Simon was gebracht naar het hoofdkwartier, de tent van Datis, een
Meder, die met den jongeren Artaphernes, zoon van den stadhouder te
Sardes, het opperbevel voerde. Hij had heel wat bekijks gehad op zijn
tocht door het kamp en zelf een uitstekend gedeeltelijk overzicht
van het Perzische leger ontvangen, al was het dan ook juist niet op
de door hem gewenschte wijze. Woeste horden was hij voorbijgegaan,
in schier primitieven natuurstaat, alleen met een lijfdoek om de
heupen of wel de eene helft van het lichaam met vermiljoen, het andere
met krijt geverfd, gewapend met vuursteenpuntige of slechts in het
vuur geharde lansen, het hoofd bedekt met een ongelooide paardehuid,
de ooren steil omhoog, de manen langs den rug fladderend. Perzische
keurtroepen met tulband, schubbenpantser, wapenrok met halve mouwen,
wijde, lange broek, korte werpspiets van kornoeljehout, dolk, boog
en koker benevens het omvangrijk, puntig uitloopend teenen schild dat
tijdens het gevecht rechtop in de aarde werd geplaatst ten einde den
schutter de gelegenheid te geven gedekt zijn pijlen af te schieten. En
daarnaast de tallooze meer of min beschaafde volksstammen van het
onmetelijke rijk, dat zich seder Kambyses over twee werelddeelen
uitstrekte: Egyptenaren met wit linnen kolders, draagbanden over
de schouders, armen en beenen half ontbloot, met houten knuppels,
van ijzeren knoppen voorzien, gewapend; Sarangers met wapenrokken in
schreeuwende kleuren en laarzen tot aan de knie; Ethiopiërs in leeuwen-
en panterhuiden gedost, gewapend met bogen van twee meter lengte;
Arabieren in wijde, tot op de voeten afhangende en om de heupen
gegorde japonnen, in deftige waardigheid naast hunne dromedarissen
gezeten. Hier en daar wapperde een banier met de Perzische kleuren,
blauw, rood en goud. En het trof Simon dat zich behalve de eigenlijke
krijgslieden zoo verbazend veel personen in het kamp bevonden, die naar
zijne opvatting van den oorlog beter tehuis gebleven waren: leger-
en trosknechten, veel meer dan noodig scheen; vrouwen en kinderen
en lichtekooien, van allerlei aard en slag. Het was een ontzettend
gewriemel van menschen, zonder tucht en eenheid, met geweldig veel
drukte en weinig orde; de bevelhebbers schreeuwend en vloekend, de
minderen onwillig en slecht gedrild; een reusachtige lappendeken van
honderden kleuren en tinten, door onbekwame hand in elkander gezet
en bij de minste krachtige aanraking vaneen scheurend. Maar wat het
meest Simons aandacht trok, was het groot aantal paarden dat hij
op zijn weg ontmoette. Hij zag er overal, bij troepjes van twintig,
vijftig, honderd, glanzig en rond door het rustige leven in de vette
Marathonsche weiden. En alle bewogen zich in dezelfde richting,
strandwaarts, waarom begreep hij niet.
Simon brak zich trouwens met de oplossing dezer vraag niet bijzonder
het hoofd, want hij was vast overtuigd dat zijn laatste uur geslagen
was en hij zijn avondmaal bij Hades zou nuttigen. De noodelooze
wreedheid der Perzen was bekend; de gruwelen, vroeger te Miletos,
thans te Naxos, Karystos en Eretria gepleegd, lieten daaromtrent
geen twijfel over. Hij betreurde het, dat zijn dood niet, zooals hij
gehoopt had, aan het vaderland ten zegen zou strekken en bereidde zich
voor te sterven gelijk het den Helleen tegenover den barbaar betaamde.
