(_Sturnus vulgaris_).
De spreeuw, sturnus vulgaris,
Is een wezen dat van zessen klaar is,
Om kersen te stelen,
En brutaal, zooals de keerder U wil mededeelen,
Want, zegt hij, te vuur en te zwaard,
Moet men blijven #_gepsen_ en _boksen_# in den boomgaard,
Kan men de schoenen maar aantrekken en loopen als een paard,
Wil men niet rekenen buiten den waard.--
Volgens Buffon,
Is daarom kersendief zijn epitheton,
Toen hij als embryon,
Nog niets zien kon,
Van het licht der zon,
En een blaauw-groene schaal hem insloot,
Werd hij allengskens groot,
Door de koesterende warmte, die hij van zijn moeder genoot,
Nabij een dakpan of goot,
Doch toen 't hulsel hem geen ruimte meer genoeg aanbood,
En zoodanig een leventje hem verdroot,
Gaf hij met zijn snavel of poot
Een stoot.......
De wand brak en naar behooren,
Werd daarop een nuchter spreeuwenkind geboren,
Ik geloof echter dat niemand van u,
Bij de beschouwing van zoodanig individu,
Zeggen zal, wat een pracht zie ik nu,
Geen harmonie toch van vorm en deelen,
Zullen in dit geval uw schoonheidsgevoel kunnen streelen,
Zoo'n spreeuwenkind,
Is een dag of wat blind,
En zonder bewijs van veêr,
Dikbuikig en teêr,
Hangen de magere beentjes bij hem neêr,
En de ouders zijn druk in de weer,
Om de kleuters, (want er zijn er meer,)
Daags menigkeer,
Volgens de gezondheidsleer,
Het noodige voedsel te geven, en wel zonder morren,
Te weten: piertjes, muggenschenkels, of lendenstukken van vliegen
en torren,
De kleine groeit met het uur,
En moederspreeuw behoeft niet te klagen bij een buur,
Mijn kindje heeft 't koperzuur,
Noch daauwworm en stuipjes vindt men bij de jonge spreeuwen,
En wat het mooiste is, ze slapen 's nachts goed door zonder te
schreeuwen;
Kortom,
De beentjes groeijen niet krom,
De kinderdagen zijn bij een spreeuw snel om,
En is hij volwassen,
Dan heeft hij alle eigenschappen, die aan een spreeuw passen;--
Zijn gefluit of gekweel,
Niet sentimenteel,
Geschiedt met een ferme borst en keel,
Gedost in zwart-paars-goud-groen fluweel,
En behalve zijn muziek, die ons kan amuseren,
Boeit ons zijn gave van te gesticuleren,
En het declameren,
Waaruit men nog wel iets kan leeren;
Immers als hij bezig is met dat werk,
Daar buiten op een kerk,
Is het als of hij ons toeroept, als hij op die hoogte staat,
Weest altijd een Jan cordaat,
Verruimt uw gezigtskring, zorgt dat ge de dingen niet beperkt
gadeslaat,
Dompelt u in een luchtbad, wascht uw longen, 't is voor het leven
probaat,
Zoo'n taal,
Is waarlijk liberaal,
Ook wordt er bewezen,
Dat binnen de muren dikwerf een andere les wordt voorgelezen.--
De spreeuw geeft ons een aardige blijk,
Dat hij ervaren is in de jagtpraktijk,
Want om zich niet veel te vermoeijen,
Houdt hij er speurhonden op na, beter bekend onder den naam van
koeijen,
Die drijven in de wei de wormpjes naar hem toe,
En daarom heeft een spreeuw groot respect voor een koe,
Geen wonder dat de oude luitjes er op staan,
Dat hun kinderen gaauw mede op de jagtpartij gaan,
Wel kijken in 't begin de jeugdige jagers 't groote beest scrupuleus
aan,
Doch pa en moe,
Zeggen ieder op hun beurt, »Je ziet maar toe,«
»Hoe of ik het doe,«
»Niets zal je hinderen,«
»Me lieve kinderen,«
»Komt hier,«
»Geneert je geen zier,«
»Daar ligt een pier,«
»Naast dat boterbloemken, bij die grasspier,«
En met een zwier,
Loopen ze nu dra onder de 4 maagen langs de pooten henen,
Zonder dat ze getrapt worden op hun teenen,
Krijgen wat ze meenen,
En op die jagt,
Worden er dan veel creatuurtjes om zeep gebragt.
Het torenhaantje is hem lief,
_Daar_ heeft hij een schoon vogelperspectief,
_Daar_ op dat haantje, dat zoo mooi kan blinken,
Houdt hij een concert met zijn makkers als de zon gaat zinken;
Want vrolijk is de spreeuw,
Hij stoort zich niet aan Aprilsche sneeuw,
Zijn hoopvol gemoed profiteert van de daken,
Dat de boomgaard zich dra kleeden zal in een ander wit laken,
Dan zullen de kinderen zich met meizoetjes en pinksterbloemen
vermaken,
In het zonnetje zal de herstellende op de been geraken,
En den blos van gezondheid weêr terugkrijgen op de kaken;
De meidoorn zal bloeijen,
Gras zal er groeijen,
De lammekens zullen stoeijen;
En ossen en koeijen,
Ontslagen van hunne boeijen,
Zal men niet meer in den stal hooren loeijen;
Weg dan met kagchels die broeijen, gloeijen,
En soms broeken verschroeijen!
Is dit nu zoo,
Dan is de spreeuw een andere Don Antonio Magino.
Zooals de natuurlijke geschiedenis ons verder vermeldt,
Is er onder zijn geslacht nog wel ééns een dappere held;
Immers volgens Martinet,
Heeft een spreeuw zich ééns ferm tegen een kat verzet;
't Was te Buiksloot,
Waar de kat in den strijd vlood,
Doch de spreeuw was door zijn wonden dra dood,
En nu mogen de spreeuwen,
Hem beschouwen als Reinier Claassens onder de waterleeuwen.
Ten slotte: 't Wijfje en mannetje verschillen veel,
Bij het eerste is de bek graauw, bij het laatste geel.