Simon had de vergadering niet bijgewoond. Sedert eenigen tijd had hij
bespeurd, dat de goden hem niet, als vroeger, welgezind waren en ging
hij om met het denkbeeld dat hem eene groote, onafwendbare ramp boven
het hoofd hing. Het was begonnen op zijn huwelijksdag, toen de fakkels
van den bruiloftsstoet door den wind gebluscht waren. Het was sedert
altijd voortgegaan, telkens een schaduw werpend op zijn huwelijksleven,
hem herinnerend aan hetgeen hij zoo gaarne vergeten wilde. Dan eens was
het een vreemde, zwarte hond, die onverwachts zijne woning binnenliep;
of een balk, die zonder merkbare aanleiding kraakte; of een met wijn
gevulde beker, die plotseling werd omgeworpen. Het scheen als wilde de
godheid hem zelf allen zweem van twijfel ontnemen en hem overstelpen
met de zekerheid van hare ongenade. Simon verborg zooveel mogelijk
de groote droefenis, welke zich bij het waarnemen van al die veege
teekenen over hem uitstortte en beijverde zich Demetria te vrijwaren
voor alle invloeden, die de aanstaande geboorte van hun kind zouden
kunnen schaden, al was hij ook overtuigd dat hijzelf die geboorte
niet zou beleven.
Het gesprek, kort na zijn huwelijk met zijne vrouw gehouden, had goede
vruchten gedragen. Van dat oogenblik af, had het werktuigelijke hetwelk
de meeste Atheensche vrouwen in de behartiging der huishoudelijke
zaken kenmerkte, bij Demetria plaats gemaakt voor eene vreugdevolle
toewijding. In den aanvang hokte er hier en daar wel eens iets; het
koorn werd niet steeds dadelijk op de droogste, de wijn op de koelste
plaats van het huis in bewaring gebracht; het gebeurde wel eens dat
een slaaf en slavin vertrouwelijker omgang hadden dan in het belang
eener welvoegelijke dienstvervulling wenschelijk was; het kwam voor
dat Simon iets verlangde wat zich niet in huis bevond en er toch
behoorde te wezen. En Demetria, juist omdat zij er op gesteld was
alles goed te doen, voelde zich alsdan diep ongelukkig; zij bloosde
van verlegenheid en vreesde telkens dat Simon haar geheel ongeschikt
zou achten voor de eervolle taak, die hij haar had opgedragen. Simon
had de grootste moeite haar bij zulke gelegenheden te troosten en te
verzekeren, dat de wijsheid eerst met de ondervinding komt en ook de
jongeling meermalen faalt alvorens hij de mannelijke plichten naar
behooren weet te vervullen.
Demetria ontving vaak bezoeken van vriendinnen welke kwamen
uitvisschen, of zij met goed gevolg vóór den eersten huwelijksnacht
den door Solon voorgeschreven appel had genuttigd, die de
zekerheid moest verschaffen dat het huwelijk niet onvruchtbaar
zou blijven. Met verbazing vernamen deze de wijze waarop Simon het
huwelijksleven opvatte. Inwendig waren ze verschrikkelijk jaloersch,
doch tegenover elkander veinsden zij den man te beklagen, die op zoo
onverantwoordelijke wijze van alle gezag in huis afstand deed. «Dat
wordt een huishouden als van Alkinoös, den Phaiaken-koning. Ge weet
wel, toen Odysseus op Scheria geland was, zeide Athene tot hem dat
hij vooral zich eerst moest wenden tot de koningin Arete; Alkinoös
kwam er minder op aan. Maar zoo iets behoort toch eigenlijk niet
aldus te wezen.»
