(_Mus musculus_).
Ieder huis
Heeft zijn kruis,
Al was het maar door _één_ muis.
't Is altijd een gast,
Die in een provisiekast
Niet past en veroorzaakt veel last.
Uiterst levendig in aard
Kan zij loopen en springen in snelle vaart,
En bragten wij een paard
In vergelijking met de kleine muis,
Dan moest dat groote dier wel kunnen springen over een huis.
Tegen haar spitsen tand
Is niets bestand
En het diertje zal zich niet generen
Zelfs in de beste Zondagsche kleêren
Gaten te bijten, en die dus te ruïneren,
Zoodat Stultz ze zelf niet kan repareren.
Misschien denkt het dan wel: »o Mensch! in dat kleine wil ik u
exerceren
Om later nog grootere rampen te kunnen trotseren,
Want als ge nu reeds zuur kijkt,
Dan is het mogelijk dat ge later bezwijkt.«
Zij snuffelt overal rond
Onder den vloer en boven 't plafond,
Of haar mond
Niets te vernielen vond.
De Natuurlijke Geschiedenis
Leert dat het diertje zeer snoeperig is;
't Knabbelt aan alles en wil veel dingen eten,
Bijv. brood, boter, kaarsen, vet, en kaas vooral niet te vergeten.
Soms klimt het den schoorsteen in, waar het spek in ruikt,
En daar bij afwisseling een reepje van gebruikt,
Of likt uit 't pomadepotje dat op de waschtafel staat,
Of verorbert ook wel van den kanarievogel 't zaad.
't Is een huiselijk diertje, en iemand die 's nachts aan kiespijn
lijdt,
Hoort menigmaal, hoe dit beestje onder het kussen in de matras bijt,
Dan loopt 't ook wel eens voor een aardigheid over de wangen henen.
Maar eer men 't denkt, is 't al weder verdwenen.
Enfin papier, stroo, sigaren en nog zooveel
Kaauwt het, vernielt het, of 't gaat door haar keel.
Overigens schijnen die dieren zich bijzonder te veramuseren
Als ze achter 't behangsel kunnen springen, of over den zolder
galopperen.
In het Latijn noemt men de muis _mus_
Het verschil is maar de letter I dus,
En de dichter Horatius
Spreekt in Satire 6 van het tweede boek,
Dat een veldmuis bij een stadmuis deed een bezoek,
Doch de weelde die zij er kon genieten,
Deed het haar daar spoedig verdrieten.
»Ik ben hier gansch niet om te blijven leven op mijn gemak,«
Zoo sprak zij, onder dat steedsche dak.
»Pas op, als Mie komt; ik heb er mijn buik al van vol;
Ik keer weer terug naar het veld in mijn hol;
Daar leef ik niet in onrust, maar stil,
Want hier is 't maar een vergulde pil
Die ik niet slikken wil.
Nu vaarwel dan; kan ik te huis wel geen tulband eten of kaas,
Ik leef daar gerust, en ben er mijn eigen baas.«
Deez' fabel leert, behalve veel, dat de muis haar eigen wil kan
volgen,
En daarom is ze ook altijd nog zoo tegen de kat verbolgen.
Men zegt dat voor de Chinezen
Muizen een aangename maaltijd moet wezen.
Wij gebruiken de muisjes liever met wat sla,
Met worteltjes of peultjes, en dan nog het noodige na.
Ook worden muizenkeuteltjes dikwerf gegeten
Als een kleintje hooren laat zijn eerste kreten.
Muizen met staarten en muizennesten in het hoofd
Hebben wel eens ongelukkig een mensch van zijn zinnen beroofd.
Verder kan een muizenjaar gebragt worden onder de Egyptische plagen.
Die het niet gelooven wil, ga het den landbouwer maar eens vragen;
Hij zal u zeggen zeker en gewis,
Dat zoo'n jaar tegen zijn zin is,
En dan ook dat zijn berg meer als een muisje kan baren,
Namelijk een legioen muisjes tusschen haksel en looze aren,
En iemand die op physiologie nog niet heeft gelet
Staat dan verbaasd over die multiplicatie-wet.
Wezels, egels, katten, uilen en valken
Kunnen dikwijls muizen verschalken,
Doch ook een groot getal muizen
Gaan _nolens volens_ door vallen en kraansoogen _ad patres_
verhuizen.