Simon had na het eerste samentreffen de lans, in de mêlée onbruikbaar,
weggeworpen en stootte, achter het schild gedekt, met zijn kort zwaard
op de fraaie harnassen der Onsterfelijken, die hij als in een nevel
zag. Het wilde geschreeuw aan beide zijden had zijn hoogtepunt bereikt;
men hoorde zich zelf en zijn nevenmannen niet meer en bespeurde
alleen aan de wijd geopende monden dat ieder zijn deel bijbracht
in de ontzaglijke uitbarsting, die het luchtruim deed trillen. De
wederstand, door den rechtervleugel bij zijn aanval ontmoet, was zeer
gering; het was het groote aantal vijanden, niet hun tegenweer, dat
zijn voortdringen bemoeilijkte. De ontzettende schok, waarmede het
kleine maar stevige en massieve Helleensche leger in het omvangrijke
doch vooze en weeke lichaam van het Perzische heir was gedrongen,
had het laatste aan de beide vleugels al dadelijk doen terugwijken;
de achterhoede, uit de minst weerbare bestanddeelen saamgesteld,
had zich terstond gewend en den weg naar de schepen gekozen, die
bij den aanvang van den strijd zoo dicht mogelijk het strand waren
genaderd. Maar de Onsterfelijken hielden stand, allen mannen uit
adellijke Perzische huizen, de eenigen uit het gansche leger, die uit
een hooger beginsel dan werktuigelijke en gedwongen plichtsvervulling
ten strijde trokken. Hunne bewapening was evenwel tegen de zware
Atheensche lang niet opgewassen, terwijl het ongewone van den strijd te
voet hen weinig gevaarlijk maakte. Zoo drongen de Atheners voorwaarts,
met beleid vechtend, kalm en bezonnen ook na de razende vaart van zoo
even. Gelijk straks ging Simon thans geheel op in hetgeen hem voor het
oogenblik bezig hield en dacht hij aan niets anders; hij was Athene,
de barbaren neerstootend, die het gewaagd hadden den gewijden bodem
van Attika te betreden, het alleen betreurend dat er zooveel waren,
niet uit gebrek aan moed maar uit vrees dat het onmogelijk zou
zijn die dichte zwermen te verstrooien. Men vocht door elkander;
tusschen de Onsterfelijken mengden zich wilde, demonische gestalten
met fladderende haren en wuivende pluimen, knotsen en bijlen voerend,
half naakt en zonderling beschilderd, met grijnzende geluiden en
dansende bewegingen. Doch telkens als de aandrang der vijanden
te groot werd en er steeds weer nieuwe opdoemden in ontmoedigende
hoeveelheid, bespeurde Simon in zijne nabijheid den geheimzinnigen
man, op een Attischen boer gelijkend, met zijn vreemdsoortig wapen in
het rond slaand, verpletterend wie onder zijn bereik kwam. Al zijn
bewegingen, hoezeer schijnbaar eenvoudig, waren bovenmenschelijk;
de vijand stortte neer nog eer zijn slagen troffen; een heele leegte
ontstond rondom hem en hij sloeg maar altijd door.
Zoo ging het voort, een lange poos. Doch terwijl Simon straks onder
het stormloopen de gedachte aan zijn wissen dood met zich voerde,
al kon die gedachte hem ook niet doen versagen, zoo was die thans in
de hitte van den strijd en ofschoon de dood hem elk oogenblik voor
oogen zweefde, geheel verdrongen. Een buitengewone kalmte beving hem,
zonderling afstekend bij het dolle gewoel dat hem omringde en waar hij
zijn deel toe aanbracht. En aldus geschiedde het dat hij al vechtende
niet bespeurde hoe er eigenlijk geen vijanden meer te bevechten waren
en de geheele Perzische linkervleugel in wilde vlucht naar het strand
vlood, naar de schepen.
Simon en de zijnen waren aangevangen den vijand achterna te zetten
toen een snerpend trompetgeschal zich deed hooren, het sein gevend:
rechtsomkeert en in stormpas. De beide vleugels van het Helleensche
leger waren overwinnaar gebleven, doch het zwakke centrum was op de
Perzische geregelde troepen en de Sakische boogschutters gestuit,
uiteengeslagen en vervolgd. Miltiades, die gedurende het geheele
gevecht de leiding volkomen in zijne hand bleef houden, had daarop
aan de zegevierende vleugels het sein doen geven hun makkers ter hulp
te komen. En weder ving de wilde loop aan om het lot van Athene,
over de lijken der verslagenen en de lichamen der stervenden,
meest allen Perzen, slechts een enkele Athener hier en daar. Simon
verbaasde zich, op zijn schreden terugkeerend, dat een zoo breede
strook gronds met gevallenen bedekt was; hij had in het vuur van den
strijd niet bespeurd dat de vijand een heel eind was teruggedrongen
alvorens op de vlucht te slaan. Op zijn weg ontmoette Simon een
paard dat, door een lansstoot in den buik gewond, stervend neder lag;
het bewoog zich niet meer; alleen van tijd tot tijd lichtte het den
kop met de troebele oogen op en stootte een klagelijk, kort gehinnik
uit. Den ruiter, ter helfte door het dier bedekt, had het leven geheel
verlaten; het was Hippias, die reeds in den aanvang van het gevecht,
door de ouderen onder de Atheners herkend en tot doelwit gekozen,
den dood had gevonden. En Simon, in zijn snellen loop, voor zich,
heel in de verte, de schubbenpantsers van het vervolgende Perzische
voetvolk ziende, trad zonder hem te kennen den doode op de borst
en wipte met gespierden tred over het lijk van den man, die met de
barbaren uit Azië gekomen was om Athene te bedwingen.
