IX.

Simon had de vergadering niet bijgewoond. Sedert eenigen tijd had hij

bespeurd, dat de goden hem niet, als vroeger, welgezind waren en ging

hij om met het denkbeeld dat hem eene groote, onafwendbare ramp boven

het hoofd hing. Het was begonnen op zijn huwelijksdag, toen de fakkels

van den bruiloftsstoet door den wind gebluscht waren. Het was sedert

altijd voortgegaan, telkens een schaduw werpend op zijn huwelijksleven,

hem herinnerend aan hetgeen hij zoo gaarne vergeten wilde. Dan eens was

het een vreemde, zwarte hond, die onverwachts zijne woning binnenliep;

of een balk, die zonder merkbare aanleiding kraakte; of een met wijn

gevulde beker, die plotseling werd omgeworpen. Het scheen als wilde de

godheid hem zelf allen zweem van twijfel ontnemen en hem overstelpen

met de zekerheid van hare ongenade. Simon verborg zooveel mogelijk

de groote droefenis, welke zich bij het waarnemen van al die veege

teekenen over hem uitstortte en beijverde zich Demetria te vrijwaren

voor alle invloeden, die de aanstaande geboorte van hun kind zouden

kunnen schaden, al was hij ook overtuigd dat hijzelf die geboorte

niet zou beleven.

Het gesprek, kort na zijn huwelijk met zijne vrouw gehouden, had goede

vruchten gedragen. Van dat oogenblik af, had het werktuigelijke hetwelk

de meeste Atheensche vrouwen in de behartiging der huishoudelijke

zaken kenmerkte, bij Demetria plaats gemaakt voor eene vreugdevolle

toewijding. In den aanvang hokte er hier en daar wel eens iets; het

koorn werd niet steeds dadelijk op de droogste, de wijn op de koelste

plaats van het huis in bewaring gebracht; het gebeurde wel eens dat

een slaaf en slavin vertrouwelijker omgang hadden dan in het belang

eener welvoegelijke dienstvervulling wenschelijk was; het kwam voor

dat Simon iets verlangde wat zich niet in huis bevond en er toch

behoorde te wezen. En Demetria, juist omdat zij er op gesteld was

alles goed te doen, voelde zich alsdan diep ongelukkig; zij bloosde

van verlegenheid en vreesde telkens dat Simon haar geheel ongeschikt

zou achten voor de eervolle taak, die hij haar had opgedragen. Simon

had de grootste moeite haar bij zulke gelegenheden te troosten en te

verzekeren, dat de wijsheid eerst met de ondervinding komt en ook de

jongeling meermalen faalt alvorens hij de mannelijke plichten naar

behooren weet te vervullen.

Demetria ontving vaak bezoeken van vriendinnen welke kwamen

uitvisschen, of zij met goed gevolg vóór den eersten huwelijksnacht

den door Solon voorgeschreven appel had genuttigd, die de

zekerheid moest verschaffen dat het huwelijk niet onvruchtbaar

zou blijven. Met verbazing vernamen deze de wijze waarop Simon het

huwelijksleven opvatte. Inwendig waren ze verschrikkelijk jaloersch,

doch tegenover elkander veinsden zij den man te beklagen, die op zoo

onverantwoordelijke wijze van alle gezag in huis afstand deed. «Dat

wordt een huishouden als van Alkinoös, den Phaiaken-koning. Ge weet

wel, toen Odysseus op Scheria geland was, zeide Athene tot hem dat

hij vooral zich eerst moest wenden tot de koningin Arete; Alkinoös

kwam er minder op aan. Maar zoo iets behoort toch eigenlijk niet

aldus te wezen.»

Simon en Demetria oordeelden het aldus uitstekend en te grooter was

dan ook het gevoel van weemoed hetwelk eerstgenoemde vervulde nu hij

voorzag, dat zijn geluk van zoo korten duur zou wezen. Hij had reeds

gepoogd zich omtrent de gezindheid der goden zekerheid te verschaffen;

