DE HOND.

_Canis familiaris._

De hond is een persoon,

Die gezelligheid spreidt ten toon,

En die door trouw en andere manieren,

Uitmunt onder de dieren.

Iemand die een weinigje van de physionomie verstaat

Ziet terstond bij dit beest een hoogen aanleg op 't gelaat,

En hoe of 't met de zenuwen staat.

En met welk een harttoon het hart van dit beest slaat

Kan ook blijken

Als men maar eenvoudig naar zijn staart wil kijken.

De natuurlijke geschiedenis,

Leert dat hij in 't ruiken door en door kundig is,

En 't moet nog altijd worden bewezen,

Of er wel één dier onder de viervoeters is, hetwelk daarin zoo knap

zal wezen,

Want met zijn neus

Is hij een reus,

En als hij drinkt is hij ook uniek,

Want er vertoont zich dan een eigenaardige mekaniek,

En zijn tong maakt daarenboven met de vloeistof nog een muziek.

Men houdt den hond voor zijn liefhebberij,

Doch hij verrigt ook menigen post of karrewei,

Hetgeen natuurlijk afhangt van geboorte en educatie,

En van hier op dat punt nog al wat variatie;

Doch iedere hond heeft naar vleesch een sterke inclinatie,

En wordt in dit geval

Niet graag gezien in een vleeschhal.

Een slager rekent hem daarom niet onder zijn vrinden;

Doch hij zegt daarentegen: «Men kan mij ligt slaan als men maar een

knuppel kan vinden.«

Enfin als men den hond observeert,

Zal men kunnen zien dat hij sedert Esopus het stelen nog niet heeft

afgeleerd,

Want vechten er twee om een been,

Dan loopt er een derde meê heen.

Ook zijn ze conservatief (hetgeen die wijsgeer ook reeds zag),

Dat een blaffende hond niet bijten mag,

En hiervoor willen ze slechts aan den mensch de wederdienst vragen,

Dat men hen bij een hondeweêr niet naar buiten zal jagen.

Als men het doopboek van de honden op woû slaan,

Zou men er verschillende namen van hen in vinden staan,

Maar den naam van #Cerberus# zou men te vergeefs zoeken,

Want die driekop was een monster, en daarom heeft men hem onder

hunne familie niet willen inboeken.

Een acht en twintigtal voorwerpen uit de natuurlijke geschiedenis, geschikt voor rederijkers- & nutsvoordrachten, in den trant van de gedichten van den schoolmeester, met een aanbevelend woord van wijlen Mr. J. Van Lennep · 第 27 / 34 题