De verwachting werd niet teleurgesteld; Aischylos' dichtwerk behaalde
den eersten prijs. Doch ernstiger gebeurtenissen hadden intusschen
haar beslag gekregen.
De krijgstoerustingen der Perzen waren voltooid. Een leger
van honderdduizend voetknechten en tienduizend ruiters was
bijeengebracht. Zeshonderd galeien en tal van transportschepen voor
het overbrengen der paarden lagen in de Cilicische havens tot vertrek
gereed. De veldtocht gold in de eerste plaats Athene, dat voor korte
jaren den Ionischen opstand gesteund en Sardes in de asch gelegd, dat
geweigerd had den verbannen Hippias op des grooten konings bevel weder
op te nemen. Doch het gold meer dan eene expeditie tegen Athene alleen;
het was Azië, dat tegen Europa, het Oosten, dat tegen het Westen werd
opgejaagd met onweerstaanbaar geweld, zooals in tegenovergestelde
richting voor eeuwen Agamemnon zijne vloten had gevoerd en, anderhalve
eeuw later, Alexander zijn legerscharen wederom zou leiden. Het
gold geheel Hellas, verdeeld in eigen boezem, gewest tegen gewest,
partij tegen partij; Athene slechts noode de hegemonie van Sparta
erkennend door zijne hulp in te roepen tegen Aigina; Thebe en Aigina
vereenigd tegen Athene en dit zelf eene minderheid huisvestend, die
reikhalzend naar Perzië en Hippias uitzag. Alvorens dan ook in zee
te steken, hadden de Perzische bevelhebbers, Datis en Artaphernes,
gezanten naar de verschillende Helleensche staten afgevaardigd,
ten einde te trachten zonder de oorlogskans te wagen de wenschen van
Perzië te doen inwilligen.
Ook te Athene waren de Perzische boden verschenen en het volk was ter
vergadering opgeroepen om hunne voorstellen te hooren. Vier dagen
van te voren was naar gewoonte op de agora het onderwerp dat in de
bijeenkomst ter sprake zou komen schriftelijk bekend gemaakt en in
breede scharen hadden de Atheners zich naar de Pnyx begeven om de
woorden der vreemdelingen te hooren. De heuvel, met zijn steenen tegen
den rotswand aangebracht spreekgestoelte, met zijn eveneens steenen,
gedeeltelijk in de rots uitgehouwen zitplaatsen, was gevuld met eene
tallooze menigte. Levendige gesprekken, met niet minder levendige
gebaren gepaard, werden alom gevoerd, in één geest, den geest van
verzet, want de vertegenwoordigers der Perzische partij, voor zoover
zij hadden durven verschijnen, hoedden zich wel hunne ware gevoelens
te doen blijken. De ouderen verhaalden van de verdrukking waaronder
Athene gezucht had gedurende de laatste jaren van Hippias' bewind,
na de vermoording zijns broeders; sommigen wisten te vertellen dat
de gezanten pogingen tot omkooping van Atheensche burgers hadden
in het werk gesteld; allen waren het eens dat, al zou Hippias de
voortreffelijkste vorst ter wereld geweest zijn, men hem in geen geval
uit de handen eener vreemde mogendheid wilde aanvaarden. Maar het
gewoel verstomde toen, nadat de vereischte godsdienstige plechtigheden
waren verricht, de Perzen, door de commissie der prytanen begeleid
en vergezeld van een tolk, binnentraden: twee waardige gestalten,
in het lange nationale gewaad, met zwarten baard en zwarte oogen. Van
alle zijden richtten zich de vijandige blikken der Atheners op hen,
doch rustig en waardig verdroegen zij die, in het vertrouwen op hunne
volkenrechtelijke onschendbaarheid. Eindelijk weerklonk het «Stilte!»
van den gerechtsdienaar en de vergadering nam een aanvang.