Zoo stond hij, nog steeds met het werpkoord om den hals, te midden
der Sagartiërs, bij wie zich een Perzisch hoofdman had gevoegd,
die hunne taal machtig was en als tolk bij Datis zou optreden. Daar
trad de opperbevelhebber binnen in gezelschap van een tweetal mindere
krijgshoofden, in een purperen onderkleed, bedekt door een oppergewaad
van scharlakenrood en wit, waarop met goud- en zilverdraad arenden
en valken waren gestikt. Zijn linkerhand rustte op de met turkooizen
en opalen versierde greep van het kromme zwaard. Beide mannen zagen
elkander strak in het gelaat en Simon kon niet ontkennen, dat de
Perzische krijger met zijn aristocratische, matte gelaatskleur
en blauwzwarten, goed onderhouden baard, in zijn schitterend
kostuum dat hij met waardigheid droeg, een hoogst gunstigen indruk
maakte. Datis hoorde het verslag der gevangenneming oplettend aan,
waarop de Sagartiërs, na Simon van den lazzo bevrijd te hebben,
met hun geleider verdwenen.
«Hoe is uw naam?» vroeg Datis na hun vertrek in tamelijk zuiver
Helleensch.
«Simon, zoon van Panaitios.»
«Gij komt uit het kamp der Atheners?»
«Ja.»
«En met welk doel?»
«Om het Perzische kamp te verkennen.»
«Ge waart niet bevreesd den dood te vinden op dien tocht?»
«De Hellenen vreezen den dood niet, die voor eene goede zaak wordt
ondergaan. Zulk een dood is geen onheil en slechts voor onheil behoort
men bevreesd te zijn.»
Het antwoord scheen Datis te bevallen; hij knikte goedkeurend en
vervolgde:
«De dood is derhalve naar het u toeschijnt niet steeds een onheil?»
«Hij kan integendeel de hoogste zaligheid wezen.»
«En hoe?»
Simon bedacht zich een oogenblik. Hij kwam tot het besluit, dat een
aanschouwelijk voorbeeld beter binnen den geestelijken gezichtskring
van een barbaar zou vallen, dan een omstandig betoog. En hij verhaalde
het gebeurde met Kleobis en Biton, de beide jonge mannen uit Argos,
die, toen hunne moeder als priesteres van Hera een godsdienstig
feest in het heiligdom der godin wenschte bij te wonen en de ossen,
die haar wagen zouden trekken, niet verschenen, zichzelf daarvoor
spanden en de oude vrouw naar den anderhalf uur ver gelegen tempel
voerden. Het verzamelde volk had in luide bewoordingen de opofferende
liefde der zonen, het onovertrefbaar geluk der moeder geprezen. Toen
had deze in dankbare verrukking zich tot Hera gewend en gesmeekt
dat deze haren zonen de schoonste belooning, de grootste weldaad
mocht doen deelachtig worden, die den mensch kan te beurt vallen. En
ziet! de beide jongelingen hadden zich, na het godsdienstig feest
te hebben bijgewoond, in den tempel ter ruste gelegd en waren niet
ontwaakt. Aldus had Hera de bede der moeder verhoord.
Datis peinsde een oogenblik en sprak: «Ik dank u, Simon, zoon van
Panaitios, voor uw schoon verhaal. Ge zeidet terecht dat de dood
niet steeds een onheil is te noemen en zalig acht ik dan ook hen,
die vallen zullen in den naderenden strijd, want voorzeker is het
den mensch vaak beter te sterven dan te leven.»
Verbaasd zag Simon het legerhoofd in het gelaat. Was dat een barbaar,
de Pers met het fraaie, mannelijke gelaat waarover een droefgeestige
tint lag; de man, die zoo wijze en ernstige woorden uitte? Hij en alle
Atheners met hem, hadden zich blijkbaar vergist in hunne beoordeeling
van de geestelijke ontwikkeling des vijands.
«Is het waar,» vroeg de bevelhebber wederom, «dat in Hellas de
overwinnaar bij de Olympische spelen slechts een krans als zegeprijs
ontvangt?»
«Geen andere prijs valt hem ten deel.»
«Een dergelijke prijs heeft dan voorzeker luttel waarde voor den man,
die hem ontving.»
«Integendeel; als een kostelijk en onwaardeerbaar goed wordt hij
door den overwinnaar bewaard; geen heerlijker gave zou hem kunnen
worden geschonken.»
«Gij zijt wonderlijke lieden, gij Hellenen,» ging Datis voort. «Hoe
nu? Het bezit van een bladerkrans maakt u gelukkig en ge verlangt
als loon van de zege goud, zilver noch edelgesteenten! Ik wensch nog
meer van u te vernemen; deel mijnen maaltijd, Simon; ge zijt heden
mijn gast.»
