De beslissing van den krijgsraad, gedurende den afgeloopen nacht
in Miltiades' hut gehouden, was lang onzeker gebleven. Hijzelf had
in krachtige bewoordingen de wenschelijkheid betoogd om na eenige
uren rust te attaqueeren. Nooit, had hij opgemerkt, kon het oogenblik
gunstiger zijn. De inscheping der paarden van het vijandelijk leger zou
waarschijnlijk bij het aanbreken van den dag zijn afgeloopen zoodat
men, alsdan aanvallend, de gevreesde ruiterij der Perzen niet zou te
bevechten hebben, terwijl, liet men hun de gelegenheid op een andere
plaats in Attika te landen, alles weder van meet af aan zou moeten
beginnen, men bezwaarlijk eene zoo geduchte stelling als thans tot
dekking der hoofdstad zou kunnen innemen en den daar achtergebleven
vrienden van Hippias slechts te langer tijd zou zijn gelaten om zich
met hem in verbinding te stellen.
Vier der negen andere strategen hadden zijn gevoelen omhelsd. Maar
de vijf overige waren er met nadruk tegen op gekomen. Zij hadden
betoogd hoe de overmacht van het Perzische leger ook zonder ruiterij
nog altijd verpletterend moest geacht worden; hoe een ondoordachte en
ongelukkige aanval Athene reddeloos in 's vijands handen zou spelen;
hoe men daarentegen wanneer men de komst der Spartanen afwachtte
een krijgsmacht zou vormen, in staat op elk punt van Attika den
weg naar de hoofdstad met goed gevolg ook aan een oppermachtigen
vijand te betwisten. En wat het gevaar binnen Athene zelf betrof,
waren zij van oordeel dat de partijgenooten van Peisistratos' zoon
door de welgezinden aldaar behoorlijk in bedwang gehouden en tot
werkeloosheid gedoemd zouden kunnen worden.
Beide gevoelens hadden derhalve onder de strategen evenveel
voorstanders geteld. Maar Kallimachos, de polemarch, aarzelde
nog. Gedurende de rede van Miltiades had hij goedkeurend met het hoofd
geknikt, zoodat deze niet twijfelde of hij zou onvoorwaardelijken
steun bij hem vinden. Doch toen eene tegenovergestelde opvatting werd
verdedigd, had zich dat hoofd met dezelfde overtuiging in gelijke
richting als zoo even bewogen en toen het op stemmen aankwam, zocht
hij uitvluchten en vroeg verdaging. Daarin echter wilde Miltiades niet
treden; hij had genoeg gezien om overtuigd te wezen dat Kallimachos
een zwak man was, gemakkelijk over te halen door een ieder, die den
juisten weg wist te kiezen. En met de handigheid van een voormalig
vorst, welke onbeduidende personen, wier hulp hij voor het oogenblik
niet kan ontberen, in den waan weet te brengen, dat zij mannen van
gewicht en beteekenis zijn, had hij den polemarch op de volgende
wijze toegesproken: «Gij moet thans beslissen, Kallimachos, of ge den
Atheenschen staat tot slavernij wilt zien gebracht dan wel van haar
belagers bevrijden en uwe eigen nagedachtenis met een glorie bedekken,
waarbij die van Harmodios en Aristogeiton niet halen kan. Nooit toch,
sedert men den naam van Athene kent, is het aan een zóó groot gevaar
blootgesteld geweest als thans. Zegepralen de Perzen dan beseft
ge wat lot de stad, aan Hippias overgeleverd, te wachten staat;
overwint daarentegen Athene dan is de dag niet ver waarop het den
hoogsten rang zal innemen onder de staten van Hellas. Beslis dus.»
Kallimachos had zeer gewichtig gekeken, onder Miltiades' blik al
dadelijk gewonnen, toch den schijn aannemend alsof hij eerst na rijp
beraad en inwendigen strijd zich aan diens zijde schaarde. Ten slotte
had hij vóór den aanval gestemd, waartoe derhalve met zes tegen vijf
stemmen was besloten.
De tienduizend Atheners en duizend Plataiërs waren derhalve ten aanval
opgesteld tegen den middag van den 17den der maand Metageitnion,
na de plichtmatige offers aan de goden. Hun front was, teneinde
dat der Perzen te evenaren, zeer breed genomen, hetgeen met het
oog op de geringe sterkte niet dan ten koste der diepte had kunnen
geschieden, zoodat hun gelederen in het centrum, waar zich Aristeides
en Themistokles bevonden, slechts drie man diep waren. Men had dit
euvel zoo goed mogelijk trachten te verbeteren door achter de drie
rijen Atheners de slaven op te stellen. Het zwaartepunt van eene
Helleensche attaque werd trouwens in de beide vleugels gezocht,
vooral in den rechter, die dan ook uit louter Atheners bestond;
de Plataiërs hadden hunne plaats aan de tegenovergestelde zijde.
