle

La chèvre semble demoiselle.«

We zeggen hem dit echter niet na,

Omdat we hierover hebben een andere logica.

Een acht en twintigtal voorwerpen uit de natuurlijke geschiedenis, geschikt voor rederijkers- & nutsvoordrachten, in den trant van de gedichten van den schoolmeester, met een aanbevelend woord van wijlen Mr. J. Van Lennep · 第 28 / 34 题