Datis met zijne beide onderbevelhebbers en Simon plaatsten zich
aan den disch, die op des meesters bevel werd voorgediend. Simon
verbaasde zich niet langer. De innemende vormen van het legerhoofd
hadden hunne werking niet gemist en zonder de minste terughouding
wisselden Pers en Helleen van gedachten, behagen scheppend in
elkanders opvattingen, verschil van inzicht waardeerend ook bij
vasthouden van eigen meening. En naarmate zij spraken, herinnerde
Simon zich andere bijzonderheden, den indruk bevestigend dat men de
Perzen ten onrechte barbaren noemde. Zoo was, toen Miltiades uit den
Chersonosos naar Athene vluchtte, zijn oudste zoon Metiochos door
den vijand gevangen genomen en voor Dareios gevoerd. Algemeen had
men gevreesd dat de jonge man ter dood zou worden gebracht, doch in
plaats daarvan was hij door den koning in vriendschap opgenomen en
met weldaden overladen. Neen! ook deze was geen barbaar; hij zou hem,
keerde hij ongerept terug, bevechten met al de kracht, die in hem
was, doch de Perzen waren ontegenzeggelijk gansch andere menschen
dan algemeen in Hellas werd aangenomen.
De twee andere bevelhebbers, de Helleensche taal niet machtig,
hadden intusschen veelal met elkander gesproken en geweldig veel wijn
gedronken. Ook Datis had zich hierin niet onbetuigd gelaten en groote
bekers geledigd, zonder merkbaren invloed evenwel dan alleen dat zijn
gesprek levendiger werd en hij zich in de vreemde taal vrijmoediger
begon te uiten dan tot nogtoe. Simon achtte het verstandig de meest
mogelijke matigheid te betrachten en met beminnelijke hoffelijkheid
liet de gastheer hem geheel vrij zijn beker te vullen naarmate hem
dit al of niet behaagde.
«Ik begrijp niet, Simon,» zeide de Pers, «hoe ge aan de democratie
boven de monarchie de voorkeur geeft. Wordt ge niet liever door een
edelen leeuw dan door een morsigen ever geregeerd?»
Simon wilde antwoorden. Plotseling werd de zware draperie, welke den
voorhang der tent vormde, ter zijde geschoven en een schildwacht vroeg
gehoor. Een man was door een patrouille betrapt, op zijn post slapend,
en hij wachtte buiten. Moest men hem voor den veldheer brengen?
«Ja!» antwoordde Datis. Hij was op eens zeer stil geworden en stond op,
zwaar van den wijn. Tusschen de mannen der patrouille werd de nalatige
binnengebracht. Het was een Milyer, onaanzienlijk van gestalte, op
het hoofd een helm met vederbos en ijzeren ossenhoorns, een korte
wapenrok aan het lijf, de beenen met purperen lappen omwonden, een
speer in de hand. Hij beefde over al zijn leden en was eerst niet
in staat te antwoorden toen Datis hem in zijn eigen taal de oorzaak
zijner overtreding vroeg. De veldheer hield zich blijkbaar met moeite
in, op het punt los te barsten, alleen zich bedwingend omdat hij
er anders blijkbaar geen woord uit zou krijgen. Eindelijk kwam het:
de schuldige had drie uren achtereen in de brandende zon gestaan tot
hij het niet meer uit kon houden; toen had hij zich naar een boschje
begeven vlak naast zijn post, met het voornemen daarop weder terug te
keeren tegen den tijd dat hij zou worden afgelost. Maar in het boschje,
in de schaduw, was het hem te sterk geworden bij die hitte en was hij
ingeslapen. Hij wierp zich tot slot van zijn verhaal op de knieën,
jammerend en huilend, sidderend de handen omhoog heffend tot zijn
geduchten meester, over den grond kruipend in akelige onzekerheid
omtrent zijn lot.