Aan den rechtervleugel stonden Simon en Pheidippides. De laatste
vertoonde geen enkel spoor van zijn vermoeienden tocht en zag er
als steeds keurig uit, in zijn fraai bewerkte en rijk versierde
uitrusting. Met zijn omslachtigen Korinthischen helm was hij bijzonder
ingenomen en hij toonde aan zijn buren in het gelid de voorstellingen
in verhooging daarop aangebracht, bovenal die aan de voorzijde, de
slachting der zonen van Niobe door Apollon voorstellend: Ismenos en
Sipylos reeds verstijfd ter aarde liggend, met een rustigen trek op
het gelaat, gevallen voor ze tijd hadden gehad tot ontzetting over
hetgeen plaats greep; Phaidimos en Tantalos, juist gereed tot den
worstelstrijd, door éénzelfden pijl van den god getroffen en met
pijnlijk gebaar neerploffend op den grond; Alphenor zoo even door
een schicht doorboord, krimpend van smart; Damasichthon en Ilioneus
pogende te vluchten, de eerste nog omziende naar het gruwelijk
tafereel, de tweede met afgewenden blik het ijzingwekkend schouwspel
ontvliedend. Simon noemde het metalen gevaarte met het zware vizier
meer fraai dan gemakkelijk in het gebruik, maar Pheidippides wilde
er niets van hooren en zette den helm op het hoofd, strijdlustig
en kranig.
Miltiades, in volle wapenrusting, met Pallas Athene op het schild
gedreven, bewoog zich langs het front, het leger toesprekend,
herinnerend aan de vaderen, die Hippias verjaagd hadden, er op wijzend
dat het eene eeuwige schande zou wezen indien de zonen dienzelfden
Hippias, door eene Perzische krijgsmacht teruggevoerd, weder in hun
midden opnamen. Evenals in den afgeloopen nacht zette hij uiteen
wat Athene zou te lijden hebben door de zegepraal van Hippias,
wiens laatste regeeringsjaren, na den dood zijns broeders, reeds
zoo nameloos drukkend waren geweest en die thans wederom den voet
op Hellas' bodem had gezet, het hart vol spijt en wrok. En het beeld
der stedenverwoestende godin, op zijn schild aangebracht, toonende,
legde hij er nadruk op dat deze blijkbaar de haren niet zou verlaten,
want zij had op onmiskenbare wijze in de verschijning der Dioskouren
het bewijs geleverd, dat Athene haar nog even lief en dierbaar was als
ooit. Men had hem aangehoord, zwijgend, ten einde niet aan den vijand
te verraden hetgeen ophanden was, en wat nog aan wantrouwen tegen den
voormaligen tiran mocht aanwezig zijn, verdween als men hem hoorde
spreken met zijn zwaar, indrukwekkend geluid, het mannelijk gelaat
door den grijzenden baard omlijst, gewoon te bevelen en gehoorzaamd
te worden, vol groot vertrouwen in den triomf der groote zaak.
Een zwaardslag, op een schild aangebracht, gaf het teeken. De
elfduizend grepen de lansen, tot nogtoe op den rechterschouder rustend
en, het wapen met beide handen voor zich uit houdend, traden zij in
stap over de rotsblokken en schanswerken, die het kamp verdedigden,
te voorschijn. Pheidippides, na zijn Spartaanschen tocht meenende dat
voor Helleensche beenen niets onmogelijk was, keurde het langzame
tempo ten zeerste af; ware hij met het commando belast dan zou het
gansche terrein tusschen de Atheners en den vijand in stormpas worden
doorloopen. En met onverholen spijt bespeurde hij de beweging,
die in de Perzische legerplaats ontstond ten bewijze dat men de
nadering der Atheners opgemerkt had en zich tot den strijd gereed
maakte. Simon verdedigde het plan van aanval; begon men nu reeds in
stormpas dan zouden er zeer weinigen, en nog wel in een treurigen
toestand, het doel bereiken; er bleef, het zou blijken, straks nog
genoeg te loopen over. Doch Pheidippides bleef afkeurend brommen,
achter het vizier van zijn zwaren Korinthischen helm.
