Het kamp der Atheners was opgeslagen ten zuidwesten van het vlek
Marathon, tegen de hellingen van den Pentelikos. Miltiades, die,
tot strateeg gekozen, van den aanvang af, hoezeer het commando
tusschen hem en de negen andere strategen dagelijks afwisselde, door
een ieder als de ziel der nationale verdediging beschouwd was, had
besloten zich geenszins tot de verdediging van Athene te bepalen;
hij vreesde de woelingen der Perzischgezinde partij, die elders
reeds Eretria in handen des vijands gespeeld had. En zoo was men
uitgerukt, zonder bepaald plan, vrij overhaast, want nauwelijks waren
de strategen benoemd of Attische burgers, van Chalkis vluchtend,
hadden vol ontzetting de nadering der Perzen aangekondigd. Eene
bezetting was in Athene achtergelaten, zoodat het veldleger niet
meer bedroeg dan negenduizend hopliten, zwaargewapende voetknechten,
en duizend slaven, die als schilddragers en lichtgewapenden dienst
konden doen. Op marsch had men vernomen, dat de Perzen voornemens waren
te landen in de baai van Marathon, welks vlakte, met eene lengte van
negentien op eene breedte van drie kilometer, een uitstekend terrein
aanbood voor hunne ruiterij, alleen reeds even sterk als de Atheensche
troepen, en vanwaar Hippias den vijand zonder bezwaar naar Athene
meende te kunnen leiden. Van dat oogenblik lag het voor de hand eene
positie in te nemen, die den heerweg naar de hoofdstad dekte en de
Atheensche bevelhebbers in staat stelde de gansche vlakte met het oog
te beheerschen en iedere beweging des vijands gade te slaan. De positie
was trouwens uitstekend gekozen en door de rotsachtige gesteldheid
van het terrein benevens de aangelegde schanswerken zeer gemakkelijk
ook tegen eene groote overmacht te verdedigen.
Het was de zestiende der maand Metageitnion [5]. Reeds verscheidene
dagen hadden beide legers tegenover elkander gestaan, de Atheners
langzamerhand aan den aanblik der Perzen gewennend, deze laatsten,
naar men meende, overleggend, hoe de geduchte positie en daarmede
den weg naar Athene te forceeren. Een duizendtal Plataiërs hadden
zich nog bij Miltiades gevoegd, zoodat de Helleensche strijdkrachten
juist één tiende van die des vijands bedroegen. Maar voor een viertal
dagen had Miltiades zich tot zijne troepen gewend en gevraagd, wie
bereid was onmiddellijk naar Sparta te vertrekken ten einde aldaar,
met uiteenzetting van den stand der zaken, nogmaals uitdrukkelijk op
het zenden van spoedige en krachtige hulp aan te dringen. Tal van
mannen hadden zich aangeboden, zoodat het lot moest beslissen en
dit had Pheidippides, Simons zwager, aangewezen, die kort geleden
zijn twintigsten verjaardag had gevierd en dus bij het veldleger
ingedeeld was. Pheidippides gevoelde zich zeer gelukkig, al dadelijk
het vaderland een gewichtigen dienst te kunnen bewijzen en had
zich onmiddellijk op weg begeven, de beenen reppend met nog meer
toewijding dan ten vorigen jare bij de Panathenaiën. De gesteldheid
van het terrein maakte het gebruik van een paard onmogelijk; de weg
moest te voet worden afgelegd.
Simon bevond zich des morgens in gezelschap van den reusachtigen
Kynaigeiros vóór de van paalwerk opgetrokken en met loof bedekte
hut, welke hij met Pheidippides deelde. Naast hen stond een boer uit
Marathon, bezig te verhalen hoe hij in den omtrek van het Perzische
kamp een dareikos gevonden had. En hij toonde, met een tevreden gelaat,
den dareikos aan de beide mannen: een fraai goudstuk met het beeld
van koning Dareios aan de eene, dat van een boogschutter, op ééne knie
neergebogen, aan de andere zijde. De boer was opgetogen over de rijke
kleeding der Perzen, over hun fraaie paarden en had veel te vertellen
van de zonderlinge volksstammen, die met hen medetrokken en hij sprak
zoo veel en zoo lang, dat Simon van verlangen begon te branden dat
alles ook eens van nabij te aanschouwen en met eigen oogen te zien.
