X.

Het kamp der Atheners was opgeslagen ten zuidwesten van het vlek

Marathon, tegen de hellingen van den Pentelikos. Miltiades, die,

tot strateeg gekozen, van den aanvang af, hoezeer het commando

tusschen hem en de negen andere strategen dagelijks afwisselde, door

een ieder als de ziel der nationale verdediging beschouwd was, had

besloten zich geenszins tot de verdediging van Athene te bepalen;

hij vreesde de woelingen der Perzischgezinde partij, die elders

reeds Eretria in handen des vijands gespeeld had. En zoo was men

uitgerukt, zonder bepaald plan, vrij overhaast, want nauwelijks waren

de strategen benoemd of Attische burgers, van Chalkis vluchtend,

hadden vol ontzetting de nadering der Perzen aangekondigd. Eene

bezetting was in Athene achtergelaten, zoodat het veldleger niet

meer bedroeg dan negenduizend hopliten, zwaargewapende voetknechten,

en duizend slaven, die als schilddragers en lichtgewapenden dienst

konden doen. Op marsch had men vernomen, dat de Perzen voornemens waren

te landen in de baai van Marathon, welks vlakte, met eene lengte van

negentien op eene breedte van drie kilometer, een uitstekend terrein

aanbood voor hunne ruiterij, alleen reeds even sterk als de Atheensche

troepen, en vanwaar Hippias den vijand zonder bezwaar naar Athene

meende te kunnen leiden. Van dat oogenblik lag het voor de hand eene

positie in te nemen, die den heerweg naar de hoofdstad dekte en de

Atheensche bevelhebbers in staat stelde de gansche vlakte met het oog

te beheerschen en iedere beweging des vijands gade te slaan. De positie

was trouwens uitstekend gekozen en door de rotsachtige gesteldheid

van het terrein benevens de aangelegde schanswerken zeer gemakkelijk

ook tegen eene groote overmacht te verdedigen.

Het was de zestiende der maand Metageitnion [5]. Reeds verscheidene

dagen hadden beide legers tegenover elkander gestaan, de Atheners

langzamerhand aan den aanblik der Perzen gewennend, deze laatsten,

naar men meende, overleggend, hoe de geduchte positie en daarmede

den weg naar Athene te forceeren. Een duizendtal Plataiërs hadden

zich nog bij Miltiades gevoegd, zoodat de Helleensche strijdkrachten

juist één tiende van die des vijands bedroegen. Maar voor een viertal

dagen had Miltiades zich tot zijne troepen gewend en gevraagd, wie

bereid was onmiddellijk naar Sparta te vertrekken ten einde aldaar,

met uiteenzetting van den stand der zaken, nogmaals uitdrukkelijk op

het zenden van spoedige en krachtige hulp aan te dringen. Tal van

mannen hadden zich aangeboden, zoodat het lot moest beslissen en

dit had Pheidippides, Simons zwager, aangewezen, die kort geleden

zijn twintigsten verjaardag had gevierd en dus bij het veldleger

ingedeeld was. Pheidippides gevoelde zich zeer gelukkig, al dadelijk

het vaderland een gewichtigen dienst te kunnen bewijzen en had

zich onmiddellijk op weg begeven, de beenen reppend met nog meer

toewijding dan ten vorigen jare bij de Panathenaiën. De gesteldheid

van het terrein maakte het gebruik van een paard onmogelijk; de weg

moest te voet worden afgelegd.

Simon bevond zich des morgens in gezelschap van den reusachtigen

Kynaigeiros vóór de van paalwerk opgetrokken en met loof bedekte

hut, welke hij met Pheidippides deelde. Naast hen stond een boer uit

Marathon, bezig te verhalen hoe hij in den omtrek van het Perzische

kamp een dareikos gevonden had. En hij toonde, met een tevreden gelaat,

den dareikos aan de beide mannen: een fraai goudstuk met het beeld

van koning Dareios aan de eene, dat van een boogschutter, op ééne knie

neergebogen, aan de andere zijde. De boer was opgetogen over de rijke

kleeding der Perzen, over hun fraaie paarden en had veel te vertellen

van de zonderlinge volksstammen, die met hen medetrokken en hij sprak

zoo veel en zoo lang, dat Simon van verlangen begon te branden dat

alles ook eens van nabij te aanschouwen en met eigen oogen te zien.