In het Perzische kamp reed Datis, door zijn staf en Hippias vergezeld,
langs de gelederen. Met verbazing had hij de beweging der Atheners
bespeurd; niemand had het mogelijk gewaand dat het kleine leger
zijn sterke defensieve stelling zou durven verlaten en tot den
aanval overgaan. Daarop vertrouwend had hij in den afgeloopen nacht
en morgen de paarden der ruiterij doen inschepen ten einde, zooals
Simon ondersteld had, met het leger te volgen en op een ander punt van
Attika te landen. Des veldheers verbolgenheid nu hij zijn beste en bij
de Atheners ontbrekende macht miste, was groot; zijn slecht humeur,
door de gevolgen van een onvoldoend uitgeslapen roes nog vergroot,
zocht een uitweg en vond dien in den persoon van Hippias.
«Het brengt ons weinig geluk aan,» aldus sprak hij den pretendent toe,
«naar uwe woorden te luisteren. Gij, die de vlakte van Marathon zoo
goed kent en er vroeger met Peisistratos gekampeerd hebt, raaddet
ons aan vandaar op Athene los te rukken. Nu dit onmogelijk blijkt,
worden wij aangevallen op het oogenblik waarop eveneens op uw raad
de paarden, behalve die der bevelhebbers, verwijderd zijn. Het ware
beter geweest zoo wij bij de leiding van den veldtocht ons eigen
inzicht gevolgd hadden.»
Hippias, een grijzend man, half Perzisch, half Atheensch
gekleed, antwoordde niet. Het was waar, hij had ten onrechte de
landing bij Marathon als de meest geschikte wijze aangegeven om
Athene te bereiken. Maar de schuld lag niet aan hem doch aan de
Atheners. Achtenveertig jaren geleden, toen zijn vader, voor de tweede
keer verjaagd, uit Marathon op Athene was losgegaan, had het een
militaire wandeling geleken en was de stad zonder noemenswaardigen
tegenstand in Peisistratos' handen gevallen. Doch wat waren die
Atheners sedert veranderd! Toen had men eerst bij Pallene eene
zwakke, dra verijdelde poging gewaagd om het oprukkend leger tegen
te houden. En thans sloot men den weg naar de hoofdstad reeds bij
Marathon af en waagde het zelfs te attaqueeren! Hippias herinnerde
zich hoe hij reeds twintig jaren in den vreemde had doorgebracht en
besefte dat in weinig tijds veel zich wijzigen kan.
Evenwel het was niet zijne schuld dat men het besluit had genomen
het leger weder in te schepen. Naar zijne meening zou de weg naar
Athene met tiendubbele overmacht en daaronder een prachtige ruiterij
uitstekend geforceerd hebben kunnen worden. Datis zelf was het geweest,
die tot het vertrek besloten had, reeds na weinige dagen ongeduldig
geworden, er aan gewoon dat voor de ontzagwekkende Perzische macht
iedere vijand verstoof. Doch Hippias, hoezeer ouder dan het Perzische
legerhoofd, durfde deze onjuistheid niet in het licht stellen. Hij
verkeerde in den onaangenamen toestand van een verjaagd vorst,
door vreemde troepen in zijn vroeger gebied teruggebracht en die het
verstandigst doet wanneer hij aan de min heusche bejegeningen zijner
helpers zoo weinig mogelijk aandacht schenkt.
«Het kan niet anders,» zeide hij ontwijkend, «of de Atheners hebben
versterking ontvangen. Alleen zouden zij het niet wagen, wanneer zij
ten minste niet krankzinnig zijn geworden, hun kamp te verlaten.»
Datis zweeg. Hij had zich in de stijgbeugels opgericht en hield de hand
boven de oogen ten einde den nog steeds in stap naderenden vijand beter
te kunnen gadeslaan. En zijn geoefend oog zag weldra dat het Atheensche
leger niet sterker was dan voor eenige dagen. Dit stelde hem eenigszins
gerust en met vriendelijker stem dan zoo even voegde hij Hippias toe:
«Neen, het leger is niet versterkt.--Maar hoe nu?»
Een trompetsignaal had in de verte weerklonken en op hetzelfde
oogenblik zagen de Perzen hoe de geheele vijandelijke massa voorover
boog en een sneller beweging aannam, terwijl tegelijkertijd een wild
krijgsgeschreeuw uit elfduizend keelen zich verhief.