Het vervolgde centrum, hulp ziende naderen, had stand gehouden en
de Perzen zagen zich van twee zijden in het nauw gebracht. Wederom
dekte Simon zich met het schild en stootte toe. Het vechten hield
hem veel minder uitsluitend bezig dan in den aanvang; hij was er nu
aan gewend en merkte dingen op, die hem straks niet zouden getroffen
hebben. Een heel eind van zich af zag hij een groep ruiters, Datis
en zijn staf; hij meende dat de Perzische bevelhebber beter had
kunnen doen dan, door eene gedeeltelijke overwinning meegesleept,
zijn vluchtende hoofdmacht in den steek te laten. Doch het was Simon
onmogelijk zijn gastheer van den vorigen dag te bereiken; de mêlée
was te dicht. Het krijgsgeschreeuw had aan beide zijden opgehouden;
men vocht in hartstochtelijk zwijgen, de tanden op elkaar, geen
kwartier gevend. Simon zag zich onverwachts in het gezelschap van
Plataiërs, kenbaar aan de letter p op het schild en het verheugde
hem dat die mannen uit Boiotië, welke hij, de Athener, altijd voor
wat log en plomp had aangezien, zoo uitstekend vochten. De strijd
duurde overigens slechts korten tijd en ten tweeden male werd de
vijand op de vlucht geslagen, in noordoostelijke richting zich naar
de zee spoedend, door den overwinnaar nagezet in de hoop hem van de
reddende schepen af te snijden en geheel te vernietigen.
De Hellenen waren den Perzen zóó na op de hielen dat de eerste
vervolgers tusschen de laatste vervolgden liepen en zonder genade
rechts en links om zich hieuwen. Maar plotseling stonden de Perzen
stil; de Hellenen, meegesleept door hun vaart, drongen hen van
achteren op en werden door den terugdeinzenden vijand tegengehouden
met wanhopige inspanning. Men had, loopend, de lage moerassen in
den noordoosthoek der vlakte bereikt; de Perzen hadden de voorsten
hunner in het bedriegelijke, lange gras dat er uit verrees voorover
zien plompen en wilden terug, met verwrongen gelaatstrekken en wijd
starende oogen, voor zich het slijkige water, achter zich de Atheensche
zwaarden. En bemerkend dat slechts tusschen deze twee te kiezen was,
hief die ellendige troep een droef gejammer en gehuil aan, vol weemoed
over den zekeren dood, zoo ver van het vaderland en zoo smadelijk
ondergaan. Doch de Atheners drongen op, met het zwaard prikkend wie
niet vooruit wilde, bloeddorstig en wreed geworden in den loop van
het gevecht, hen niet meer afmakend maar langzaam vooruitstuwend en
in het moeras drijvend waar ze in neerplompten als groote aardkluiten
van een brokkelenden dijk. Toen was het dat Simon aanschouwde wat
Kynaigeiros hem had medegedeeld, de Perzische bevelhebbers, die
met korte zweepen hun onderhoorigen weder op den vijand in wilden
jagen, in razenden doodsstrijd zwiepend tusschen die menschenmassa,
doch door hun eigen mannen neergestooten en vertrapt met verwarde
mengeling van ledematen en lichamen, saamgekneed en gestrengeld.
Weder ging het in dezelfde woeste vaart achter de terzijde wijkende
vluchtelingen aan, strandwaarts. Op eens bevond Simon zich naast
Aischylos die oorspronkelijk tot den linkervleugel behoorde. Hij
verhaalde den dichter hetgeen hij gezien had van den vreemden Attischen
boer, die gedurende het laatste gedeelte van den aanval en het begin
van het gevecht zich aan zijne zijde bevonden had. En ziet! hij
vernam dat diezelfde geheimzinnige man in diezelfde oogenblikken aan
Aischylos' zijde gestaan had en dat er niemand in het Helleensche
leger was of hij had hem naast zich zien loopen en vechten, heele
rijen Perzen neervellend met zijn eenvoudig wapen. Maar Aischylos,
de dichter, vertrouwd met de vele dingen op aarde en in den hemel,
voor gewone stervelingen ondoorgrondelijk, had den man herkend; het
was Echetos, de oude Attische heros uit het grijze verleden van sagen
en mythen, die met zijn landgenooten had meegevochten om den gehaten
indringer te verslaan.