«Ik heb lust,» zeide hij tot Kynaigeiros, «aan Stesilaos»--den

strateeg, dien dag met het commando belast--«vergunning te vragen

het Perzische kamp te verspieden. De begroeide heuvels rondom maken

het gemakkelijk den vijand tot op een kleinen afstand onbemerkt

te naderen.»

Kynaigeiros raadde het af: «Bedenk dat ge een volk van barbaren

over u hebt, onbetrouwbaar en wreed; een volk dat Eretria tot den

grond afgebrand en alle inwoners, vriend en vijand, in slavernij

weggevoerd heeft.»

«Kunnen wij Atheners, die hunne gezanten vermoordden, een rechtmatig

verwijt tot hen richten? Athene heeft den naam vaak ondoordachte

handelingen te verrichten, die echter door de goden telkenmale ten

goede worden geleid. Moge dit wederom geschieden in het beslissend

uur dat nadert.»

Op dat oogenblik vernam hij een ontevreden gebrom en omziende

bespeurde hij Labes, den Molossischen hond van Pheidippides, die

het leger gevolgd en gedurende zijns meesters afwezigheid aan Simons

zorgen toevertrouwd was, uit de hut treden. Het kolossale dier was

blijkbaar niet in zijn humeur; zonder op Simon te letten liep het door

naar het schanswerk dat het kamp daar ter plaatse omgaf, zette er de

voorpooten tegen zoodat het in de vlakte kon zien en liet een luid

geblaf hooren. Simon volgde den blik des honds en bemerkte weldra de

oorzaak van diens ontstemming. Sedert eenige dagen verscheen keer op

keer voor de legerplaats een fraaie windhond uit het Perzische leger,

van Egyptisch ras, met lange, rechtopstaande ooren, zooals men ze

op de oude Egyptische monumenten en onder den naam van sloughi in

onveranderde gedaante in het huidige Egypte aantreft. Dit dier nu,

langzamerhand door het toewerpen van voedsel vertrouwelijk gemaakt,

had zich ook heden in de nabijheid gewaagd en daarmede de groote

ontevredenheid van Labes opgewekt, wiens zware stem in steeds dieper

bastonen begon te weerklinken. En die houding des honds bracht Simon

op een denkbeeld, dat hij ijlings uitvoerde.

«St! Labes!» zeide hij, het dier aanhitsend, en Labes, wiens booze

luim weinig aansporing noodig had, vloog over de verschansing en op

den vreemden hond aan. Deze was zoozeer verdiept in de kennismaking

met het been, hem juist door een hopliet toegeworpen, dat hij

ook in verband met het uit het kamp opstijgende geruisch de komst

zijns natuurgenoots niet bemerkte vóór deze hem in den nek gevat en

gevoelig geknauwd had. Met een verbaasd gejank liet hij zijn been in

den steek en nam zijn onverwachten vijand met een toornigen blik op;

doch diens geweldige gestalte ontwarend en zichzelf blijkbaar meer voor

de lange jacht op gazellen dan voor een tweegevecht berekend achtend,

maakte hij ijlings rechtsomkeert en verdween in de richting van het

Perzische kamp, slechts korten tijd achtervolgd door Labes, die weldra

zijn eigen minderheid op het gebied van den wedloop moest erkennen

en tevreden met de behaalde overwinning kwispelstaartend terugkeerde.

Van den uitslag van dit gevecht had Simon het afhankelijk gemaakt of

hij aan zijn voornemen gevolg zou geven, dan wel niet. Nu de victorie

aan Helleensche zijde gebleven was, meende hij daarin een wenk te

zien om in eerstgenoemden zin te handelen. Bevorens nam hij uit den

nauwhalzigen korf, waarin de hopliet zijne levensmiddelen bewaarde,

een stuk gezouten vleesch en een paar olijven, ten einde niet met

ledige maag den tocht te ondernemen. Hij bood Kynaigeiros aan, den

maaltijd te deelen, maar deze weigerde en reciteerde, op zijn zware

lans leunend, de verzen van Kallinos:

In mijn lanspunt bevindt zich mijn gerstebrood; 'k heb in mijn

lanspunt

Ismaros' wijn en ik drink als ik mijn lans slechts bezit.

