_Equus caballus._
We behoeven van de natuurlijke historie niet veel te weten,
Om het beest te kennen, dat we paard heeten,
En iemand zal het niet ligt vergeten,
Dat een paard,
Vier pooten heeft, manen draagt en een staart.
Behalve stappen kan het dier ook draven en galloperen,
En wil men het dresseren,
Dan wordt het in kunsten te maken een piet,
Zooals men in 't circus van Carré ziet.
Het kind van een paard is een individu dat veulen hiet,
Dat in zijn prille jeugd veel voorregten geniet,
Want er is geen boer, die 't voor een mestwagen loopen liet,
En zweepslagen kent 't ook nog niet.
De achterpooten van een paard zijn volgens de natuurlijke historie,
Een magtig wapen, waardoor 't dikwerf krijgt de victorie.
Gelukkig na zoo'n strijd, als men zeggen kan: «ik heb 't nog in me
memorie«.
Want dan leeft men nog, al is het door een blaauwe scheen niet in
volle glorie.
Als #Porta# een physionomie over paarden had geschreven,
Dan had hij voorzeker daarbij waarnemingen gegeven,
Misschien wel een geheel boekdeel er van vol,
Dat de invloed van den mensch op dit beest speelt een belangrijke
rol.
Hier hebt ge b. v. No. 1, die bles gaat zeker op hol,
Omdat zijn baas topzwaar is, en in de rondte draait als een tol.
No. 2 en 3 zijn echte aristocratische dieren,
Vol zoogenaamde educatie en gesoigneerde manieren.
De koetsier gaf hun les, en doet zijn best ze dagelijks op te
sieren;
Men kan het aan die beesten zien, dat ze niet vroeg opstaan
En 's avonds met een vollen buik naar bed gaan,
Enfin het vette der aarde genieten ze op hun levensbaan.
Hoe mager kijkt daarentegen dat beest van dien klapzweeper je aan,
Men kan er de ribben van tellen, en strepen van de zweep ziet men
op den rug staan;
Dit beest heeft 't zuur, en tot den laten avond met werken niet
gedaan.
Een voorwerp is 't, waarop de beschermers der dieren wel het oog
mogen slaan.
Na No. 4
Komt een druiloor van een dier,
Maar zijn baas heeft ook in werken geen pleizier,
En van hier
Bij dit beest die luiheids-manier.
Hieruit kunnen we leeren,
Dat het paard is te biologiseren.
Ook is het, volgens de natuurlijke geschiedenis,
Een dier dat goedgunstig is;
Want na zijn sterven,
Laat het altijd nog iets achter om te erven;
Vooreerst en dit is geen bagetel,
Zijn vet en het vel,
En denken we aan matras of kanapé,
Dan brengen we den staart en de manen ook nog meê.
Dikwijls neemt de mensch sub rosa,
Zijn bouten ook nog daarna,
Om die later met den naam van rundvleesch te doopen,
En behoorlijk gerookt aan de liefhebbers te verkoopen,
En iemand, die zijn smaak een oogenblikje vergat,
Zegt dan soms dat hij er smakelijk van at;
Maar hetgeen men nu niet meer heeft, doch vroeger te Troje had,
Is dat mooije paard, waaruit een heel leger Grieken te voorschijn
trad,
En waardoor na tienjarig beleg veroverd werd die stad,
Die nu spoedig in puin lag, te midden van een bloedbad.
Iemand die nieuwsgierig omtrent dit groote paard mogt wezen,
Die moet maar eens eventjes in vader Homerus lezen.
Dit behoeft echter niet,
Om te weten wat een boer graag bij zijn paard ziet,
Een soort van gymnastie, dat 't beest soms in de wei aanbiedt,
Als 't dier, met zijn rug op den grond, zijn vier pooten in de
lucht laat zweven,
Die naar beide kanten een slingering geven,
Waardoor 't corpus over 't gras henenschuift;
En als 't hierna opstaande, met een goeden adem snuift,
Dan is dit een bewijs, dat het paard als een visch
Zoo gezond is,
Althans volgens boeren-getuigenis.
Schedels van paarden prijken hier en daar op de stallen,
Opdat de nachtmerrie de paarden niet zou overvallen.
Dit idée (men begrijpt 't) behoort tot den fabuleusen tijd,
En daarom kan er worden gezeid,
Dat zoo'n ding er voor niets op leit.
Als nu de schedels konden spreken, zouden zij over die verkeerde
praktijk niet zwijgen,
En ook zeggen dat paarden, die de haver verdienen, ze niet krijgen.