Het strand was bereikt. Het grootste gedeelte der Perzische vloot,
met den voorsteven naar de kust gekeerd, lag ter opneming van het
vluchtende leger gereed. Bij honderden, reeds een heelen tijd,
waadden de vluchtelingen er heen en klommen tegen de schepen op,
langs touwen, riemen, koordladders, bruggen, toegestoken lansen,
latten en haken. Het leek een vischvangst van menschen, van boord
af gevangen en binnengehaald; reusachtige scholen, wier leden zich
gewillig lieten grijpen en jammerden wanneer de visschers hen niet
spoedig genoeg inpalmden. De groote, donkere galeien lagen rustig op
het water, waardig en onverstoorbaar te midden van al die kleine,
wriemelende wezens, ze goedaardig in haar buik opnemend tot zij er
gansch en al mede gevuld waren en niets meer verdragen konden. Dan
gingen zij de zee in, achteruit geroeid, zonder den steven te wenden,
in gejaagde en zenuwachtige haast.
Maar nu zag men Hellenen en Perzen gelijktijdig de schepen naderen. En
toen vertoonde zich het weerzinwekkend schouwspel van slechts op eigen
behoud bedachten; vluchtenden, die over de lichamen hunner voormannen
het schip trachtten te beklimmen, voortgeprikt door de Helleensche
zwaarden, de hersenpan hunner krijgsmakkers vertredend, zelf weer
vertreden door anderen, opgejaagd in nog angstiger benauwdheid. Simon,
die Aischylos weder uit het oog verloren had, zag thans diens broeder,
den reusachtigen Kynaigeiros, naast zich; zijn zwaard was gebroken
en hij hield een Perzische kromme sabel, op het slagveld geraapt,
in de vuist. Zoo drongen ze voort, met een klein hoopje twee-,
driehonderd Perzen voor zich uit jagend tegen het schip op en de
achtersten neerstootend in het water, onder ijselijk gegil en gekerm.
Dus waren alle schepen het middelpunt van een verwoed gevecht. Daar
zag men uit een der verder gelegen vaartuigen een rookwolk opstijgen,
neerslaan, zich terzij uitbreiden en plotseling vervangen worden door
een rosse vlam. En den brand ziende, voelden Simon en Kynaigeiros zich
bevangen door een razend verlangen: al die schepen in lichterlaaie te
zetten en in asch te doen verdwijnen. Dàt zou een waardige bekroning
wezen van zoo grootsch een dag! Toen, naijverig op hunne makkers,
niet wetend op welke wijze dat verlangen uit te voeren bij gebrek
aan middelen, brulden zij met heesche kelen boven het jammeren der
Perzen uit: «Vuur! bij Poseidon! vuur! schaft vuur!» Bij elk der
andere schepen was dezelfde gedachte ontstaan en rond alle donderde
het: «Vuur! bij Poseidon! geeft ons vuur!» terwijl steeds de tegen
de zijden hangende en klimmende Perzen werden opgeheschen in de
buiken der galeien, die ze onverstoorbaar opnamen als dikke, logge,
goedige wezens.
De laatste Perzen, die het schip beklommen, waren in veiligheid
gebracht en, dol van strijdlust, de grens tusschen het mogelijke en
het onmogelijke niet meer aannemend, maakten de overwinnaars zich
gereed het vaartuig aan boord te klampen en met de geheele bemanning
te vermeesteren. Van uit het water dat hun tot aan de borst reikte,
grepen zij, terwijl de riemen reeds in beweging werden gebracht,
alles aan wat zoo even tot berging der Perzen gediend had en heschen
en trokken en wrongen zich naar boven, de voeten schrap zettend
tegen de planken, zwaaiend en zwierend aan touwen en reepen. Doch
over de verschansing van het schip weerde zich de bemanning, met
pieken naar beneden stootend, met bijlen ontvangend wie zich omhoog
had gewerkt. Het eerst zag Simon den reusachtigen Kynaigeiros met
het schild aan den arm en de kromme sabel tusschen de tanden de
verschansing grijpen, doch op hetzelfde oogenblik met afgehouwen
rechterhand nederstorten. Zelf, iets lager, aan een touw hangend,
week hij terzijde om het vallende lichaam te ontgaan en wrikte zich met
geweldige inspanning een eind hooger, toen een slag met een strijdkolf
hem den helm in tweeën spleet en zielloos in het water wierp.