(_Simia Silvanus_).
#Darwin#, een Engelsche naturalist,
Die naar zijn idee meer dan andere menschen wist,
Leert ons dat het menschelijk geslacht
Uit de apen is voortgebragt.
Die transmutatie, om dat woord hier te gebruiken,
Ging zachtjes aan, en langzamer als nu uit een ei komt een kuiken.
Of zijn stelsel nu waarheid zij of wel een logen,
Dit zullen wij hier ter plaatse thans niet betoogen;
Nogthans kan men zeggen, dat menig een knaap
Veel overeenkomst heeft met een aangekleeden aap,
En dat veel menschen in hunne manieren
Precies gelijken op deze dieren.
Overigens misgunnen wij het geloof aan een ander niet,
Die zijn afkomst in den stamboom der apen ziet,
Al was 't ook, zoo hij meende, dat nog drie kwart apenbloed door
zijn aderen vliet,
Daar van nature een aap
Geen wol draagt zooals een schaap
En niet tegen de kou kan gelijk de noordpoolbeeren,
Zoo zal niemand mij opponeren
Wanneer ik zeg, dat hij een Oostersch klimaat
Verre prefereert boven felle vorst hier buiten op straat.
In kunsten te maken is hij een groote mijnheer
En als hij pas is in de leer
Rijdt hij op kermis te paard, ik bedoel op een hond,
Met een rood pakje aan, mutsje op, en slaat dan een front,
Maar werpt ook wel zijne begeerige oogen rond
Of hij niets te verorberen vond
En hij ruikt dan spoedig lont,
Wanneer hij iets ziet op den grond
Dat aantrekkelijk is voor zijn mond,
Bijv. een appel of een noot, naar hem toegeworpen door een jongen,
Waardoor onze sinjeur dikwerf uit het zadel is gesprongen;
En zonder moeite zien wij dan al weer,
Dat ook bij apen de natuur gaat boven de leer.
Klimmen en klouteren kan hij beter dan een matroos,
Doch het dier maakt zich dikwijls geweldig boos
En beweegt dan grimmig zijne kaken,
Zoodat het geen katje is om zonder handschoenen aan te raken.
Daar echter volgens de natuurlijke geschiedenis
Een karaktertrek van de apen is,
Na te apen wat de menschen doen,
Zoo rekent hij driftig worden niet meer dan pligt en fatsoen.