(_Fringilla coelebs_).
Een vink, naar zijn aard,
Begint gewoonlijk te slaan in Maart,
Liefst in een boomgaard,
Of in iepen en linden,
Die men bij een boeren hofsteê kan vinden;
Soms slaat hij in Januarij voluit,
Doch dan is hij blind, zit in een kooi en kwam uit de muit.
Een goede vink,
Slaat gewoonlijk flink,
Want men vindt ook breekebeenen,
Om de eenvoudige reden, dat de natuur verschillende gaven wil
verleenen.
Enfin men hoort gaarne hem,
Die bekend is door den slag van #_hollereselem_# in #_didelem_#,
Doch de Heeren #_Tjiplem_# en #_Jaglem_# zijn niet erg gezocht,
En de vogelaars noemen soortgelijke vinken maar bogt.
Een vink bouwt een aardige woning,
Waarin hij meer schik heeft dan in 't paleis van een koning,
Het huisje dat beschut is tegen wind en regen,
Wordt door een dos van bladeren omringd allerwegen
En de frissche buitenlucht stroomt de bewoners tegen,
De vinken kennen de ongemakken van een menschenhuis niet,
En ze hebben dan ook nimmer van rookwalm, muizen of muggen verdriet,
Ze behoeven in dat hooge prieel daar buiten,
Geen vensters te grendelen, noch deuren te sluiten,
Ze hooren als ze willen de vogelkens fluiten;
En 's morgens vroeg als ze de oogen opendoen,
Straalt het licht hun tegen door een geurig groen;
Voegt men hier nog bij dat een vinkenpaar,
Met zuivere liefde trad voor het echtaltaar
En dat beide veel houden van elkaâr,
Geen menschelijke zorgen hebben te torschen,
In één woord, de boeren maar laten dorschen,
Dan heeft dit allen schijn,
Dat hier voor beiden een leventje zou zijn,
Van rozengeur en maneschijn,
Zoo denkt welligt een jeugdig maagdelijn,
Misgedacht! Mijnheer vink heeft dikwijls chagrijn,
Cupido stortte in zijn hart een doodend venijn,
Sinjeur vink toch is iemand,
Die dikwerf krijgt 't land,
Door jaloersheid, die hem overmant,
Die dan op 't punt van verstand,
Een groote nul is, een niemand.
In zoo groote mate is hij daarmeê vervuld,
Dat hij geen buurman vink in zijn nabijheid duldt,
Krijgt hij toch een collega in het oog,
Dan vliegt hij naar hem toe als een pijl uit een boog,
Is woedend van nijd,
Bijt, schopt en slaat in den strijd,
Totdat één der vinkridders in het stof bijt,
Of de plaat poetst, na verloop van tijd;
Een blaauw oog, is voor een vink maar een kleinigheid,
Wat erger is, zooals de vogelaar zeit,
Hij raakt door zijn jaloersheid,
Menigmaal zijn persoonlijke vrijheid kwijt,
Als hij door partijvink, pop en lijmgarden om den tuin wordt geleid.
Verder weet de natuurlijke geschiedenis u te verhalen,
Dat al moet mijnheer vink in een kooi het gelag betalen,
Het weeuwtje over zijn gemis niet lang zal malen,
Zij toont weinig smart,
En beoefent de spreuk, »_uit het oog, uit het hart_,«
Ze geeft daarom nooit een blaauwe scheen,
En zegt bij een nieuw bezoek niet, _ga heen_,
En alle vinkenweeuwtjes hebben dit met elkander gemeen,
Dat ze dra trouwen, en denken wat is één vink toch alleen.
Blinde vinken
Kunnen in een kooi goed eten vinden en drinken
't Zij 's morgens of in een avonduur,
Trouwens de gewoonte is de tweede natuur.
Het volk spreekt nog van andere vinken,
Doch dat zijn zespooters met twee sprieten die bloed drinken.