Een der prytanen verhief zich en las aan het volk voor waartoe het
bijeengeroepen was, met de mededeeling, dat de gezanten des grooten
konings zelve diens voorstellen zouden uiteenzetten. En een hunner
nam het woord; hij betrad het spreekgestoelte en begon eene rede,
langzaam en doordacht, zijne woorden zorgvuldig kiezend ten einde
's konings eischen klem bij te zetten en toch het zoo prikkelbare
gemoed der Atheners niet te ontstemmen. Naarmate hij sprak, werden
zijne woorden door den tolk aan de vergadering in de Helleensche
taal overgebracht. Hij verhaalde van de vriendschap, die in vroeger
eeuwen tusschen Athene en Perzië bestaan had en nog bestaan zou,
wanneer eerstgenoemde staat zich niet te kwader ure in den Ionischen
opstand gemengd had, een opstand, die trouwens spoedig was bedwongen
en de onmetelijke macht van Perzië opnieuw in een helder licht had
gesteld. Het was daarom dat de groote koning waarborgen verlangde,
dat de vroegere vriendschappelijke verhouding hersteld en bewaard
zou worden; waarborgen, welke hij alleen meende te kunnen verkrijgen
wanneer Athene er in toestemde wederom aan zijn hoofd te plaatsen
den telg uit het geslacht van Peisistratos, met welk geslacht de
Perzische koningen steeds in vrede en goede verstandhouding hadden
geleefd. In welgekozen bewoordingen schilderde de gezant alles wat
Athene aan Peisistratos en diens zonen te danken had: de oprichting van
tempels en praalgebouwen, de instelling eener openbare bibliotheek, de
rangschikking der verstrooide gedichten van Homeros. Indien Hippias'
bestuur in de latere jaren strenger was geweest dan voorheen, moest
zulks uitsluitend geweten worden aan den verraderlijken moord, op zijn
broeder Hipparchos gepleegd. Athene zou dus wèl doen aan zijn hoofd
wederom een vorst te stellen, die getoond had de belangen des staats
zoo uitmuntend te kunnen behartigen, terwijl een éénhoofdig bestuur
buitendien verre te verkiezen was boven de democratie, welke het
volk blootstelt aan de baatzuchtige inzichten van telkens wisselende
leiders. En opdat blijken mocht dat Athene zijne fouten erkende
en berouw gevoelde over zijn in de laatste jaren tegenover Perzië
gevolgd gedrag, eischte Dareios, dat hem de hulde van aarde en water
zou gebracht worden, als symbool van onderwerping en boete. Mocht
het Atheensche volk weigerachtig blijken, dan zou de koning niet
aarzelen het onverwijld aan te tasten met de geweldige vloot en het
ontzagwekkende leger, die in de havens van Klein-Azië slechts op een
wenk wachtten om te vertrekken.
Met moeite had de Pers zijne rede kunnen voltooien. Telkens, zoo
vaak de tolk eene zinsnede in het Helleensch had herhaald, steeg een
langgerekte kreet ten hemel, een kreet, die langzamerhand van aard
veranderde en, in den aanvang verbazing en afkeuring te kennen gevend,
weldra in eene uiting van toorn en verbolgenheid overging. «Weg
met de mannen, die zulke voorstellen durven doen!» «Jaagt ze ter
vergadering uit!» «Wie is de schurk, die het waagt dergelijke woorden
te vertolken? Een Athener toch niet?» En de vijandige gezindheid
waarmede de gezanten ontvangen waren, werd uitgebreid tot den tolk,
in wien sommigen een Athener herkenden, die na tal van niet zeer
eervolle avonturen gedwongen was geweest de stad te verlaten en sedert
in verschillende streken had rondgezworven. De man zelf, de geaardheid
zijner landgenooten kennend en wetend waartoe zij in oogenblikken van
overprikkeling in staat konden zijn, ving aan benauwde blikken om zich
heen te werpen en wisselde eenige fluisterende woorden met de Perzen,
die kalm en deftig rondzagen, vertrouwend op hunne onschendbaarheid.
