DE OOIJEVAAR.

_Ciconia alba._

De ooijevaar

Bezoekt ons ieder jaar

En dan kan men zeggen: het voorjaar is daar.

Hij leeft met zijn wijfje als een gelukkig paar,

Althans volgens iederen naturalist

Zoekt die vogel nimmer met zijn ega twist

En is eene strenge monogamist.

Na zijn arriveren,

Gaat hij terstond zijn woning repareren,

Houdt dan schoonmaaktijd met een,

En de kinderen verwelkomen hem, door te zingen: »ooijevaar

langbeen,«

Onze sinjeur draagt witte en zwarte kleeren,

Beter bekend onder den naam van veêren,

Heeft een paar lange pooten, en een snavel zoo rood als een kreeft,

Te weten als men dit schaaldier gekookt heeft.

Daar hij privilegie heeft om te visschen en te jagen,

Zal een koddebeijer hem nooit naar de acte vragen;

En daar hij in de visscherij door en door kundig is,

Kan hij, als hij wil, dagelijks eten visch;

Wanneer de kraaijen gapen, om door de hitte niet te stikken,

Gaat mijnheer in de hoogte zich door een frisch luchtbad verkwikken,

Want zooveel natuurkennis heeft hij, dat hij best weet,

Dat 't in de bovenlucht nimmer is heet.

Men ziet hem daar dan op zijn uiterste gemak laveren,

Zonder een wiekslag te doen, kringetjes formeeren,

Zoo als de meisjes te Hindelopen, wanneer ze promeneren.

Als hij voetje voor voetje boven over een huis henen gaat,

Dan vertoont hij de kunsten van een echte acrobaat;

Ook, als hij soms met één been op een schoorsteen staat;

Enfin, wil men weten uit welk een hoek de wind komt te waaijen,

Dan moet men maar eens kijken, naar welken kant hij zijn kop zal

draaijen,

Want hij verrigt, als men hem daar zoo ziet staan,

De functiën van den besten weerhaan;

Dat wil zeggen: hij staat altijd met zijn kop vlak tegen den wind.

De musschen beschouwen hem als een beste vrind,

Die zoo humaan is gratis aan hen een logeerkamertje te geven,

Waarin zij hoog en droog kunnen nestelen, zonder te moeten beleven,

Dat de kwâjongens hun jongen uithalen en op de wipplank doen sneven.

Doch ook menig een kind,

Beschouwt den ooijevaar als een vrind,

Die zoo goed is aan mamatje een zusje of een broertje te verkoopen,

En hiervoor moet, volgens bakers zeggen, het zoldervenster maar

open.

Menig volwassen mensch,

Heeft ook den wensch,

Dien vogel voor het eerst niet te zien staan of zitten;

Want ziet men hem vliegen, dan heeft men het gansche jaar door

pitten,

Om hier duidelijk te zijn, geld in den zak, en dat wil ieder graag

bezitten.

Ook wordt er verhaald

Dat hij prompt tiend betaalt,

Omdat men heeft kunnen observeren,

Dat hij ieder jaar uit zijn nest laat glijden, hetzij een jong, een

ei of een paar veêren.

De Haagsche ooijevaar stoort zich daar niet aan,

Dien ziet men ook nooit op een schoorsteen staan.

Enfin, ook in dit opzigt is er variatie onder de maan.

Een acht en twintigtal voorwerpen uit de natuurlijke geschiedenis, geschikt voor rederijkers- & nutsvoordrachten, in den trant van de gedichten van den schoolmeester, met een aanbevelend woord van wijlen Mr. J. Van Lennep · 第 25 / 34 题