(_Rana esculenta_).
De kikvorsch is een dier,
Dat op zijn manier,
Zooals op het ondermaansche hier,
Leeft in verdriet en pleizier.
In het springen is hij uitermate vlug,
Vooral als een ooijevaar loopt achter zijn rug,
Want die steltlooper is altijd tegen hem stug,
Even als eene jonge jufvrouw, die slapen wil, tegen een gonzende en
stekende mug.
Lust voor zoo'n eibers luchtreis heeft hij ook niet;
't Is daarom dat hij dien vijand ontvliedt,
En, hoe op rood verzot, die kleur van zijn pooten toch niet graag
ziet.
Het is dan ook gansch niet malsch
Om zoo kop over hals
En dat op een manier zoo valsch,
Te komen in den krop
Van dien gulzigen slikop.
Want de zucht om te willen blijven leven
Is door de Natuur
Aan het creatuur,
Kikker genaamd, ook gratis gegeven.
Tegen een Franschman heeft hij mede een puist,
Omdat door hem menige kikker naar de onderwereld verhuist,
En het gansche lijf kan hem beven en trillen,
Als hij bedenkt dat de Franzosen hem kunnen villen,
Dewijl deze zoo verlekkerd zijn op zijn billen,
Die ze stoven en braden willen;
Ja, hij zou door pure angst er van kunnen gillen,
En heeft dan 't land nog erger dan een patient tegen asa foetida (ik
bedoel duivelsdrek-pillen.)
Het dient ook verder van den kikvorsch te worden gezeid,
Dat hij kitteloorig is, als hij onder het mikroskoop wordt geleid,
En dan medici, die physiologie bestuderen,
In het zwemvlies zijner pooten observeren
Hoe de bloedbolletjes in de vaatjes circuleren,
Of ook wel langs dien weg experimenteren
Om verschijnselen van inflammatie te constateren.
Hij houdt echter die studie voor niets dan louter hem te
tourmenteren,
Vooral als die naar waarheid zoekende heeren
Hem bovendien nog willen dissequeren,
Om van slijmvlies en zenuwpræparaatjes te formeren,
Waaruit ze veel dingen kunnen leeren.
Bijv. #Dr. Galvani# leerde ons hierdoor later het telegrapheren,
Waarom hij ten sterkste tegen deze Geschichte blijft protesteren.
Uit dit protest van hem kan worden afgeleid,
Dat zelfs koudbloedigheid,
En dit is een allerbelangrijkst feit,
Kan bezitten eene tegenstrevende kitteloorigheid.
Gaan we onzen sinjeur verder beschouwen,
Zoo zien wij, dat hij een afkeer heeft van een nestje te bouwen,
Ik bedoel hier uit veertjes of uit wat stroo.
Enfin hij leeft maar #_sub divo_#,
En is vroeg of laat,
Te water of op straat.
Hierbij voegt nog de natuurlijke geschiedenis,
Dat hij 's winters zeer slaperig is;
Dan kan hij uitermate lang slapen
Zoo dat een mensch hem daarin niet na kan apen.
Als hij in 't voorjaar de slaap uit zijn kijkers strijkt,
En daardoor goed uit zijn oogen kijkt,
Dan krijgt hij (dat spreekt van zelf) een vrouwtje dat hem lijkt,
En het is een groot comfort voor die dieren,
Zoo maar te kunnen trouwen zonder de pampieren.
Het wijfje legt eijeren, en wel zeer veel.
Zoo althans dit nummer een huishen viel ten deel,
Zou men meer hooren van eijeren pellen;
Doch nu is het met de eijeren: »Boer, pas op je tellen,«
Vooral ook sedert de vleeschetende Engelsche natie
Voor dat begeerlijk ding van Cats gekregen heeft eene sterke
inclinatie.
Verder kan men zeggen van die dieren,
Dat ze voor hunne jongen hebben bijzondere educatie-manieren,
Ik bedoel hiermede, dat ze 't houden voor fatsoen,
Om voor de opvoeding van hun kroost niets te doen.
Het _self-help_ is bij hen eene vaste wet
En volgens den naturalist Martinet
Weten die jongen zich dikwijls te metamorphoseren
En verwisselen wel zestien maal van kleêren,
Zonder het van vader of moeder te hebben kunnen leeren,
En als ze dan aan hebben het laatste pakkie,
Dan gelijken ze precies op hun ouders zonder broekje of jakkie.
Is het wonder, dat die autodidactische manier van leven
Als hij grooter is hem winste zal geven,
Zeker is het althans, dat die methode hem 't voordeel biedt,
Dat hij altijd uit zijne eigen oogen en nooit uit die van anderen
ziet,
En, dus gevormd, kent hij ook den knellenden leiband van een ander
niet.
Met één woord hij roept altijd maar, kwek, kwak kwa
En nimmer hoort men van hem 't #_hóos epha_, _hóos epha_#.
Vervolgens heeft dit dier
't Allergrootste pleizier,
Als het, zijner waarde bewust,
Uren lang op de watervlakte rust,
En men zou dan denken dat hij tegen den besten baaijer wou zeggen:
»Jongen, je hebt nog vrij wat noodig om het even als ik _zoo_ aan te
leggen.«
Men zegt dat hij dan ook mediteert
En er schik in heeft dat de professor nog de #batrachomuomachia#
bestudeert.
Op dien riddertijd is hij bijzonder prat
En als hij daarover doorslaat wordt hij niet mat;
Hij zwelt dan op, zoo als in de fabel met de koe,
En een medelijdende Engelschman vraagt hem dan: »How do you do?«
Een groot pleizier
Heeft ook dit dier
Om op zijn manier
Tot laat in den nacht zich in dans en zang te amuseren,
Maar hieruit denk ik dat de jongelui niet veel kunnen leeren.
Men verhaalt dat hij den sterrenhemel bekijkt,
#Den Orion# begluurt, waaruit het toekomende weder hem blijkt,
En naar gelang van dat meer of min kwaakt en over het water strijkt.
Hierdoor is hij een barometer die leeft,
Die nog muziek op den koop toe geeft
En dien men niet op te hangen heeft.
En is er nog iemand, die er begeerig naar mogt zijn,
Zoo wete hij dat zijn naam in 't Grieksch is _Batrachos_ en _Rana_
in 't Latijn.