Simon en Demetria oordeelden het aldus uitstekend en te grooter was
dan ook het gevoel van weemoed hetwelk eerstgenoemde vervulde nu hij
voorzag, dat zijn geluk van zoo korten duur zou wezen. Hij had reeds
gepoogd zich omtrent de gezindheid der goden zekerheid te verschaffen;
in voorteekenen toch kon men zich vergissen en er waren zelfs lieden,
die er minder aan hechtten, maar de ondervinding bij een offer opgedaan
was betrouwbaarder. En zoo had hij voor eenige dagen zich opgemaakt om
een offer te brengen aan den oppergod, hopende dat Zeus het in genade
mocht aannemen, al had hij dan ook wellicht onwetend iets misdaan. Doch
terwijl men naar het altaar schreed, was hij gestruikeld en de
krans hem van het hoofd gevallen; van dat oogenblik af werd het offer
nutteloos, daar het toch door de godheid niet aanvaard zou worden. Nog
had hij eene laatste uitkomst gezocht en besloten zijne toevlucht te
nemen tot de mantiek, berustend op het beginsel dat de goden bewustheid
bezitten omtrent de toekomst en genegen zijn desgevraagd den twijfel
der hulpelooze stervelingen op te lossen. En zoo was het geschied dat
hij op den dag der volksvergadering zich buiten Athene had begeven,
overtuigd van alsdan in zijne raadpleging niet gestoord te zullen
worden. Hij had, in noordwestelijke richting gaande, den loop des
Kephissos eenigen tijd gevolgd tot hij, het olijvenwoud aan den oever
verlatend, eene kleine, licht glooiende vlakte had bereikt. Daar had
hij zich nedergezet, met het gelaat naar het Noorden, zoodat hem het
gunstige Oosten ter rechter-, het ongunstige Westen ter linkerzijde
was gelegen. Hij had bij zichzelf uitgemaakt dat de vogelvlucht hem de
gewenschte zekerheid zou verschaffen; de richting, door deze gevolgd,
zou hem het begeerde uitsluitsel geven. En zoo zat hij daar, vóór zich
starend in neerslachtige afwachting, vreezend wat komen zou, hopend,
in den aanvang althans, dat zich geen vogel zou vertoonen; dat was wel
niet een gunstige beschikking maar toch ook geen bepaald ongunstige
en liet nog eene kleine plaats open voor de hoop, die, naar hijzelf op
het feest van Pheidippides had betoogd, den stervelingen blijft schoon
al het andere hun ontging. Doch, naarmate hij langer wachtte en toen
geen vogel verscheen, ging hij anders denken. Neen! nog liever een
ongunstig teeken dan in het geheel geen. In het laatste geval toch
duurde de twijfel, die hem reeds zoo lang pijnigde, alweder voort;
hij gaf de voorkeur aan eindelijke zekerheid, zij het dan ook....
Daar hoorde hij achter zich, in het olijvenwoud, geritsel. Hij zag
om en bespeurde een lijster, die met kleine pasjes uit het bosch
trippelde, hier en daar een insect van den grond pikkend. Beiden, de
man en de vogel, bemerkten elkander in hetzelfde oogenblik en beiden
schrikten van elkander, de man wellicht het meest. De lijster sloeg
de vleugels uit en nam zijn vaart, snorrend vlak langs Simons gelaat,
in ongunstige richting, van links naar rechts.
Terwijl Simon niet ver van den Kephissos gezeten was en in Athene
het bloedige drama, zoo straks verhaald, werd afgespeeld, bevond
Demetria zich alleen in het vrouwenvertrek harer woning. Zij had
met een gebaar dat haar in den laatsten tijd eigen was geworden, de
handen over den schoot gevouwen en was verzonken in gepeinzen over
de toekomst. Maar die toekomst lag voor haar slechts weinige maanden
verder en de ééne, groote gebeurtenis, die te wachten stond, hield al
hare gedachten bezig. Zou dan ter deure worden uitgestoken een strook
wol, het teeken, in verband met de huiselijke bemoeiing der vrouw,
dat een meisje was geboren? Of wel zou het de olijftak wezen, symbool
van het toekomstig optreden des mans in het burgerlijk leven? Zij
hoopte bijna het eerste; zij voelde zich zóó zalig in haar rustig
geluk als zij zich niet kon voorstellen dat een man, met al zijne
bezigheden en beslommeringen, ooit zou kunnen wezen. Doch, aan den
anderen kant, zou hare dochter immer een echtgenoot kunnen vinden
gelijk Simon en niet hoogst waarschijnlijk een leven te gemoet gaan
als de meeste Atheensche vrouwen? Dan moest het liever een jongen
wezen; zij zou hem met Simon opvoeden tot een godvreezend en flink
man; zij zouden hem steeds voorhouden wat Glaukos in de Ilias zegt,
dat zijn vader hèm bij zijn vertrek naar Troje heeft ingescherpt:
Altijd de eerste te zijn, uitstekende boven de andren.