«Ik heb lust,» zeide hij tot Kynaigeiros, «aan Stesilaos»--den
strateeg, dien dag met het commando belast--«vergunning te vragen
het Perzische kamp te verspieden. De begroeide heuvels rondom maken
het gemakkelijk den vijand tot op een kleinen afstand onbemerkt
te naderen.»
Kynaigeiros raadde het af: «Bedenk dat ge een volk van barbaren
over u hebt, onbetrouwbaar en wreed; een volk dat Eretria tot den
grond afgebrand en alle inwoners, vriend en vijand, in slavernij
weggevoerd heeft.»
«Kunnen wij Atheners, die hunne gezanten vermoordden, een rechtmatig
verwijt tot hen richten? Athene heeft den naam vaak ondoordachte
handelingen te verrichten, die echter door de goden telkenmale ten
goede worden geleid. Moge dit wederom geschieden in het beslissend
uur dat nadert.»
Op dat oogenblik vernam hij een ontevreden gebrom en omziende
bespeurde hij Labes, den Molossischen hond van Pheidippides, die
het leger gevolgd en gedurende zijns meesters afwezigheid aan Simons
zorgen toevertrouwd was, uit de hut treden. Het kolossale dier was
blijkbaar niet in zijn humeur; zonder op Simon te letten liep het door
naar het schanswerk dat het kamp daar ter plaatse omgaf, zette er de
voorpooten tegen zoodat het in de vlakte kon zien en liet een luid
geblaf hooren. Simon volgde den blik des honds en bemerkte weldra de
oorzaak van diens ontstemming. Sedert eenige dagen verscheen keer op
keer voor de legerplaats een fraaie windhond uit het Perzische leger,
van Egyptisch ras, met lange, rechtopstaande ooren, zooals men ze
op de oude Egyptische monumenten en onder den naam van sloughi in
onveranderde gedaante in het huidige Egypte aantreft. Dit dier nu,
langzamerhand door het toewerpen van voedsel vertrouwelijk gemaakt,
had zich ook heden in de nabijheid gewaagd en daarmede de groote
ontevredenheid van Labes opgewekt, wiens zware stem in steeds dieper
bastonen begon te weerklinken. En die houding des honds bracht Simon
op een denkbeeld, dat hij ijlings uitvoerde.
«St! Labes!» zeide hij, het dier aanhitsend, en Labes, wiens booze
luim weinig aansporing noodig had, vloog over de verschansing en op
den vreemden hond aan. Deze was zoozeer verdiept in de kennismaking
met het been, hem juist door een hopliet toegeworpen, dat hij
ook in verband met het uit het kamp opstijgende geruisch de komst
zijns natuurgenoots niet bemerkte vóór deze hem in den nek gevat en
gevoelig geknauwd had. Met een verbaasd gejank liet hij zijn been in
den steek en nam zijn onverwachten vijand met een toornigen blik op;
doch diens geweldige gestalte ontwarend en zichzelf blijkbaar meer voor
de lange jacht op gazellen dan voor een tweegevecht berekend achtend,
maakte hij ijlings rechtsomkeert en verdween in de richting van het
Perzische kamp, slechts korten tijd achtervolgd door Labes, die weldra
zijn eigen minderheid op het gebied van den wedloop moest erkennen
en tevreden met de behaalde overwinning kwispelstaartend terugkeerde.
Van den uitslag van dit gevecht had Simon het afhankelijk gemaakt of
hij aan zijn voornemen gevolg zou geven, dan wel niet. Nu de victorie
aan Helleensche zijde gebleven was, meende hij daarin een wenk te
zien om in eerstgenoemden zin te handelen. Bevorens nam hij uit den
nauwhalzigen korf, waarin de hopliet zijne levensmiddelen bewaarde,
een stuk gezouten vleesch en een paar olijven, ten einde niet met
ledige maag den tocht te ondernemen. Hij bood Kynaigeiros aan, den
maaltijd te deelen, maar deze weigerde en reciteerde, op zijn zware
lans leunend, de verzen van Kallinos:
In mijn lanspunt bevindt zich mijn gerstebrood; 'k heb in mijn
lanspunt
Ismaros' wijn en ik drink als ik mijn lans slechts bezit.
