_Sus Scrofa domesticus._
Een varken of zwijn
Wordt door Cicero _sus_ genaamd in 't Latijn,
Doch volgens Horatius mag dit ook _porcus_ zijn.
Enfin,
Dat beest is een echte polyphaag,
Dat alles zoo maar opstopt in zijn maag
En het blijft altijd nog een vraag,
Een belangrijk probleem op te lossen voor die heeren
Die in organische chemie studeren,
Hoe zijn vreemdsoortig voedsel zich in spek kan transformeren.
Het dier geeft dikwijls een blijk
Dat 't voor een bad prefereert modder of slijk.
Van zijn laatste bad voelt 't natuurlijk niets, want dan is het
reeds een lijk.
In plaats van ringen in de ooren
Draagt het een of meer ringen in den neus van voren,--
Niet door de natuur geschonken, dat laat zich wel hooren,
Maar 't is een cadeautje van den smid, om wat minder te wroeten of
in den grond te boren;
En als het dat geschenk krijgt, kan men zeggen: «dat beest heeft
nog niet zijn stem verloren,«
Zoo ook gilt het vreeselijk, als de slager het vermoordt,
Een muziek dat den doove niet verveelt, omdat die het niet hoort,
En wanneer het dan geen geluid meer doet hooren,
Wordt het voor de eerste en de laatste maal van top tot teen
geschoren,
Komt daarop uit het warme bad
Als een knikker zoo glad,
En wordt verder door den slager geanatomiseerd,
Die u zeggen zal dat dit hersenloos dier nog wordt geleerd,
Een Geschichte waarover die man graag philosopheert,
En bij die gelegenheid ook wel demonstreert,
De dikte van het spek,
Vroeger te schatten naar den nek,
Of ook wel hoe de nieren, zoo mager volgens de natuurwet,
Te midden liggen van het vette nierenvet.
Dat alles is te zien, als men er maar op let.
Is het varken een heer
Dan spreekt men van een beer,
En diens ega heet de zeug of de zog.
Vervolgens hebben we uit die familie de gilten en de bargten nog.
De kleintjes heeten keujes of biggen
En 't is interessant hoe die naast mama te zuigen liggen;
Althans iemand die dat ziet
Zou kunnen zeggen: «kijk, dat is toch zoo dom nog niet.«
Een varken laboreert slechts aan een bijzonder verdriet,
Te weten: dat het niet overal onrein hiet,
En hierdoor niet
Een lang leven geniet.
Daarom ziet het slechts iederen jood of mohammedaan
Voor zijn beste vrienden aan,
Dewijl deze zijne ribben niet tot krabjes zullen slaan
Doch de christenen wenscht het naar de maan
Of ook wel naar de haaijen,
Omdat die zoo roekeloos zijn vleesch kunnen kooken of braaijen,
Zijn reuzel smelten en sommigen, behalve smout, nog opeten de
kaaijen,
Of anderen het vet gebruiken, om het haar mede te verfraaijen.
Als dit beest nadenkt over zijn lot,
Hoe de christen met zijn dierbaar leven spot,
Ligt het te knorren in zijn kot,
En geen wonder, want die blijft maar zeggen: «van jou krijg ik een
hutspot.
Ben je vet dan mot j'er aan, dan laat ik je niet langer meer leven,
Alleen om mij ham, spek, saucijsjes etc. te geven.«
In den laatsten tijd taande de glorie van het varken wat,
Want zijn vleesch kwam in de klad,
Toen men er trichinen in gevonden had.