«Ik was op het punt den jankenden Pers het zwaard in de borst te
stooten, toen hij in tamelijk verstaanbare taal iets begon te verhalen
dat mijne aandacht trok. Datis, zeide hij, had, weinig vertrouwen in de
eerlijkheid der zijnen stellend, de oorlogskas op eene veilige plaats
doen begraven; eene plaats, die hem echter bekend was. En hij bood
aan mij die plaats te wijzen zoo ik hem slechts het leven wilde laten.»
«En wat hebt ge toen gedaan, Kallias?» vroeg Straton.
De priester der Eleusinische Demeter gaf ten antwoord:
«Ik beloofde alles wat hij verlangde. Doch toen ik den schat
aanschouwde--kisten vol gouden dareiken!--bekroop mij de vrees dat
de Pers, een onbetrouwbaar barbaar, het geheim wellicht aan anderen
zou verklappen alvorens ik tijd had gevonden den buit in veiligheid
te brengen. Ik dankte hem derhalve voor zijne aanwijzing en sneed
hem den strot af.»
Straton lachte goedkeurend en prees uitbundig Kallias' handelwijze. Het
was immers: doe den vriend zooveel goed, den vijand zooveel kwaad
als ge slechts kunt. Hij vervolgde:
«Gij zijt thans een rijk man, Kallias, en zult Pallas Athene wel een
waardig wijgeschenk brengen voor haar tempel op den burcht.»
«Heb daarvoor geen zorg. Nauwelijks te Athene teruggekeerd, heb ik
mij naar den beeldhouwer Rhoikos begeven en hem een Trojaansch paard
besteld om voor den tempel der godin opgesteld te worden, van het
fraaiste en kostbaarste marmer dat Paros oplevert. Hij vierde juist
de verloving zijner dochter Erinna: een feest dat uitgesteld was tot
over het lot van Athene zou beslist zijn.»
«Naar Parisch marmer behoeft ge niet lang te zoeken. Ge weet toch
dat de onzen een prachtig stuk hebben buit gemaakt, door de Perzen
medegevoerd om als tropee op het slagveld van Marathon te worden
opgericht.»
«Een Nemesis moge men er uit houwen; een Nemesis, de godin
der hemelsche gerechtigheid, die verwaten overmoed vernedert en
straft! Van Marathon zal de menschheid gewagen zoolang Zeus troont
op zijn hoogen zetel!»
Twee mannen, die een doode droegen, kwamen voorbij. En achter hen weer
twee, en weer, en weer, een heele rij lijkendragers. Reeds twee dagen
waren sedert den slag verloopen doch eerst thans werd tot het begraven
der gesneuvelden overgegaan. Na hunne nederlaag toch hadden de Perzen
getracht, kaap Sounion omzeilend, Athene te verrassen, overtuigd dat
tal van ingezetenen op hunne hand waren. Een afgesproken teeken--een
schild op een lans omhoog geheven--had hun zelfs de zekerheid verschaft
dat de stad slechts onvoldoende verdedigd was. Maar de overwinnaars
hadden zich met geforceerde marschen naar Athene teruggespoed en reeds
post gevat in het Kynosarges toen de schepen der barbaren tegenover
Phaleron verschenen. De coup de main was mislukt en de vloot naar Azië
teruggekeerd, met een verlies van vierenzestighonderd man en, meer dan
dat, van het prestige der Perzische wapenen, dat naar men gemeend had
reeds voldoende zou geweest zijn om Athene te doen sidderen. Eerst
nu alle gevaar geweken was, had men met de teraardbestelling der
gevallenen een aanvang gemaakt.
«Is het aantal der gesneuvelde Hellenen reeds bekend?» vroeg Kallias,
met Straton verder gaande over het slagveld.
«Honderdtweeënnegentig der onzen vonden den dood.»
«Wel hun, die de dood in zulk een oogenblik verrast! Weet ge reeds dat
rond de gemeenschappelijke tombe tien zuilen zullen opgericht worden,
één voor elke phyle, met de namen der gesneuvelden erin gegrift?»
«En den Plataiërs zal een afzonderlijk graf voor hunne dooden worden
gegund naast dat der Atheners. Zij alleen stonden Athene bij in de ure,
die de vrijheid van gansch Hellas bedreigde.»
Zij zwegen. In het schemerlicht van den avond zag men een groep
zwaargewapende mannen naderen, kransen op het hoofd en purperen mantels
om de leden, met strenge trekken en geschoren bovenlip, gevolgd door
lieden van onaanzienlijk uiterlijk, gekleed in schapehuiden, het hoofd
bedekt met een muts van hondevel, omvangrijke schilden torsend. Het
waren krijgslieden en heloten van het Spartaansche leger dat eindelijk
verschenen was, juist tijdig genoeg om de lijken der gesneuvelden te
zien begraven. Zij wenschten in korte bewoordingen den beiden Atheners
geluk met de behaalde overwinning, doch zonder innigheid, naijverig op
de natie, die zich zoo plotseling had doen kennen in ongehoorden glans.
«Hoe minder steun hoe grooter roem,» zeide Kallias toen zij zich
verwijderd hadden.
«Ik zou trouwens,» meende Straton, «niet gaarne in het gelid staan
naast die stugge, norsche mannen, die alle vreugde des levens en
bekoring der Muzen verachten. Liever bevond ik mij tegenover hen op het
slagveld, gelijk ik voor twee dagen tegenover het barbarenleger stond.»
«Dàt mogen de goden verhoeden! Wie der beide volken in een dergelijken
strijd mocht bezwijken, altijd zou het eene toepassing zijn van
de fabel des gewonden adelaars, die weende, bespeurend dat de
doodelijke pijl uit 's jagers hand prijkte met de vederen van het
eigen geslacht. Maar mocht die ure immer aanbreken, dan zullen de
onzen zich weten te herinneren dat zij de zonen zijn van hen, die
streden te Marathon.»
Thans waren zij aangekomen bij de tropee, ter eere der overwinning
op het slagveld aangebracht; eene wapenrusting aan een paal
gehangen. Wederom trad een lange rij dragers langs hen; de voorsten
voerden met zich een reusachtigen doode, die de rechterhand miste.
«Dat is Kynaigeiros, Aischylos broeder,» zeide Straton. «De dichter
zelf heeft den dood van nabij aanschouwd doch is met een zware wonde
vrijgekomen.»
«Kynaigeiros sneuvelde bij den aanval op de schepen, die ons de meeste
dooden kostte. Ook de polemarch Kallimachos en Simon, de zoon van
Panaitios, lieten er het leven.»
«Het graf der helden is het gansche heelal; ons rest slechts hen te
benijden. Het geluk berust op de vrijheid; de vrijheid op den moed;
gezegend de staat, welks burgers voor die vrijheid het leven willig
schenken!»
«En tot hen, die de gevallenen beweenen, tot ouders, weduwen en
kinderen zou ik wenschen te zeggen: bedenkt dat een schitterend
levenseind een onwaardeerbaar goed is en dat de schoonste herinnering
bestaat in de achting en liefde door gansch een volk aan uwe dooden
gewijd.»
Zoo spraken, op het slagveld van Marathon, Kallias, de priester der
Eleusinische Demeter en de jeugdige Straton, gerijpt en gestaald in
de groote en geweldige dagen, die waren voorbijgegaan.