in voorteekenen toch kon men zich vergissen en er waren zelfs lieden,

die er minder aan hechtten, maar de ondervinding bij een offer opgedaan

was betrouwbaarder. En zoo had hij voor eenige dagen zich opgemaakt om

een offer te brengen aan den oppergod, hopende dat Zeus het in genade

mocht aannemen, al had hij dan ook wellicht onwetend iets misdaan. Doch

terwijl men naar het altaar schreed, was hij gestruikeld en de

krans hem van het hoofd gevallen; van dat oogenblik af werd het offer

nutteloos, daar het toch door de godheid niet aanvaard zou worden. Nog

had hij eene laatste uitkomst gezocht en besloten zijne toevlucht te

nemen tot de mantiek, berustend op het beginsel dat de goden bewustheid

bezitten omtrent de toekomst en genegen zijn desgevraagd den twijfel

der hulpelooze stervelingen op te lossen. En zoo was het geschied dat

hij op den dag der volksvergadering zich buiten Athene had begeven,

overtuigd van alsdan in zijne raadpleging niet gestoord te zullen

worden. Hij had, in noordwestelijke richting gaande, den loop des

Kephissos eenigen tijd gevolgd tot hij, het olijvenwoud aan den oever

verlatend, eene kleine, licht glooiende vlakte had bereikt. Daar had

hij zich nedergezet, met het gelaat naar het Noorden, zoodat hem het

gunstige Oosten ter rechter-, het ongunstige Westen ter linkerzijde

was gelegen. Hij had bij zichzelf uitgemaakt dat de vogelvlucht hem de

gewenschte zekerheid zou verschaffen; de richting, door deze gevolgd,

zou hem het begeerde uitsluitsel geven. En zoo zat hij daar, vóór zich

starend in neerslachtige afwachting, vreezend wat komen zou, hopend,

in den aanvang althans, dat zich geen vogel zou vertoonen; dat was wel

niet een gunstige beschikking maar toch ook geen bepaald ongunstige

en liet nog eene kleine plaats open voor de hoop, die, naar hijzelf op

het feest van Pheidippides had betoogd, den stervelingen blijft schoon

al het andere hun ontging. Doch, naarmate hij langer wachtte en toen

geen vogel verscheen, ging hij anders denken. Neen! nog liever een

ongunstig teeken dan in het geheel geen. In het laatste geval toch

duurde de twijfel, die hem reeds zoo lang pijnigde, alweder voort;

hij gaf de voorkeur aan eindelijke zekerheid, zij het dan ook....

Daar hoorde hij achter zich, in het olijvenwoud, geritsel. Hij zag

om en bespeurde een lijster, die met kleine pasjes uit het bosch

trippelde, hier en daar een insect van den grond pikkend. Beiden, de

man en de vogel, bemerkten elkander in hetzelfde oogenblik en beiden

schrikten van elkander, de man wellicht het meest. De lijster sloeg

de vleugels uit en nam zijn vaart, snorrend vlak langs Simons gelaat,

in ongunstige richting, van links naar rechts.

Terwijl Simon niet ver van den Kephissos gezeten was en in Athene

het bloedige drama, zoo straks verhaald, werd afgespeeld, bevond

Demetria zich alleen in het vrouwenvertrek harer woning. Zij had

met een gebaar dat haar in den laatsten tijd eigen was geworden, de

handen over den schoot gevouwen en was verzonken in gepeinzen over

de toekomst. Maar die toekomst lag voor haar slechts weinige maanden

verder en de ééne, groote gebeurtenis, die te wachten stond, hield al

hare gedachten bezig. Zou dan ter deure worden uitgestoken een strook

wol, het teeken, in verband met de huiselijke bemoeiing der vrouw,

dat een meisje was geboren? Of wel zou het de olijftak wezen, symbool

van het toekomstig optreden des mans in het burgerlijk leven? Zij

hoopte bijna het eerste; zij voelde zich zóó zalig in haar rustig

geluk als zij zich niet kon voorstellen dat een man, met al zijne

bezigheden en beslommeringen, ooit zou kunnen wezen. Doch, aan den

anderen kant, zou hare dochter immer een echtgenoot kunnen vinden

gelijk Simon en niet hoogst waarschijnlijk een leven te gemoet gaan

als de meeste Atheensche vrouwen? Dan moest het liever een jongen

wezen; zij zou hem met Simon opvoeden tot een godvreezend en flink

man; zij zouden hem steeds voorhouden wat Glaukos in de Ilias zegt,

dat zijn vader hèm bij zijn vertrek naar Troje heeft ingescherpt:

Altijd de eerste te zijn, uitstekende boven de andren.