Maar wederom gebood de gerechtsdienaar stilte en vroeg wie der
aanwezigen naar aanleiding van het gesprokene het woord verlangde. Toen
verhief zich van zijn steenen zetel een bedaard, ernstig man van
middelbaren leeftijd, Aristeides, de zoon van Lysimachos, vriend van
Kleisthenes, den grondlegger der Atheensche democratie, doch zelf tot
de aristocratische partij behoorend. Men kende hem alom als een man
van onkreukbare trouw, die bij al zijne handelingen slechts het heil
van het vaderland, geenszins het eigen belang op het oog had, met een
buitengewoon ontwikkelden zin voor orde en recht en een aangeboren
afkeer van onwaarheid en onredelijkheid. Hij was geen buitengewoon
redenaar en gebruikte weinig woorden, doch het volk wist, dat het hem
geheel en ten volle kon vertrouwen en dat achter geen enkel woord,
door hem gesproken, eene andere beteekenis moest gezocht worden dan
het in aller ooren had. Aristeides dan, na een krans op het hoofd
geplaatst te hebben, betrad het steenen gestoelte en sprak aldus het
verzamelde volk toe:
«Zoo gij, Atheners, heden ter vergadering zijt opgeroepen, is het
niet om aan te nemen wat den koning het best zal behagen, maar om te
besluiten wat aan Athene het meest baat zal brengen. En dan schijnt het
mij toe, dat de voorstellen van den Perzischen gezant niet behooren te
worden goedgekeurd. Athene heeft Hippias verjaagd omdat het den druk
der tyrannis niet langer wenschte te dragen en vrij wilde zijn. Het
heeft den Ionischen opstand gesteund om den oorlog af te wenden,
die het toen reeds van de zijde van Perzië dreigde. Wat betreft de
hulde van aarde en water, die ten teeken van onderwerping geeischt
wordt, Athene heeft geenszins zoo kort geleden een juk afgeworpen
om zich gewillig te buigen voor den eerste, die het een ander
aanbiedt. Wanneer men de vrije keus bezit, is het voorzeker onzinnig
den oorlog te kiezen, maar als men dien slechts vermijden kan door
zich voor eene vreemde natie te vernederen, verdient hij blaam, die
het gevaar ontvliedt, niet hij, die het zonder vrees aanvaardt. Dit is
naar het mij toeschijnt het antwoord, dat op de Perzische voorstellen
dient gegeven te worden; het eenige dat Athene waardig is.»
De aanwezigen juichten den spreker luide toe. Aristeides had
zonder omhaal en oratorisch vertoon het gevoelen van schier de
geheele vergadering kort en duidelijk weergegeven. Eigenlijk
had de beraadslaging hiermede geëindigd kunnen wezen, doch, de
bijvalsbetuigingen vernemend, die Aristeides ten deel vielen, stond een
ander op, eenige jaren jonger dan de vorige spreker, met een geestig
gelaat en levendige trekken, onrustig en bewegelijk. Themistokles
heette hij, de zoon van Neokles, vurig democraat, in talenten en
vindingrijkheid Aristeides' meerdere, in rechtschapenheid bij hem
achter staande. Ook hij beoogde het heil des vaderlands, niet echter
in de eerste plaats omdat het vaderland daar wel bij voer, maar
omdat het hem persoonlijk aanzien verschafte. Men wist dan ook dat
men veel van hem te wachten, niet daarentegen of men meer van hem te
hopen dan te vreezen had, al kon hij reeds met zelfvoldoening wijzen
op den aanleg van den Peiraios, de grootsche haven waarvan het plan
door hem was opgevat en uitgevoerd. Maar bij al zijne handelingen gaf
de eerzucht steeds den doorslag en niemand kon voorspellen waartoe
die hem nog zou voeren.