Simon had haar dat voorgelezen en toen had ze dadelijk het vers in
haar geheugen geprent; dát was een mooie zinspreuk om een jongeling
op zijn levensweg mede te geven. En zij moest glimlachen, bespeurende
hoe de nog niet geboren knaap, die misschien een meisje zou wezen,
in hare verbeelding reeds jongeling geworden was! Zij stelde zich
toen weder het pasgeboren kind voor, hoe het kort na de geboorte om
den met kransen en loof versierden haard werd rondgedragen en hoe
het op den tienden dag een naam ontving, waarbij een groot feest
gehouden en geofferd werd aan de godheden wien meer bijzonder der
kinderen opvoeding en verpleging ter harte gingen. Op dat feest
brachten de gasten allerlei geschenken voor den jonggeborene mede:
gouden ringetjes, halve maantjes, zwaardjes, zilveren kettinkjes,
klappertjes en kokertjes, met een bijzonder soort zaadkorrels gevuld
tot afwering van toovermiddelen en bezweringen. Zij zelve had die
kleine zaakjes altijd zorgvuldig bewaard en was er steeds erg aan
gehecht geweest. En toen ze als jong meisje voor een paar jaar door die
zware ziekte was bezocht en reeds den zwarten sluier had aanschouwd,
dien de dood haar voorhield, had zij gevraagd dat al die dingetjes,
met haar poppen, in een mandje, door een platten steen bedekt,
op haar graf zouden geplaatst worden en dat men om dat mandje een
akanthos zou leiden; die zou dan mandje en steen met zijn gebladerte
omwelven en, naar ze stellig meende, zou dat geheel een bekoorlijken
aanblik opleveren. Zij wist niet hoe het kwam, maar zij had in dat
tijdvak, nacht op nacht slapeloos terneder liggend, altijd aan dat
mandje en dien akanthos gedacht en zich langzamerhand eene volkomen
duidelijke voorstelling van het geheel gemaakt: omgebogen bladeren
van verschillende hoogte zouden het voor het oog verscholen mandje
omgeven, terwijl een dier bladeren, krachtiger dan de overige zich
verheffend, op het midden van den deksteen als bloem zou ontluiken. Aan
den beeldhouwer Rhoikos had zij later die voorstelling medegedeeld;
hij had met belangstellende verbazing hare beschrijving aangehoord
en opgetogen uitgeroepen: «Maar kind! hoe komt ge daaraan? Dat is een
uitstekend motief voor een nieuwen kapiteelvorm!» Dat alles herinnerde
zij zich terwijl ze daar in haar kalme lichamelijke en geestelijke rust
zat te peinzen en plotseling, naarmate al die beelden uit vervlogen
dagen voor haren geest verrezen, herinnerde zij zich tevens iets dat
zij meende reeds lang vergeten te zijn: het grafschrift, door haar
vriendinnetje Erinna gedurende hare ziekte vervaardigd. Ja! zóó was
het; en half overluid, langzaam, droomerig, herhaalde zij de verzen,
één voor één weder opdoemend uit den nevel, die ze bedekte:
Zuilen die rijst op mijn graf en marmren Sirenen daarboven;
Doodsurn, gij die bedekt wat van mijn assche nog rest,
Brengt mijnen groet aan den wandlaar die hier aan deez' heuvel
voorbijgaat,
't Zij hij Athener zich prijst, 't zij hij als vreemdeling naakt.
Zegt hem ook dat deze tombe een doode maagd houdt omvangen,
Die zoo ongaarne verliet 't stralende licht van de zon;
Zegt hem dat men mij noemde Demetria; zegt dat Erinna
Op haar speelnootjes graf jammrend deez' letteren schreef.
Een geruisch deed haar omzien. Simon trad binnen. In Athene
teruggekeerd, had hij den moord der Perzische gezanten vernomen en de
overtuiging ontvangen, dat de thans onvermijdelijk geworden oorlog
zijn doodvonnis zou wezen. Doch, met ijzeren wil, was hij er in
geslaagd zich boven de omstandigheden te verheffen. «Wanneer ik het
leven laat,» had hij tot zichzelf gesproken, «zal dat leven hebben
kunnen strekken tot verdediging des vaderlands. En het vaderland
staat boven het huisgezin; het welzijn van den staat boven dat van
den enkelen mensch. Wat zijn wij, rampzalige stervelingen? Als de
bladeren, die afvallen en verdorren, zijn de kinderen der menschen;
spraak- en gevoelloos dwalen de schimmen der afgestorvenen rond,
tenzij er een Odysseus verschijne, die haar voor eene korte pooze het
bewustzijn weet te schenken. Het ware den mensch beter, aan hetgeen
voorbijgaat zijn hart niet te hechten.»
Doch toen hij Demetria aanschouwde, kwamen de laatste woorden hem
toch minder juist voor, dan toen hij ze zoo even in de eenzaamheid
had geuit.