DE SNOEK.

(_Esox lucius_).

De snoek,

Staat als de wolf der wat'ren te boek,

En voor zijn tijdverdrijf,

Staat hij er uren lang stok stijf,

Waardoor men zou denken, hij heeft niet veel om 't lijf;

Doch volgens de natuurlijke geschiedenis,

Is dit denkbeeld geheel en al mis,

Want zoodra de druiloor,

Een lekker hapje krijgt in het spoor,

Dan gaat het er van door.

Sinjeur Esox lucius,

Wordt de vliegende Mercurius

Een wezen dat bij de pinken is,

Waar wat te eten en te drinken is.--

't Is een binnenvetter,

Die niet slechts naar de letter,

Maar in de praktijk van het leven,

Het uitmuntend voorbeeld wil geven,

Dat hij excellent,

Het spreekwoord: »haast u langzaam kent;«

Een snoek heeft een kop die plat is,

En houdt bijzonder veel van katvisch,

Doch waar een kat meermalen overdoet op een diné,

Dat neemt die gulzigaard in één slok meê,

Trouwens in zijn muil,

Houden zich meer dan 700 tanden schuil,

Altijd mooi wit en nooit vuil;

Vooraan,

Heeft hij 4 neusgaten staan,

En van achteren draagt hij een staart,

Dien hij stuurt in zijn vaart,

Van zoodanig een snee,

Als de nieuwerwetsche bef van een dominé.

In een sloot

Waar een snoek ligt zijn neus stoot,

Wordt hij zelden groot,

Ook zijn grootmoeder was er gaauw dood,

Die tegen haar verlangen

In een strik was blijven hangen.

De kuil en de koperdraad,

Zijn voor ons een groot kwaad,

Zegt snoekjemaat;

Doch die praat,

Geeft weinig baat,

Want door het menschelijk vernuft

Wordt een snoek overbluft.--

In een kil of wiel,

Wordt een snoek wel ééns een oude ziel,

En snoeken die daar willen trouwen

Kunnen er de gouden bruiloft houën,

Zooals de fabel zeit,

Zegt ega snoek bij die gelegenheid,

(Want ze is om een praatje verlegen,)

Wat een zegen,

Hebben we toch gekregen!

Maar mijnheer snoek

Wordt op dat gezegde, zoo bleek als een doek,

Waarop hij dieper schuilt in zijn hoek,

En antwoordt: van dat ding van een zegen,

Had ik liever dat je thans hadt gezwegen,

Je weet immers dat dat woord,

Terstond mijn humeur stoort,

Enz.

We dienen op den ouden dag nu bijzonder te zorgen,

Dat dat machine ons niet brengt tusschen hangen en worgen,

Goede morgen!!

En het snoekenpaar,

Roert dan weêr aan een and're snaar

En pakt een slokje klaar;

Het is waar,

Dat een snoek kan worden 100 jaar,

En wel 15 kilo zwaar,

Doch het is een canard,

Dat die oude luitjes toertjes of pruiken,

Uit mos gefabriceerd, tegen de kou zouden gebruiken.--

Iemand die in hengelen is gepromoveerd,

Zegt dat een snoek te vangen bijzonder amuseert,

Want al verslijt,

Hij ook nog zooveel tijd,

Voor dat een snoek goed doorbijt,

Zoo noemt hij het toch één van de pleizierigste dingen,

Doch de natuurlijke geschiedenis zegt, er zijn geen regels zonder

uitzonderingen

En voegt er nog bij,

Ieder vischt op zijn getij,

Doch wie zal er naar verlangen?

's Winters een snoek te vangen--

Als: klets, plas, druipnat, en de kegels dra aan de haren hangen,

En wien men dan, als een snoek zoo koud,

Nog wil uitlagchen, of voor den gek houdt.--

Als men een snoek vangen mag,

Dan slaat men wel ééns twee vliegen in een slag;

Zoo'n geval,

Is niet met al,

En men gooit no. 2 maar doodeenvoudig bij den afval.

Doch hoe viesneuzig zal de keukenmeid kijken,

Als er lijken,

Van een kikvorsch of waterrat,

Een muis of pad,

Een nuchtere kat,

Die men tot baaijen gedwongen had,

Ja al niet wat,

Door de keizerssneê uit de schuilhoeken,

Voor den dag komen bij de snoeken,

Geen wonder dat het alsdan bij die meid raar om haar _hart_ is,

En ze zegt dat die vieze visch van daag niet haar part is.

Enfin, raakt de meid door zoo'n snoek van haar stuk,

Een phijsioloog beschouwt dit als gevolg van een phijsische indruk,

En hij zal met veel kennis weten te betoogen,

Dat er een verband bestaat tusschen maag, hersenen en oogen,

En gelijk een telegram snelt van Utrecht naar den Haag,

Voeren hier zenuwdraden d'indruk van gezigt op de maag.

Als medicament,

Was snoekenvet vroeger bekend,

En om de kracht er van te verhoogen,

Moest men het eerst in de zon of schoorsteen laten uitdroogen,

Ook zijn kieuwblad,

Gaf men aan een mensch, die een kramp-kolijk had,

Later bleek,

Dat ze geen waarde hadden in de apotheek,

En daarom kan men ze rangschikken onder die zaken,

Die met regt vergeten raken.--

En nu: Is een snoek nog minnekes,

Dan heeft hij natuurlijk vinnekes,

En kleine snoeken noemt men pinnekes,

Een groot verschil

Zoo men den naam in 't Maleisch hooren wil,

Want een kleine snoek heet dan _Ikang katjil_.

Tot besluit,

Men vindt 148.000 eijeren in de kuit,

Ik moet u echter vertellen,

Dat het geduld vereischt ze natetellen.

Een acht en twintigtal voorwerpen uit de natuurlijke geschiedenis, geschikt voor rederijkers- & nutsvoordrachten, in den trant van de gedichten van den schoolmeester, met een aanbevelend woord van wijlen Mr. J. Van Lennep · 第 16 / 34 题