Maar Datis was onder het verhaal van den man allengs in eene geweldige
verbolgenheid ontstoken. De aderen op zijn voorhoofd zwollen; de oogen
liepen rood op en een diep, dof gebrom als van een wild dier rees
in zijn keel. De groote massa wijn, die tot nogtoe onder gunstige
omstandigheden slechts zijne beminnelijke eigenschappen sterker
had doen uitkomen, wekte thans het onbedwongen dierlijke van zijn
karakter tot heftigen storm. En toen de ander geeindigd had, barstte
hij los, in godslasterlijke taal, vloekend en brullend, zonder eenige
zelfbeheersching of poging daartoe, zichzelf opwindend tot woedende
razernij. De lijdelijke houding des mans, die ineenkromp voor zijne
voeten, in sprakelooze ontzetting over den bodem rollend, bedolven
onder dien stortvloed van vreeselijkheden, prikkelde hem nog te meer,
tot hij heesch en schor moest ophouden, rondziende overal om een
nieuwen uitweg te vinden voor zijn toorn, waar woorden ontbraken. Toen,
met een sprong ter zijde, gretig bukkend, nam hij een boog en koker,
op een divan liggend en, met het schuim op den mond, in rauwe kreten,
riep hij tot de krijgslieden, die in stomme onderworpenheid toehoorden:
«Neemt hem op! Dáár! dáár! tegen den wand!»
En zij gehoorzaamden en grepen den ellendige, reeds meer dood
dan levend, en richtten hem omhoog, achteruit stappend, tegen den
wand. Daar bleef hij staan, wezenloos, starend voor zich uit in
doffe berusting.
Datis, den boog in de hand, keerde om en begaf zich met groote schreden
naar de tegenovergestelde zijde der tent. Allen weken eerbiedig, den
meester in zijn toorn kennend, wetend dat een ieder, die het wagen
mocht zich op zijn weg te plaatsen, vermorzeld zou worden. De Milyer,
die des veldheers bewegingen met het oog gevolgd had, begreep wat hem
wachtte en tevens dat verder smeeken nutteloos zou wezen; hij liet
het hoofd op de borst hangen en wachtte zijn lot af. Ter bestemder
plaatse aangekomen nam Datis een pijl en legde dien op den boog. Hij
had voor het uiterlijk althans zijne bedaardheid terug erlangd en,
zich tot Simon richtend, sprak hij:
«Op welke wijze handelt gij, Atheners, met krijgslieden, die hun
plicht vergeten?»
«Wij onderzoeken hunne schuld wanneer onze geest zijne volle helderheid
bezit en handelen naar dat onderzoek ons voorschrijft,» luidde het
antwoord.
«Zoo doen ook de Perzen en zij zijn van meening, dat de geest nooit
helderder is dan wanneer de beker is rondgegaan. Het plan van den
veldtocht, die u de vrijheid zal kosten, werd vastgesteld na een
feestgelag van Dareios.»
Simon herinnerde zich hoe ook Kynaigeiros hem verhaald had
dat de Perzen gewoon waren het ontwerp van een krijgstocht in
dronkenschap te beramen om het den volgenden dag, ontnuchterd,
nogmaals te bespreken. Doch tot verdere beschouwingen werd hem
geen tijd gelaten. Met forsche hand den vingerdikken leeuwendarm
spannend, legde Datis op den Milyer aan en deed den pijl van den boog
snorren. Het was een meesterlijk schot en in het hart getroffen viel
zijn slachtoffer met een lichte trilling dood neder. Het lijk werd
weggebracht; niemand sprak een woord; men beschouwde de willekeur van
des konings plaatsvervanger als eene geheel natuurlijke zaak. Wederom
richtte Datis zich tot den Athener en sprak:
«Simon, zoon van Panaitios, gij kunt gaan. Zeg aan de uwen bij uwe
terugkomst wat ge gezien hebt: dat de Pers moed weet te eeren en schuld
weet te straffen. Ik dank u voor uw bezoek en als over weinige dagen
Athene aan mijne voeten ligt, zal ik er trotsch op wezen gezegepraald
te hebben over mannen als gij.--Geleid den Athener buiten het kamp,»
ging hij voort, zich tot den hoofdman der patrouille wendend, «en
met uw leven staat ge er voor in dat hem geen leed geschiede.»