Den krans der redenaars op het hoofd ving Themistokles met radde
tong aan:
«Wat dunkt u, mannen, van de verwatenheid des konings, die meent
aan Athene te kunnen voorschrijven wat het te doen, wat het te laten
hebbe? En wanneer wij mochten weigeren dan dreigt ons eene kastijding,
als waren wij kinderen, die door den vader gestraft worden! Wij zouden
Hippias weder in ons midden ontvangen! Herinnert ge u,» ging hij voort,
met groote vaardigheid een paar Atheners uit de lagere klasse in het
oog vattend, «herinnert ge u, Charondas en gij, Drakyllos, hoe wij
als knapen voor vier-en-twintig jaren getuigen waren van Hipparchos'
dood? Juist!» vervolgde hij, toen de beide aangesprokenen hem met
fonkelende blikken toeknikten, «wij zagen hem vallen en wij zagen
ook Harmodios vallen en hoorden later dat Aristogeiton gevangen
genomen en ook gedood was. Ziet ge, Drakyllos en Charondas, dat
aanschouwden en dat hoorden wij en nu vragen die twee mannen dáár,
dat we dat alles vergeten en den broeder van Hipparchos, al dien
tijd van wraakgierige gedachten vervuld, wederom als tiran zullen
aanvaarden. Onze democratie zou achterstaan bij een eenhoofdig
bestuur! Ik heb wel eens hooren verhalen dat de Perzen, wanneer hun
koning verschijnt, zich op het aangezicht werpen, als konden ze den
glans, die van hem uitstraalt, niet verdragen. Welaan, Atheners,
schijnt zulk een regeeringsvorm u fraaier toe dan de democratie,
waarin de geringste man tot de aanzienlijkste ambten kan geroepen
worden? En wilt ge dat ik u nog iets zegge? Er bevinden zich hier
in de stad een zeker aantal slechte lieden--ik geloof niet eens dat
ze Atheners zijn, al nemen zij er ook den schijn van aan. Welnu,
die lieden--ze kunnen geen Atheners zijn!--zouden Hippias wel gaarne
terugzien en waarom, denkt ge? Omdat alsdan de brave en fatsoenlijke
mannen, die thans archon en rechter en strateeg en prytaan zijn, zouden
afgezet worden en zij zelve in hunne plaats komen! Zoo is het en tot
wie denkt ge dat de Perzische gezanten, toen zij voor eenige dagen
binnen Athene kwamen, het eerst zijn gegaan? Tot die slechte menschen,
die Hippias terug willen hebben, en zij hebben hun geld gegeven om
te maken dat zij in de volksvergadering vóór hunne voorstellen zouden
stemmen.» Hier zag ieder der aanwezigen wantrouwend zijn buurman aan,
vreezende dat wellicht zulk een slechte kerel, met Perzisch geld
in den buidel, naast hem stond. «Maar nu hebben zij zich, den goden
zij dank! een paar malen vergist en zich vervoegd bij goede burgers,
meenende dat ze óók met vrienden van Hippias te doen hadden. En die
goede burgers hebben zich gehouden of zij dat ook waren en het geld
ontvangen--spreek ik de waarheid, Euboulides en Charikles?» Wederom
richtte zijn levendig oog zich op een paar onaanzienlijke Atheners, die
aanstonds zich beijverden zijne woorden door een herhaald hoofdknikken
te bevestigen. «Ge ziet het, Atheners!--maar Charikles en Euboulides,
die brave burgers zijn, geen vrienden van den koning en van Hippias,
zooals die anderen, zijn gisteren tot mij gekomen en hebben gezegd:
«Themistokles, wij zijn eenvoudige burgers, kleine kramers, niet gewoon
in de volksvertegenwoordiging het woord te voeren. En daarom komen wij
u vragen, of gij morgen aan de Atheners zoudt willen mededeelen wat die
Perzen tot ons gezegd hebben en wat zij ons hebben geschonken.» Dat
hebben die brave burgers tot mij gezegd, Atheners, en dat deel ik u
thans mede, want zij zelve zijn eenvoudige lieden, niet welbespraakt,
en beschroomd om het woord te voeren.»
De bedoelde brave burgers, Euboulides en Charikles, knikten maar
steeds voort, met een verbazenden ijver. Misschien bevonden er zich
onder de aanwezigen, die den indruk kregen dat zij al te ijverig
waren en die, in verband met de bekende geringe schroomvalligheid van
Themistokles waar het gold middelen te kiezen om een groot doel te
bereiken, eenigen twijfel begonnen te koesteren omtrent de algeheele
geloofwaardigheid van het door hem medegedeelde. Maar hoe het ook
zij, het doel werd bereikt en wellicht overtroffen ook in het oog van
Themistokles zelf, mocht dan ook de Helleen het beginsel huldigen:
doe den vriend zooveel goed, den vijand zooveel kwaad als ge slechts
kunt. Woeste kreten van gramschap en verontwaardiging weerklonken uit
de opeengehoopte menschenmassa. Dreigende vuisten verhieven zich in
de lucht; hier en daar werd een stok met onheilspellend gebaar omhoog
geheven en wraakzuchtig drong men op de beide Perzen, die in statige
houding naast elkander stonden, onbewust van het naderend gevaar. Van
Themistokles' rede hadden zij geen woord verstaan; immers de tolk, bij
den aanvang dier rede voorziende hoe de zaken loopen zouden, had zich
op handige wijze bij tijds onder de menigte geschoven en uit de voeten
gemaakt. Nu zagen zij de wilde, onstuimige bende op zich aandringen,
de voorsten aarzelend, terugdeinzend voor hetgeen zij voorzagen dat
te gebeuren stond wanneer men de Perzen zou bereikt hebben, doch niet
ongaarne voortgestuwd door de volgenden, die begrepen dat het bloed,
mocht het vergoten worden, niet op hun hoofd zou neerkomen. En de
beide bleeke, zwartgebaarde mannen staarden met hunne donkere oogen
dat alles verwonderd aan, steeds overtuigd dat hun, den gezanten,
geen haar zou gedeerd worden; toch langzamerhand vervuld van een vagen
angst, zich heel verlaten voelend op die vreemde plaats, met al die
onbekende, razende menschen, die hen als wilde dieren aanstaarden,
zonder dat zij begrepen waarom.