Simon at derhalve alleen en begaf zich na verlof van den bevelvoerenden

strateeg op weg, ten einde zoo mogelijk iets naders omtrent het

Perzische leger te weten te komen. Een groote mate van rustigen moed

vervulde sinds eenige dagen hem en zijne medekrijgers; een machtig

vertrouwen op den triomf der groote nationale zaak, op den bijstand

der goden en niet het minst van Pallas Athene, die reeds zoo vaak

had getoond hoezeer zij der onder hare hoede staande stad genegen

was. De zenuwachtige spanning, die maanden achtereen in Athene

geheerscht en een uitweg gezocht had in den moord der gezanten,

was geheel verdwenen zoodra de oorlog vaststond en men zich in het

veld bevond, buiten den invloed der partijen, overtuigd dat men geen

enkelen verrader in zijne rijen telde. Wel is waar hadden de meeste

Helleensche steden uit vrees of kwaadwilligheid de Perzische zijde

gekozen, doch Sparta had hulp toegezegd. En Sparta alléén gold voor

velen. Simon herinnerde zich hoe hij door een ooggetuige den aanval

had hooren beschrijven der Spartaansche phalanx. Met afgemeten passen,

op de maat van het fluitspel en onder het zingen van een marschlied,

rukten de gelederen op den vijand los, de hopliten vooraan, daarachter

de heloten, die over de eerste rijen steenen en speren te midden der

vijanden slingerden en dezen bij het vooruitdringen met knotsslagen

afmaakten. De krijgsman, in den purperen mantel gehuld en het hoofd

bekranst, geheel achter het geweldige schild verborgen, stootte,

de tanden op de lip, met zwaard of lans er op los en week nooit

van de zijde des nevenmans. Zóó had Simon een aanval der Spartanen

hooren schilderen en hij hoopte van harte er weldra zelf getuige

van te kunnen zijn. Wanneer zij zich onmiddellijk na de aankomst

van Pheidippides op weg hadden begeven, waaraan hij niet twijfelde,

konden zij over een paar dagen het kamp bereiken.

Aldus peinzende stapte hij voort door de eikenbosschen waarmede de

uitloopers van den Pentelikos, die zich in het zuidelijk gedeelte

der vlakte glooiend tot aan de zee uitstrekten, bedekt waren;

lichtgewapend, slechts met helm en zwaard. De eerste was niet meer zoo

fraai als toen Demetria dien op zijn hoofd had geplaatst, prachtig

gepoetst en gepolijst. Maar hij paste uitstekend en was niet zwaar,

van het gewone soort, met beugel en beweegbare wangstukken, heel

wat anders dan de helm van Pheidippides, die weer wat bijzonders

had moeten hebben en zich een Korinthisch model aangeschaft had, het

geheele gelaat bedekkend, het bovenste gedeelte zelf een aangezicht

verbeeldend, met een vuurrood geverfden paardestaart op den kam en

allerlei mythologische voorstellingen in verhooging op de vlakken, erg

mooi, maar zeer lastig in het gebruik. Zoo was Pheidippides altijd;