Simon aarzelde. Een waardig antwoord op de snorkende taal des veldheers
lag hem op de lippen, doch hij begreep het gevaarlijke en nuttelooze
van een woordenstrijd met den beschonken en geprikkelden Pers en
zweeg. Het leven van één Athener woog tegenover de tiendubbele macht
des vijands te zwaar om het zonder noodzakelijkheid in de weegschaal
te stellen.
«Vaarwel, Datis,» sprak hij alleen en ging, door de patrouille
begeleid. Hij zag, buiten gekomen, vreemd op; gedurende zijn verblijf
in Datis' tent was de avond gevallen en de maan, die den vorigen
dag vol was geweest, verlichtte het uitgestrekte Perzische kamp en
de heuvelrijen terzijde. Thans werd hij door een ander gedeelte
der legerplaats geleid dan in den voorafgeganen middag en hij
aanschouwde met verbazing wederom nieuwe, onbekende volksstammen,
die hun beken hadden uitgestort in den geweldigen stroom, tot Hellas'
verderf ontketend: Assyriërs met metalen stormhoed, waaronder de
regelmatig naast elkander aangebrachte lokken in stijve krullen naar
beneden hingen; Kaspiërs met pelsrokken en korte, kromme sabels;
Thrakiërs met een vossekop als hoofddeksel, hooge laarzen van
muilezelvel, werpspiets, schild en dolk; Saken, de beste schutters
van het leger, met spitse mutsen, wijde, lange broeken, boog en
strijdbijl. Er kwam geen eind aan de bonte tentoonstelling van volken
en kleederdrachten. En wederom werd Simon getroffen door het groot
aantal paarden dat voorbijkwam, zonder uitzondering in de richting
van het strand; telkens moest hij met zijne geleiders stilstaan of
uitwijken. Eens waren het er wel tweehonderd tegelijk, alle sneeuwwit;
dat waren Nisaiïsche paarden der Onsterfelijken, de tienduizend man
sterke, adellijke, steeds op hetzelfde aantal gehouden lijfwacht des
konings. Hij ontmoette er eene afdeeling van met hun veldteeken,
een gouden adelaar met uitgespreide vleugels; zij droegen gouden
harnassen en gouden granaatappels aan de schachten der lansen; zoo
stapten zij voort, schitterend en blinkend in het maanlicht.
Op eenigen afstand van het kamp werd Simon door de patrouille verlaten
en hij nam den terugtocht aan, langs denzelfden weg dien hij des
morgens had afgelegd. De belangrijke zaken, welke hij gedurende de
laatste uren gezien had, hielden zijn geest onafgebroken bezig. Eerst
het ontzaggelijke Perzische leger, een logge, lompe massa zonder
samenhang en eenheid, juist zooals Kynaigeiros van zijn vader
Euphorion vernomen had, halve wilden naast weeke poppen met meer
bedienden en deernen dan hun eigen aantal bedroeg. En ook de beroemde
lijfwacht had weinig indruk op hem gemaakt; prachtige gestalten
voor een godsdienstige parade, maar weinig te vreezen met hun gouden
harnassen en kostbare hoofdwrongen met diamanten aigrettes. Alleen
de sterke ruiterij boezemde hem bezorgdheid in; het Atheensche leger
telde uitsluitend voetknechten en met schrik stelde hij zich voor al
die paarden, welke hij ontmoet had, en nog duizenden bovendien met
krijgslieden op den rug in een wilden aanval. En wederom vroeg hij
zich af waarom ze toch alle weggeleid werden, in dezelfde richting,
naar het strand.
Toen herdacht hij zijne ontmoeting met Datis, die eerst zulk een
gunstigen indruk op hem gemaakt had maar weldra, onder den invloed
van wijn en drift, een geheel ander man gebleken was te zijn. Hij
kwam terug op zijn oordeel van straks; ja! hij was een barbaar, de
Perzische veldheer, niet in den zin van een altijd ruw en ongevoelig
man, maar van iemand, die alle zelfbeheersching mist; van wien telkens
te vreezen valt dat hij een volgend oogenblik de tegenvoeter van
zichzelf zal wezen; die heden weent bij een aandoenlijk schouwspel en
morgen met de grootste onaandoenlijkheid eigenhandig bloed vergiet;
door de improvisatie van het leven schokkend voortgejaagd, niet zelf
dat leven na strenge voorbereiding en lange oefening ordenend en
besturend. Hij was een barbaar, de veldheer, die zijn tienduizenden
opvoerde tegen dat Athene, tot welks zonen Simon het zich thans meer
dan ooit eene eer rekende te behooren, nu hij den afstand kon meten,
welke hem ook van den meest ontwikkelden Aziaat scheidde. Neen,
nimmer zou de godin toestaan dat hare stad en burcht aan de voeten
zouden liggen der horden, welke hij zoo even had gadegeslagen.