Simon at derhalve alleen en begaf zich na verlof van den bevelvoerenden
strateeg op weg, ten einde zoo mogelijk iets naders omtrent het
Perzische leger te weten te komen. Een groote mate van rustigen moed
vervulde sinds eenige dagen hem en zijne medekrijgers; een machtig
vertrouwen op den triomf der groote nationale zaak, op den bijstand
der goden en niet het minst van Pallas Athene, die reeds zoo vaak
had getoond hoezeer zij der onder hare hoede staande stad genegen
was. De zenuwachtige spanning, die maanden achtereen in Athene
geheerscht en een uitweg gezocht had in den moord der gezanten,
was geheel verdwenen zoodra de oorlog vaststond en men zich in het
veld bevond, buiten den invloed der partijen, overtuigd dat men geen
enkelen verrader in zijne rijen telde. Wel is waar hadden de meeste
Helleensche steden uit vrees of kwaadwilligheid de Perzische zijde
gekozen, doch Sparta had hulp toegezegd. En Sparta alléén gold voor
velen. Simon herinnerde zich hoe hij door een ooggetuige den aanval
had hooren beschrijven der Spartaansche phalanx. Met afgemeten passen,
op de maat van het fluitspel en onder het zingen van een marschlied,
rukten de gelederen op den vijand los, de hopliten vooraan, daarachter
de heloten, die over de eerste rijen steenen en speren te midden der
vijanden slingerden en dezen bij het vooruitdringen met knotsslagen
afmaakten. De krijgsman, in den purperen mantel gehuld en het hoofd
bekranst, geheel achter het geweldige schild verborgen, stootte,
de tanden op de lip, met zwaard of lans er op los en week nooit
van de zijde des nevenmans. Zóó had Simon een aanval der Spartanen
hooren schilderen en hij hoopte van harte er weldra zelf getuige
van te kunnen zijn. Wanneer zij zich onmiddellijk na de aankomst
van Pheidippides op weg hadden begeven, waaraan hij niet twijfelde,
konden zij over een paar dagen het kamp bereiken.
Aldus peinzende stapte hij voort door de eikenbosschen waarmede de
uitloopers van den Pentelikos, die zich in het zuidelijk gedeelte
der vlakte glooiend tot aan de zee uitstrekten, bedekt waren;
lichtgewapend, slechts met helm en zwaard. De eerste was niet meer zoo
fraai als toen Demetria dien op zijn hoofd had geplaatst, prachtig
gepoetst en gepolijst. Maar hij paste uitstekend en was niet zwaar,
van het gewone soort, met beugel en beweegbare wangstukken, heel
wat anders dan de helm van Pheidippides, die weer wat bijzonders
had moeten hebben en zich een Korinthisch model aangeschaft had, het
geheele gelaat bedekkend, het bovenste gedeelte zelf een aangezicht
verbeeldend, met een vuurrood geverfden paardestaart op den kam en
allerlei mythologische voorstellingen in verhooging op de vlakken, erg
mooi, maar zeer lastig in het gebruik. Zoo was Pheidippides altijd;
hij kocht telkens dure zaken, die hem al heel spoedig verveelden. En
hij herdacht hoe hij Pheidippides het eerst had aanschouwd, hardloopend
op het feest der godin, terwijl hij op het oogenblik eveneens aan
het hardloopen was in dienst van het vaderland, op zijn terugtocht,
in Megaris waarschijnlijk of even in Attika. Hij herdacht verder, met
een tintje van weemoed, hoe Demetria zich voor eenigen tijd op eens was
gaan blanketten, in de vaste overtuiging, daar al hare vriendinnen het
deden, dat het heel mooi stond en erg in zijn smaak zou vallen. Doch
hij had er niets van willen weten. «Mijn liefste Demetria,» had hij
gezegd, «wanneer ge me vroegt hoedanig de toestand van ons vermogen is
en ik legde u een volkomen leugenachtigen staat daarvan over, zoudt
