DE DUIF.

(_Columba livia_).

Een duif,

Is voor een sperwer een lekkere kluif,

En goed gebraden,

Zal de mensch haar ook niet versmaden;

Doch zoo men aan iemand, die ferm eten kan, vroeg,

Je hebt zeker aan een duif niet genoeg,

Dan zou hij zeggen, »een stuk of vijf

»Gaan er met gemak in mijn lijf,«

Ook dien je daarbij te weten,

Dat om smakelijk gebraden duiven te eten,

Appelmoes en de noodige saus niet mag worden vergeten,

Tevens moeten het jonge duiven zijn, wel te verstaan,

Want ouden zijn taai, en daar is niet veel aan.

De duif is of wild of tam,

En de eerste is het, die vroeger op aarde kwam,

't Was in den tijd, toen er nog geen duiventillen waren,

En alvus van duiven nog niet dienen kon voor de groei van baard en

haren,

Duivenmelkers waren toen als de onbekende X of Z,

En ploerten schoten nog niet onder een andermans duiven met pret,

Dit schijnt nu geoorloofd onder een nieuwere wet,

Aan hun die 't geweten wat uit hebben gezet,

Doch wier oogen dikwerf schuilen onder den rand van den hoed of de

pet.--

In dien tijd, toen de tamme duif nog niet was geboren,

Droegen de dametjes nog geen gouden duifjes in de ooren,

Op 't onrustige hartje prijkte tevens niet mede,

Het lieve duifje en broche, als symbool van de vrede,

Maar alles verandert, en de tamme duif,

Staat nu voor 't bakje te eten, als een paard voor de ruif,

Zoolang men echter geen purpere druif,

Van een wilgenboom kan lezen,

Zullen er _wilde_ duiven en _wilde_ menschen wezen,

Hetgeen thans in een groote stad op een kermisnacht kan worden

bewezen.

Onder de duiven die werden beroemd,

Kan in de eerste plaats die van de groote watervloed worden genoemd,

Zij was de bodinne des vredes, die met een olijftak wou komen,

Doch voor de derde maal los, heeft men niets meer van haar vernomen,

Geen wonder, want zij kon nu weer 't nestje bouwen in een van de

boomen,

Uit wat twijgjes, die zij van den droogen grond had opgenomen.

Het duifje van Anacreon,

Was een lief diertje, dat goed babbelen kon,

Ook was dit bij de pinken,

Om een dansje te maken en wijn te drinken,

Bovendien had de dichter van dit beestje veel pleizier,

Want het bezorgde hem de brieven en 's nachts bewaakte het zijn

lier.

No. 3 waarover we nu spreken,

Was Mahomed's duif, die hem hielp in 't preeken,

Om geloof te krijgen bij zijne leeken;--

Bij zijne theologische verklaring,

Gaf toch, volgens zijn zeggen, de duif aan hem eene bijzondere

openbaring,

Wel vloog het diertje naar hem toe, als hij hield een speech,

Maar van een revelatie bestond natuurlijk niets,

De duif was geleerd, uit zijn oor te pikken wat duivenboonen of

graan,

En de beste plaats hiervoor was op een van zijn schouders te staan,

Op zijn neus immers zou 't moeijelijk gaan;

Kortom de gemeente keek de vertooning met groote oogen aan,

Geloofde en was door 't mirakel voldaan,

Ja, scheen zelfs buitengewoon te zijn gesticht,

Hetgeen men zien kon aan ieders gezigt;

Een duif rekent het echter tot pligt,

Zooals men uit de Natuurlijke geschiedenis kan leeren,

Om tegen het Mahomedaansche huwelijks-begrip te protesteeren,

Daarom neemt een duif slechts eene levensgezellin tot vrouw,

En als er sprake is van reine liefde en huwelijkstrouw,

Dan schijnt men daarvoor 't beeld van een paar duifjes te behoeven,

Die in een schaduwrijke linde te zamen vertoeven,

En te midden van rozengeur en maneschijn,

Uitermate zeer gelukkig zijn,

Enfin,

Het kan gebeuren,

Dat menschen na die geur en na dat licht treuren,

Doch een duif heeft men nog nooit een tijger zien verscheuren,

Ook neemt men aan dat haar gemoed van zachtheid _vol_ is,

Hetgeen reeds Horatius uitdrukte door 't woord _mollis_.

No. 4 was iemand,

Bijzonder galant,

Die een deftige vergadering hielp uit den brand,

Toen er geen olie was bij de hand,

Waarmeê mijnheer Clovis moest worden ingewreven,

Of gezalfd, dat is om 't even,

Die duif nu kwam met een fleschje aanzweven,

En ze verwierf zich niet weinig glorie,

Als men bemerkte, dat dit gevuld was met de gewenschte olie,

Dit is een historie,

Die mystieken niet ligt verliezen uit hun memorie,

Maar waarover rationalisten,

Niet ligt te zamen zullen twisten.

Duif no. 5,

Houdt in den sterrenhemel haar verblijf,

Zij vond,

Haar geboortegrond,

Nabij een haas en een hond,

Doch er moesten eeuwen verloopen,

Voor Mr. Roijer haar heeft willen doopen.

Uit de Natuurlijke geschiedenis kan ons blijken,

Dat er duiven zijn, die op menschen gelijken,

't Is b. v. de kropper, waarbij men een overeenkomst vindt,

Van een persoon, die opgeblazen is door wind,

Raadsheeren zijn die deftige aristocraten,

Die zich, met al wat liberaal is, niet inlaten,

En alle vooruitgang haten;

Paauwstaarten zijn aan die dames gelijk,

Die hun japonnen niet laten sleepen door 't slijk,

En het tortelduifje in de kooi,

Geeft ons een mooi,

Allooi,

Van een babbelend wijfje, dat dra prikkelbaar is en boos,

Als men zegt, Je duif helpt niets tegen je roos.

Ten slotte:

Hoogvliegers en tuimelaars zijn er altijd geweest,

Zooals men uit de geschiedenis van Icarus leest.

Een acht en twintigtal voorwerpen uit de natuurlijke geschiedenis, geschikt voor rederijkers- & nutsvoordrachten, in den trant van de gedichten van den schoolmeester, met een aanbevelend woord van wijlen Mr. J. Van Lennep · 第 14 / 34 题