Simon had het struikgewas aan den zeekant verlaten en een
tamelijk hoogen, onbegroeiden heuvel beklommen waarachter de
eikenbosschen aanvingen, die zich tot het Atheensche kamp onafgebroken
uitstrekten. En op den door witten maanglans overgoten top aangekomen,
gevoelde Simon, in dien verrukkelijken nazomernacht, met Perzië achter,
Athene vóór zich, een heilige aandoening zich van hem meester maken
en een gebed tot de godheid ontvlood, eer hij het zelf wist, zijn
mond. «O Pallas Athene!» riep hij uit, de handen omhoog richtend, «of
met welken anderen naam het u behaagt genoemd te worden, bescherm uw
violenomkranste stad in de ure die naakt. En indien ge genadig mijne
bede verhoort, Pallas Athene! zoo doe mij een teeken geworden, hetzij
aardschok of donderslag of vogelvlucht, dat uw steun mij gewis zij.»
Hij sprak en bleef onbewegelijk staan in zijn biddende houding, de
oogen naar den glanzenden hemel gericht. En plotseling voer hem eene
rilling door de leden van dankbare religieuse ontroering. Want, tegen
het blauwe uitspansel boven hem, verschenen twee scherpgeteekende,
witte gestalten, te paard, op het hoofd een eivormigen helm met een
schitterende ster gekroond, een speer in de hand. Zij waren in levendig
onderhoud gewikkeld en Simon, hoezeer hij geen enkel geluid vernam,
bespeurde duidelijk hare handbewegingen evenals de zich reppende pooten
der rossen en de halzen en koppen, die nu en dan zich brieschend
bewogen. En aan hun attributen herkende Simon zonder aarzeling de
tweelingbroeders van Helena, de Dioskouren, die reeds voor het eind
van den Trojaanschen oorlog gestorven en als tweelingsterren aan den
hemel opgenomen waren: Kastor, den geduchten ruiter en Polydeukes,
den ongeëvenaarden vuistvechter. Zij reden van het Oosten naar het
Westen, in een lange baan, als wit marmeren spookachtige beelden op
den blauwen achtergrond tot ze, heel ver, aan den horizon verdwenen.
Dat was het teeken door Pallas Athene aan Simon gezonden, opdat
hij verzekerd mocht zijn, dat zij in de komende ure hare stad zou
bijstaan. Jubelend dankte hij Athenes schutsgodin, nu hij wist, dat
de naderende strijd de stad ongerept zou laten. Zijn blik legde in
tegenovergestelde richting de baan weder af, zoo even op het spoor
der witte ruiters gevolgd, van het Westen naar het Oosten, tot hij
gevestigd bleef op een schouwspel dat hem vervulde met schier niet
minder verbazing dan het zoo even bespeurde.
Van den top des heuvels was het Perzische kamp door de gesteldheid
van het terrein aan het oog onttrokken, doch daarentegen aanschouwde
men de zuidelijke zijde der halfcirkelvormige baai van Marathon
en het daarvoor gelegen strand; gedeelten, die straks den omhoog
gerichten blik van Simon niet getroffen hadden. Op dat onbewogen,
helder verlichte zeevlak lag de Perzische vloot voor anker, de groote
galeien van het troepenvervoer op den achtergrond, roerloos, als waren
zij vastgegroeid in het water; dicht aan de kust de logge, buikige
schepen voor het paardentransport, in een lange rij, zoover hij zien
kon. Van elk dier transportschepen was een brug te water gelaten en
over al die bruggen werden paarden in de schepen gevoerd en nog eens
paarden en wederom paarden, heel klein op zoo grooten afstand. Zij
kwamen van het strand, waadden een korte poos vóór zij de bruggen
betraden, en het was Simon als hoorde hij het geluid hunner hoeven
zoo vaak zij vasten voet kregen op de planken, en de kreten hunner
geleiders, die heel wat te stellen hadden met de opdringende dieren,
weelderig na dagen van rust en goed voedsel. Daar ging juist, op een
der schepen, een stoet sneeuwwitte paarden der Onsterfelijken naar
binnen, telkens meer en nog meer. De schepen wiegelden zacht heen en
weder, in de branding.