«Ge hebt gelijk, Hippias,» sprak Datis, «uwe landgenooten zijn door
waanzin getroffen. Welk leger dat zijn verstand bezit, attaqueert op
vijfduizend schreden in looppas, zonder boogschutters of ruiterij? Geen
duizend van die krankzinnigen bereiken ons en met hen zullen wij
spoedig afgerekend hebben.--Ariomardos!» aldus wendde hij zich tot
een zijner volgers, «rijd terstond naar Artaphernes en zeg hem dat
hij de Saken hunne bogen doe gereed houden om den vijand neer te
leggen zoodra hij binnen schot is.»
De stafofficier, een jonge Meder, met blonden knevel, zonder baard,
boog, bracht zijn paard in galop en reed langs het front ten einde
zich van zijne opdracht te kwijten. Hij droeg een tot over de knie
afhangend gewaad van goudbrokaat met korte mouwen, nauwsluitende
beenbekleeding van dezelfde stof, een sierlijken vergulden helm, gouden
armbanden om de polsen en lichtblauwe halve laarsjes. De belletjes
aan het lederwerk van zijn zwart paard rinkelden onder het rijden
en de roode pluimen waarmede de kop versierd was, golfden, door den
wind opgelicht. Zoo galoppeerde Ariomardos langs het Perzische front,
blinkend en glinsterend als een goudvlieg onder de stralen der zon.
Toen op vijfduizend schreden van den vijand Miltiades het
trompetsignaal tot den looppas deed geven, greep Simon zijn lans
vaster aan, deed als de anderen het «Eleleu!» en «Alala!» uit den
mond galmen en repte de beenen. Het terrein was nog hellend zoodat
de versnelde gang geen inspanning kostte. Integendeel, deze scheen
hem eene natuurlijker beweging, nu men op den vijand losging, dan
de tot nog toe gevolgde stap en hoewel later dan Pheidippides had
dat langzame tempo hem ongeduldig gemaakt. Thans echter werd hij
bevangen door een kalm, ontspannend gevoel; het scheen hem allengs
toe als bevond hij zich in normalen toestand, als had hij zijn gansche
leven niets anders gedaan, als zou hij voortaan niets anders doen dan
loopen zooals hij thans deed. Het bewustzijn van het doel, waarmede
hij liep, verdween; het loopen zelf hield hem geheel bezig. De dood
wachtte hem in het gevecht dat weldra aan zou vangen; hij wist het
doch het boezemde hem geen belang meer in; de handeling, die hij op het
oogenblik verrichtte, vervulde hem alleen en uitsluitend. Het «Alala!»
en «Eleleu!» weerklonk voortdurend, eene noodzakelijke begeleiding
van den snellen gang, een kreet, die vanzelf ontstaan was en zichzelf
telkens weder voortbracht. Simon zag steeds denzelfden man naast wien
hij het kamp verlaten had aan zijne rechterzijde en hij nam zich voor
het er op toe te leggen dat hij hem nog naast zich zou hebben als
men met den vijand handgemeen werd. En terwijl hij keek, bedacht hij
op eens hoe hij het hoofd een weinig rechts hield, zoodat hij alleen
hen in het oog had, die rechts van hem waren; hij zag rondom zich en
bespeurde dat allen het hoofd op dezelfde wijze droegen, een weinig
rechts, en hij moest glimlachen, denkend aan die elfduizend hoofden,
die alle naar denzelfden kant zagen. Plotseling week hij uit voor een
zwaar voorwerp dat op zijn weg lag; hij keek er even naar, herkende den
Korinthischen helm van Pheidippides en meende twee, drie rijen voor
zich het hoofd van Demetria's broeder te zien, ontbloot. Langzaam,
met moeite zich ontworstelend aan den greep van die ééne gedachte,
dat hij liep en loopen moest, bracht hij verband tusschen die
twee omstandigheden; hij begreep dat, zooals hij wel gedacht had,
Pheidippides den helm al heel spoedig te zwaar gevonden en weggeworpen
had. Nu was zijn hoofd onverdedigd; het was zijn eigen schuld.