ge dan tevreden zijn?» «Voorzeker niet.» «En gelooft ge dan dat ik
tevreden ben, nu ik eene Demetria aanschouw, geheel anders dan zij
in werkelijkheid is? Toon ik niet genoegzaam dat ook de omhelzingen
eener ongeverfde Demetria mij voldoende behagen? En mocht u dat anders
toeschijnen, meent ge dat ge uwen echtgenoot met dien valschen schijn
zoudt kunnen bedriegen?» Sedert had hij de blanketdoos niet meer
gezien. Toen was, kort geleden, het scheidensuur gekomen, nadat ze hem
zelf zijne uitrusting en wapenen had aangelegd: helm en lederen kolder
met beweegbare schouderstukken, eng sluitend en beneden den gordel,
waaraan het zwaard hing, in eene dubbele rij strooken uitloopend;
de armen halverwege ontbloot; de beenen bedekt door metalen platen,
van boven de knie tot den enkel reikend; over den rechter schouder een
tweede gordel, waaraan het ronde schild, met een gedreven uil prijkend,
was opgehangen. Zoo had hij voor haar gestaan, met de veertien
voet lange lans in de hand en ze had den moed gevonden hem toe te
lachen door haar tranen heen. En met fierheid herdacht hij het woord
dat zij gesproken had bij het afscheid, het woord, een Helleensche
vrouw waardig, doch dat weinig Helleensche vrouwen zouden gevonden
hebben. Hij had op zijn zwaard wijzend gezegd: «Het is wat kort,
vergeleken bij de Perzische kromme sabels.» En zij had geantwoord:
«Dan hebt ge slechts een stap meer voorwaarts te doen.» Ja! hij had
goed gezien op het feest der Panathenaien; dat zestienjarige meisje
met die rosbruine krulletjes was een goede, moedige vrouw geworden.
Sedert eenigen tijd ving zijn oor een steeds aanzettend en verward
gegons op. Het was de samensmelting der tallooze geluiden, die
uit het vijandelijke kamp opstegen: commando's van bevelhebbers,
soldatenliederen, paardengehinnik, wapengekletter en honderd
andere. Hij had, al peinzend, zijn doel niet uit het oog verloren
en nam zijne richting langzamerhand zuidwaarts, wel zorg dragend
zich binnen den boschrand te houden en behoedzamer loopend naarmate
hij zijne bestemming naderde. De boomen werden trouwens kleiner en
schaarscher; de eiken hadden plaats gemaakt voor struikgewas en hij
voelde hoe de rotsgrond der heuvels langzamerhand door een drassiger
bodem werd vervangen. Het bevreemdde hem; hij meende dat alleen de
noordoosthoek moerassig was. «Hoe komt,» dacht hij, «Hippias, die
Attika en de vlakte van Marathon zoo goed kent, er toe de Perzen hier
positie te doen nemen? Het terrein moge geschikt zijn voor de ruiterij,
maar bij eene nederlaag, met de zee van achteren en moerassen terzijde,
komt er van het leger niet veel terecht.» Hij was thans dicht bij
den vijand en als er geen struiken tusschen hen hadden gestaan, zou
hij het kamp bespeurd hebben; uit de ineenvloeiing van klanken, die
tot hem opsteeg, begonnen zich reeds enkele in zijn nabijheid af te
scheiden: schetterende tonen eener barbaarsche muziek, van den een of
anderen half wilden volksstam, uitdagend voor een oogenblik de lucht
in sprankelend en plotseling verstommend; daarna een getrappel van
paarden, die voortgeleid werden, met het geschreeuw der geleiders er
tusschen, in onbekende neusgeluiden. Hij liet zich neder op handen en
voeten, omzichtig verder kruipend, toen hem bliksemsnel iets voorbij
de oogen vloog en hij schier in hetzelfde oogenblik half geworgd ter
aarde lag. Simon, de zoon van Panaitios, was door eenige onbereden
Sagartische ruiters, die uit fourageeren waren en wier nadering hij
door de weekheid van het terrein niet bespeurd had, met hun nationaal
werptuig, den lazzo, gestrikt.