Simon had haar dat voorgelezen en toen had ze dadelijk het vers in

haar geheugen geprent; dát was een mooie zinspreuk om een jongeling

op zijn levensweg mede te geven. En zij moest glimlachen, bespeurende

hoe de nog niet geboren knaap, die misschien een meisje zou wezen,

in hare verbeelding reeds jongeling geworden was! Zij stelde zich

toen weder het pasgeboren kind voor, hoe het kort na de geboorte om

den met kransen en loof versierden haard werd rondgedragen en hoe

het op den tienden dag een naam ontving, waarbij een groot feest

gehouden en geofferd werd aan de godheden wien meer bijzonder der

kinderen opvoeding en verpleging ter harte gingen. Op dat feest

brachten de gasten allerlei geschenken voor den jonggeborene mede:

gouden ringetjes, halve maantjes, zwaardjes, zilveren kettinkjes,

klappertjes en kokertjes, met een bijzonder soort zaadkorrels gevuld

tot afwering van toovermiddelen en bezweringen. Zij zelve had die

kleine zaakjes altijd zorgvuldig bewaard en was er steeds erg aan

gehecht geweest. En toen ze als jong meisje voor een paar jaar door die

zware ziekte was bezocht en reeds den zwarten sluier had aanschouwd,

dien de dood haar voorhield, had zij gevraagd dat al die dingetjes,

met haar poppen, in een mandje, door een platten steen bedekt,

op haar graf zouden geplaatst worden en dat men om dat mandje een

akanthos zou leiden; die zou dan mandje en steen met zijn gebladerte

omwelven en, naar ze stellig meende, zou dat geheel een bekoorlijken

aanblik opleveren. Zij wist niet hoe het kwam, maar zij had in dat

tijdvak, nacht op nacht slapeloos terneder liggend, altijd aan dat

mandje en dien akanthos gedacht en zich langzamerhand eene volkomen

duidelijke voorstelling van het geheel gemaakt: omgebogen bladeren

van verschillende hoogte zouden het voor het oog verscholen mandje

omgeven, terwijl een dier bladeren, krachtiger dan de overige zich

verheffend, op het midden van den deksteen als bloem zou ontluiken. Aan

den beeldhouwer Rhoikos had zij later die voorstelling medegedeeld;

hij had met belangstellende verbazing hare beschrijving aangehoord

en opgetogen uitgeroepen: «Maar kind! hoe komt ge daaraan? Dat is een

uitstekend motief voor een nieuwen kapiteelvorm!» Dat alles herinnerde

zij zich terwijl ze daar in haar kalme lichamelijke en geestelijke rust

zat te peinzen en plotseling, naarmate al die beelden uit vervlogen

dagen voor haren geest verrezen, herinnerde zij zich tevens iets dat

zij meende reeds lang vergeten te zijn: het grafschrift, door haar

vriendinnetje Erinna gedurende hare ziekte vervaardigd. Ja! zóó was

het; en half overluid, langzaam, droomerig, herhaalde zij de verzen,

één voor één weder opdoemend uit den nevel, die ze bedekte:

Zuilen die rijst op mijn graf en marmren Sirenen daarboven;

Doodsurn, gij die bedekt wat van mijn assche nog rest,

Brengt mijnen groet aan den wandlaar die hier aan deez' heuvel

voorbijgaat,

't Zij hij Athener zich prijst, 't zij hij als vreemdeling naakt.

Zegt hem ook dat deze tombe een doode maagd houdt omvangen,

Die zoo ongaarne verliet 't stralende licht van de zon;

Zegt hem dat men mij noemde Demetria; zegt dat Erinna

Op haar speelnootjes graf jammrend deez' letteren schreef.

Een geruisch deed haar omzien. Simon trad binnen. In Athene

teruggekeerd, had hij den moord der Perzische gezanten vernomen en de

overtuiging ontvangen, dat de thans onvermijdelijk geworden oorlog

zijn doodvonnis zou wezen. Doch, met ijzeren wil, was hij er in

geslaagd zich boven de omstandigheden te verheffen. «Wanneer ik het

leven laat,» had hij tot zichzelf gesproken, «zal dat leven hebben

kunnen strekken tot verdediging des vaderlands. En het vaderland

staat boven het huisgezin; het welzijn van den staat boven dat van

den enkelen mensch. Wat zijn wij, rampzalige stervelingen? Als de

bladeren, die afvallen en verdorren, zijn de kinderen der menschen;

spraak- en gevoelloos dwalen de schimmen der afgestorvenen rond,

tenzij er een Odysseus verschijne, die haar voor eene korte pooze het

bewustzijn weet te schenken. Het ware den mensch beter, aan hetgeen

voorbijgaat zijn hart niet te hechten.»

Doch toen hij Demetria aanschouwde, kwamen de laatste woorden hem

toch minder juist voor, dan toen hij ze zoo even in de eenzaamheid

had geuit.

Marathon · 第 13 / 19 题