_Lepus timidus._
De haas
Is in 't loopen een baas,
En als men 't ziet, zou men denken hij is zeker op hol.
Aan zijn kop geeft men den naam van bol,
En zijn haar noemt men wol;
Vervolgens mag niet worden vergeten,
Dat zijn ooren lepels en zijn oogen kijkers heeten,
En dat zijn pluim nabij zijn kussens is gezeten.
Het mannetje der hazen is de rammelaar,
En de moerhaas krijgt 2 of 3 keer jongen in 't jaar.
Van September tot Januarij is hij dikwijls in gevaar,
Doch in den overigen tijd heeft hij het niet zoo naar,
Of 't moest zijn dat hij door een strik, een strooper, of een wezel,
gebragt werd op de baar,
Want passen die dieren niet op hun tellen,
Dan blijft er van hen spoedig niets over dan de vellen,
Mitsgaders, indien er een tabaksrooker soms op was gezet,
Een sprong of een pijpje van zijn skelet.
Enfin het is een vaste wet,
Als een haas sterk is aan het zweeten,
Dat hij dan dra niets meer van 't ondermaansche zal weten,
En dan ook geen boerenkool meer zal eten.
Van nature een weerloos beest,
Is de haas zeer bevreesd,
En een dier dat een hazenslaap weet te maken,
Om door 't minste gedruisch wakker te geraken,
Waarna hij als hij wil het hazenpad kiest,
En in zijn snellen loop nooit zijn sokken verliest,
En hetgeen de waarde van zoodanig schoeisel nog wil verhoogen,
Is dat mijnheer of mevrouw nooit last hebben van eksteroogen.
Door hun zachten tred werd ook dikwerf een jager in het spoor
bedrogen,
Of door hun dwarssprongen en terugloopen om den tuin geleid,
Want ook de eigenschap van listigheid,
Kan aan dit dier niet worden ontzeid.
Als 't zomer is en dan 's avonds mooi weêr,
Kuijert mijnheer
Een wei of een boomgaard op en neêr,
Of zit daar dan op zijn gemak als een raadsheer
In het rond te kijken
En zijn baard uit te strijken;
Of hij speelt met zijn familie, bijv. een drieling en een halfwas,
Haasje over in het klavergras,
En als 't komt van pas,
Geeft hij les aan de jongeluitjes,
Om te kunnen misloopen de hagelbuitjes,
En niet te struikelen over de kluitjes.
Iedere jagtpaal
Noemt de haas een schandaal,
En als hij ze ziet denkt hij aan zijn galgemaal.
Doch de jager heeft een ander verhaal,
Te weten, als men zijn lepels scheuren kan als neteldoek,
Of het middelschot van zijn neus zamendrukken kan als peperkoek,
Dan is het dier nog jong, dat spreekt als een boek.
Men behoeft slechts een oogenblik in 't groote boek der natuur te
lezen,
Om te weten dat een runderhaas is een geheel ander wezen.