Op tweeduizend schreden afstand gaf de trompet het signaal tot den
stormpas. Eene golving als wanneer de wind over een korenveld strijkt,
doorliep de gelederen en in verbijsterende vaart ging het voorwaarts
over het niet meer hellend terrein. Van dat oogenblik af ondervond
Simon weder eene andere gewaarwording; een onbedwingbaar verlangen om
den afstand die nog te doorloopen viel, afgelegd en den vijand bereikt
te hebben. Het scheen hem nu toe als ging hij steeds harder loopen,
hoewel hij reeds bij het hooren van het signaal eene vaart had genomen,
voor versnelling onvatbaar. De trompetten schetterden onafgebroken
en het krijgsgeschreeuw klonk nog geweldiger dan straks; het was niet
meer de eene man, die het aanhief zoodra de andere het geuit had; allen
deden het hooren tegelijkertijd en zonder ophouden. En het bewustzijn
van het doel waarmede hij liep, keerde bij Simon terug, grootscher en
verheffender; hij was niet meer een enkele Athener, een elfduizendste
deel van het leger; hij was Athene, op de barbarenzwermen losstormend
om ze weg te drijven van den heiligen bodem des vaderlands. Op hare
beurt greep deze gedachte hem even uitsluitend en geheel als straks die
andere, toen hij alleen wist dat hij liep, niet waarom hij liep. De
man aan zijne rechterzijde was naar achteren geraakt en de rijen
liepen door elkander; hij had thans naast zich den dadouchos Kallias,
priester der Eleusinische Demeter, die in volledig priesterlijk
kostuum aan den aanval deelnam. Maar hij bemerkte het niet; zijne
gedachten waren op één punt gericht dat ze niet konden verlaten.
Daar wendde hij met een schok het hoofd af; het kwam hem voor als
vloog een groote vogel hem snorrend voorbij. En hij zag, door dit feit
van den boei, die zijn geest omgaf, verlost, dat anderen hetzelfde
deden. Wederom kostte het hem inspanning om te bedenken waaruit dat
vreemde geluid ontstaan kon; het was hem nog niet duidelijk, toen
zijn voorman struikelde en viel. Bijna was hij over hem gestort;
de man zou zeker wel achter hem opstaan; als zij die volgden en den
val niet gezien hadden, hem maar niet vertrapten! Doch eenige passen
verder zag hij een anderen man liggen met een bebloeden chiton en hij
bemerkte onder het voorbijijlen dat die man een pijl in de keel had,
en in hetzelfde oogenblik scheen het hem weer als snorde een groote
vogel hem langs het oor.
Een gegons deed zich hooren in de verte, aanzettend en zwellend;
naarmate het rees, kwam het Simon voor als klonk het Helleensche
krijgsgeschreeuw zwakker. Allengs ging het gegons over in een donderend
geloei, den aether scheurend, de geluiden rondom hem overstemmend;
hij riep, voorwaarts gierend, steeds harder «Eleleu!» en «Alala!»,
toornig omdat de kreten der Hellenen, straks zoo indrukwekkend, hem
thans zoo gedempt in de ooren klonken. De pijlen zwierden over en
langs zijn hoofd; twee-, driemaal zag hij een nevenman storten. Een
korte pooze ging het zoo voort, het vreemde gekrijsch dat scheen te
naderen steeds machtiger, het krijgsgeschreeuw der zijnen steeds
zwakker, alleen de schetterende hoogste tonen der trompetten, die
onophoudelijk tetterden, nu en dan scherp hoorbaar.
Toen was het dat in Simons nabijheid iets plaats greep hetgeen zijne
aandacht, die in deze laatste oogenblikken door niets had kunnen
worden afgeleid, machtig boeide. Keer op keer waren gedurende het
laatste gedeelte van den stormloop zijn nevenmannen vervangen; Kallias
had reeds lang plaats gemaakt voor een ander en deze weer voor een
ander. Maar het was Simon onverschillig geweest; hij zag niet meer wie
naast hem liep, geheel in beslag genomen door de ontzettende spanning
nu Athenes bestaan op het spel stond. Doch even voordat de beide legers
op elkander stootten, zag hij iemand naast zich wiens aanblik voor een
korte poos alle andere gewaarwordingen verdreef. Het was een man, naar
uiterlijk en kleeding een Attische boer, zonder eigenlijke wapenen,
alleen met een ploegstaart in de hand. Hij was niet grooter dan Simon;
toch maakte hij den indruk van eene meer dan menschelijke gestalte te
bezitten. Simon week onwillekeurig terzijde voor dien vreemden man,
dien hij nooit gezien had, die zich zoo geheimzinnig in de Helleensche
gelederen mengde, en hij zag dat anderen eveneens terugweken. Maar
het was geen angst of schrik, die hem beving; het was dezelfde milde,
heilige ontroering, die hem had vervuld toen in den afgeloopen nacht
het tweelingpaar der Dioskouren aan zijn blik was verschenen.
Alles smolt in één oorverdoovende klankmassa samen en het Helleensche
leger sloeg bij den vijand in.