hij kocht telkens dure zaken, die hem al heel spoedig verveelden. En

hij herdacht hoe hij Pheidippides het eerst had aanschouwd, hardloopend

op het feest der godin, terwijl hij op het oogenblik eveneens aan

het hardloopen was in dienst van het vaderland, op zijn terugtocht,

in Megaris waarschijnlijk of even in Attika. Hij herdacht verder, met

een tintje van weemoed, hoe Demetria zich voor eenigen tijd op eens was

gaan blanketten, in de vaste overtuiging, daar al hare vriendinnen het

deden, dat het heel mooi stond en erg in zijn smaak zou vallen. Doch

hij had er niets van willen weten. «Mijn liefste Demetria,» had hij

gezegd, «wanneer ge me vroegt hoedanig de toestand van ons vermogen is

en ik legde u een volkomen leugenachtigen staat daarvan over, zoudt

ge dan tevreden zijn?» «Voorzeker niet.» «En gelooft ge dan dat ik

tevreden ben, nu ik eene Demetria aanschouw, geheel anders dan zij

in werkelijkheid is? Toon ik niet genoegzaam dat ook de omhelzingen

eener ongeverfde Demetria mij voldoende behagen? En mocht u dat anders

toeschijnen, meent ge dat ge uwen echtgenoot met dien valschen schijn

zoudt kunnen bedriegen?» Sedert had hij de blanketdoos niet meer

gezien. Toen was, kort geleden, het scheidensuur gekomen, nadat ze hem

zelf zijne uitrusting en wapenen had aangelegd: helm en lederen kolder

met beweegbare schouderstukken, eng sluitend en beneden den gordel,

waaraan het zwaard hing, in eene dubbele rij strooken uitloopend;

de armen halverwege ontbloot; de beenen bedekt door metalen platen,

van boven de knie tot den enkel reikend; over den rechter schouder een

tweede gordel, waaraan het ronde schild, met een gedreven uil prijkend,

was opgehangen. Zoo had hij voor haar gestaan, met de veertien

voet lange lans in de hand en ze had den moed gevonden hem toe te

lachen door haar tranen heen. En met fierheid herdacht hij het woord

dat zij gesproken had bij het afscheid, het woord, een Helleensche

vrouw waardig, doch dat weinig Helleensche vrouwen zouden gevonden

hebben. Hij had op zijn zwaard wijzend gezegd: «Het is wat kort,

vergeleken bij de Perzische kromme sabels.» En zij had geantwoord:

«Dan hebt ge slechts een stap meer voorwaarts te doen.» Ja! hij had

goed gezien op het feest der Panathenaien; dat zestienjarige meisje

met die rosbruine krulletjes was een goede, moedige vrouw geworden.

Sedert eenigen tijd ving zijn oor een steeds aanzettend en verward

gegons op. Het was de samensmelting der tallooze geluiden, die

uit het vijandelijke kamp opstegen: commando's van bevelhebbers,

soldatenliederen, paardengehinnik, wapengekletter en honderd

andere. Hij had, al peinzend, zijn doel niet uit het oog verloren

en nam zijne richting langzamerhand zuidwaarts, wel zorg dragend

zich binnen den boschrand te houden en behoedzamer loopend naarmate

hij zijne bestemming naderde. De boomen werden trouwens kleiner en

schaarscher; de eiken hadden plaats gemaakt voor struikgewas en hij

voelde hoe de rotsgrond der heuvels langzamerhand door een drassiger

bodem werd vervangen. Het bevreemdde hem; hij meende dat alleen de

noordoosthoek moerassig was. «Hoe komt,» dacht hij, «Hippias, die

Attika en de vlakte van Marathon zoo goed kent, er toe de Perzen hier

positie te doen nemen? Het terrein moge geschikt zijn voor de ruiterij,

maar bij eene nederlaag, met de zee van achteren en moerassen terzijde,

komt er van het leger niet veel terecht.» Hij was thans dicht bij

den vijand en als er geen struiken tusschen hen hadden gestaan, zou

hij het kamp bespeurd hebben; uit de ineenvloeiing van klanken, die

tot hem opsteeg, begonnen zich reeds enkele in zijn nabijheid af te

scheiden: schetterende tonen eener barbaarsche muziek, van den een of

anderen half wilden volksstam, uitdagend voor een oogenblik de lucht

in sprankelend en plotseling verstommend; daarna een getrappel van

paarden, die voortgeleid werden, met het geschreeuw der geleiders er

tusschen, in onbekende neusgeluiden. Hij liet zich neder op handen en

voeten, omzichtig verder kruipend, toen hem bliksemsnel iets voorbij

de oogen vloog en hij schier in hetzelfde oogenblik half geworgd ter

aarde lag. Simon, de zoon van Panaitios, was door eenige onbereden

Sagartische ruiters, die uit fourageeren waren en wier nadering hij

door de weekheid van het terrein niet bespeurd had, met hun nationaal

werptuig, den lazzo, gestrikt.

Marathon · 第 14 / 19 题