Toen begreep Simon welke de reden was dat hij op zijne beide tochten
door het Perzische kamp zoo ontzettend veel paarden had ontmoet. De
dieren werden in alle stilte ingescheept. Was het omdat de weiden
van Marathon hun geen genoegzaam voedsel meer aanboden? Of wanhoopte
de bevelhebber wellicht aan de mogelijkheid om de geduchte stelling
der Atheners te forceeren en zou het geheele leger volgen om op een
ander punt der Attische kust te landen, vanwaar Athene met minder
gevaar te bereiken was en men gemakkelijker voeling kon krijgen
met de Perzischgezinde partij aldaar? Het laatste kwam hem het
waarschijnlijkst voor. Hoe het zij, de ontdekking was van onberekenbaar
groot belang en met vluggen tred repte hij zich door de bosschen naar
het kamp der zijnen.
Nauwelijks had hij, door den wachtpost herkend en toegelaten,
de buitenste schanswerken betreden of hij zag op eenigen afstand
een groep mannen naderen, in druk gesprek. Hij herkende Miltiades
wiens commando van één dag--het was even na middernacht--juist was
ingetreden, in gezelschap van een drietal andere strategen en den
polemarch Kallimachos, den archon met de leiding der oorlogszaken
van den Atheenschen staat belast. Bij hen bevond zich Pheidippides,
zoo even van zijn looptocht naar Sparta teruggekeerd, vol rechtmatigen
trots over de wijze waarop hij zijne taak vervuld had. De afstand van
tweehonderdvijftig kilometer, die Marathon van Sparta scheidt, was
beide keeren binnen tweemaal vierentwintig uren door hem afgelegd. Hij
had dan ook eene uitdrukking van tevreden gewichtigheid op zijn
gelaat, nog een weinig bleek na de geweldige inspanning; zich geheel
man voelend, met plotselinge opflikkeringen van pretmakerige ondeugd
in zijn vioolkleurige oogen. Hij was bezig den uitslag van zijne
zending te verhalen, met veel woorden, om er lang van te genieten:
een godsdienstig voorschrift belette de Spartanen zich op marsch
te begeven voordat de maan vol was. Dit nu had voor anderhalven dag
plaats gehad; zij konden dus, zwaargewapend als zij waren, over twee
dagen zijn aangekomen.
Simon voegde zich bij de groep en deed op zijne beurt verslag van
hetgeen hem overkomen was. Miltiades hoorde hem met belangstelling
aan, de doordringende, heldere oogen voortdurend op zijn gelaat
gevestigd. Hij prees Simon wegens zijn kloeke onderneming, met de
beschermende welwillendheid en nederbuigende voornaamheid, die hem
in Athene zooveel vijanden berokkend en zijne keus tot strateeg in
de weegschaal gesteld hadden, maar zijn eigen waarde kennend en
zich weinig bekommerend om het oordeel zijner landgenooten. Hij
wenschte hem geluk met de hooge gunst waarin Simon blijkbaar bij
de goden stond, nu hij zonder letsel uit zoo hachelijken toestand
was teruggekeerd. En Simon dankte den grooten krijgsman voor zijne
woorden, doch verhaalde niet wat hemzelf omtrent der goden gezindheid
ontwijfelbaar was gebleken.
Miltiades ontbood de overige strategen en begaf zich met hen en
den polemarch naar zijne hut ten einde te bespreken wat na het
door Pheidippides en Simon medegedeelde te doen stond. De beide
laatstgenoemden traden hun gemeenschappelijk verblijf binnen en
Pheidippides deed nogmaals aan zijn zwager een omstandig verhaal van
zijn tocht, de woorden met zorg kiezend ter waardige inkleeding van een
zoo gewichtig feit, tot zij zich eindelijk vermoeid ter rust begaven.