Prytanen, gerechtsdienaars, lexiarchen en boogschutters der politie,
die het volk, zij het dan ook wellicht met weinig overtuiging,
trachtten terug te houden, werden op zij gedrongen. Instinctmatig
hadden de Perzen zich, toen zij eindelijk zagen dat het hun leven
gold, tegen elkander gedrukt en de hand op het gevest hunner kromme
sabels gelegd. Doch, gelijk een tot den rand gevulde beker slechts dan
zijn vocht niet uitstort wanneer alles rondom volkomen onbewegelijk
blijft, en overloopt zoodra die onbewegelijkheid in het minst wordt
verstoord, zoo ook was deze beweging het sein tot de slachting. Het
is later nooit gebleken wie den eersten slag toebracht. Maar toen die
gevallen was, gevoelde een ieder zich ontslagen van wat hem nog aan
zelfbedwang beteugelde en allen wilden den rampzaligen met beestachtige
verscheuringswoede te lijf. In een omzien waren de mannen vaneen
gescheiden en gaf op twee plaatsen eene verwarde opeenhooping van over
en op elkander liggende menschelijke lichamen te kennen, waar de gruwel
werd volvoerd. Geen geluid kwam meer voort uit de kelen, die zoo even
gilden en brulden; nu de ziedende wraakzucht zich kon uiten in daden,
had men aan kreten niet langer behoefte. En zij, die te verwijderd
waren om een werkdadig aandeel te nemen in den moord, drongen in
radelooze teleurstelling op om ten minste te mogen aanschouwen hoe
die twee ellendigen daar werden afgemaakt met vuisten en voeten
en knuppels, terwijl hun gelaat nog eene uitdrukking van pijnlijke
verbazing vertoonde, daar ze niet wisten wat ze hadden misdaan.
Maar eene stem riep: «Naar het barathron!» En het brullen en gillen
ving aan op nieuw, nu men bespeurde dat er eigenlijk niet meer te
slaan en te schoppen viel, dat men reeds geruimen tijd bezig was te
beuken en te trappen op doode lichamen. Met een ijzingwekkend gejuil
werden de beide lijken bij de beenen gegrepen en voortgesleept. Nu
kregen de anderen ook wat te zien; het grauw week uit om den doortocht
vrij te laten en zij, die niet mede hadden mogen slachten, konden
nu naast de dooden voortdraven en genieten hoe ze gehotst werden
over den grond, van de Pnyx naar beneden en verder en verder,
in hun lange gewaden, die onder het sleuren de beenen vrijlieten,
borst en gelaat bedekkend. Zoo ging het voort in een wilde jacht,
nu en dan een oogenblik ophoudend als het voorste gedeelte van den
stoet een nauwer straatje insloeg en dan grijnzend en prettig zich
nog eens buigend over de mishandelde lijken, elkander opdringend
en wegduwend en op zij stootend. Dan weer verder, steeds wassend in
aantal, een afschuwelijke tocht onder den gloeienden, zonnigen hemel,
stofwolken omhoog jagend, hijgend en heesch.
Men was aangekomen in een armoedige buitenwijk. Daar bevond zich het
barathron, de boevenkuil, een rotskloof waarin ter dood gebrachte
misdadigers geworpen werden. Daarin werd ook gesmeten wat van de
Perzische gezanten over was en de menigte keerde huiswaarts, tevreden
en ontspannen.