Toen Simon zich den volgenden dag naar de woning van Timotheos wilde
begeven, zag hij in de verte eene vrij groote volksmenigte, die zich
voor het huis zijner aanstaande verdrong. Nader komende bespeurde hij,
dat het aanzienlijkste gedeelte daarvan uit knapen bestond, die met
de grootste aandacht getuigen waren van een door Demetria's beide
broertjes, Philoxenos en Amynias, georganiseerd hanengevecht. Ieder
had zijn eigen haan vooraf met knoflook gevoederd, ten einde hem des
te strijdlustiger te maken en op het oogenblik waarop Simon verscheen,
had juist een der beide dieren, dat van Amynias, zijn tegenstander
zóó toegetakeld, dat het arme beest meer dood dan levend ter aarde
stortte. Amynias jubelde luid terwijl Philoxenos, zijn gehavenden
haan onder den arm medenemend, afdroop, onderwijl het dier op eene
vervaarlijke wijze in het oor schreeuwend, opdat het niets vernemen
zou van het triomfgekraai zijns overwinnaars.
De toeschouwers verdwenen en Simon wenschte Amynias geluk met
de zegepraal zijns haans, waarop de jongen met tintelende oogen
antwoordde: «Ziet ge wel dat de mijne het gewonnen heeft? Philoxenos
zeide dat het niet mogelijk was, omdat hij den zijnen Achilleus genoemd
heeft en ik den mijnen Hektor. Maar ik houd ook veel van Hektor; hij
was de eenige van Helena's zwagers, die nooit een hard woord tegen
haar zei.» Simon lachte nog om de aardige opmerking, toen hij eene
breede bloedstreep op het voorhoofd van het knaapje bemerkte en vroeg,
waaraan die te wijten was. Amynias legde het hem uit: «Wij hebben een
grappig spel gespeeld; een met lucht gevulden ledigen wijnzak hebben
wij met vet ingesmeerd en zijn er toen op gesprongen; hij, wien het
gelukte er vasten voet op te verkrijgen en te behouden, zou een krans
ontvangen. En toen ben ik naar beneden gebuiteld en heb me bezeerd.»
«Houdt dan,» vroeg Simon, «uw vader of de paidagoog bij uw spelen
geen toezicht?» «Neen,» antwoordde de knaap, «vader bemoeit zich
nooit met ons en de paidagoog is een oude suffer, dien we wegjagen
als we gaan spelen.» Simon begreep er alles van: de goede Timotheos,
in zijn huwelijksjaren door zijn vrouw voortdurend op den achtergrond
geplaatst, was ten gevolge daarvan in een half wezenloozen toestand
geraakt, die hem alle huiselijke bemoeiingen zooveel mogelijk deed
schuwen. En wat den paidagoog betreft, deze met het opzicht over de
jongens belaste persoon was, als in de meeste Atheensche huisgezinnen,
een slaaf, voor andere diensten onbruikbaar, doch hiertoe nog in
staat geoordeeld. Het was dus niet te verwonderen, dat de knapen
bitter weinig ontzag voor hem bezaten en hetzij door bedreigingen,
hetzij door giften, den man steeds wisten over te halen hunne streken
niet te verklappen.
Dienzelfden middag had de maaltijd van Pheidippides plaats waarop
Simon, Kynaigeiros en Straton genoodigd waren. Zij verschenen ter
bestemder ure, de vijfentwintigjarige Kynaigeiros, een jongere broeder
van Aischylos, van athletische gestalte en verbazende spierkracht,
een trouw bezoeker van het gymnasion; en Straton, vijf jaren jonger,
tenger en fijn besneden als Pheidippides, diens trouwe gezel bij
allerlei soort van vermaak. Men ontdeed zich van de sandalen en
besteeg de divans waarop men twee aan twee aanlag en die, even hoog
als de tafel, met behulp eener voetbank beklommen werden. De slaven
goten water over de handen der gasten en nadat men den Paian ter eere
van Apollon gezongen had, nam het feest een aanvang. In den beginne
ging alles rustig toe; onder den eigenlijken maaltijd werd geen wijn
gedronken, zoodat de gesprekken zich vooralsnog door geen bijzondere
luidruchtigheid onderscheidden. Men redeneerde druk over den te
verwachten oorlog met Perzië, thans boven allen twijfel verheven;
Hippias, de verjaagde Atheensche tiran, de zoon van Peisistratos,
die nu reeds negentien jaren lang de Perzische gastvrijheid genoot,
zou in persoon het invasieleger vergezellen ten einde de vernedering
zijns vaderlands te kunnen aanschouwen en de verloren heerschappij
weder te aanvaarden. De groote man was hier Kynaigeiros, die zich
had opgehouden in den Thrakischen Chersonesos; de Athener Miltiades
had daar als tiran geheerscht en Kynaigeiros' vader, Euphorion, was
een zijner legerhoofden geweest. Hij had toen als achtjarige knaap
den inval van Dareios in Thrakië bijgewoond, die een onvergetelijken
indruk op hem gemaakt had. «Ik herinner mij alles nog levendig,»
verhaalde hij; «dagen achtereen liepen wij jongens naar den heirweg
om het Perzische leger te zien voorbij trekken; er kwam geen eind
aan. Het was een prachtig gezicht, al die schitterende oostersche
kleederdrachten; zeven- of achthonderdduizend man waren het wel. Maar
de ouderen vonden het minder mooi; er bleef niets heel op hun weg en
wat ze niet noodig hadden voor onderhoud werd uit brooddronkenheid
vernield en verbrand door de half wilde stammen, die met hen mee
trokken.» «En zagen ze er zoo verschrikkelijk uit als men zegt?»
vroeg Simon. «Ze maakten indruk genoeg,» was het antwoord. «Doch mijn
vader heb ik wel eens hooren zeggen, dat hij meer uit zou voeren
met duizend Hellenen dan met tienduizend Perzen. Zulk een leger,
zeide hij, is wel een groote massa maar geen eenheid en de Perzische
krijgslieden vechten alleen werktuigelijk, zonder hooger beginsel en
kennen alleen hun koning, geen vaderland, zoodat ze dan ook vaak met
zweepslagen in het gevecht moeten gebracht worden.» «Men behoorde,»
meende Pheidippides, «Miltiades tot strateeg te kiezen; hij kent de
vechtwijze der Perzen beter dan iemand anders.» «Miltiades strateeg!»
viel Straton in. «Daarvoor mogen ons de goden behoeden. Een man die
twintig jaar lang als tiran in den Chersonesos heeft geheerscht en
als vreemdeling in Athene terug is gekeerd, omdat de Chersonesos
te dicht bij Perzië lag! Herinnert ge u hoe hij terugkwam, met zijn
eigen oorlogsschepen, zijn eigen lijfwacht en zijn eigen schatten en
hoe hij aan wal stapte, trotsch als een koning, met zijn vrouw, een
Thrakische prinses, even fier als hijzelf? En wat heeft hij sedert
gedaan om de toegenegenheid der Atheners te verwerven? Hij leeft
teruggetrokken en ongenaakbaar en ziet uit de hoogte op de burgers
neder.» «Het is waar,» zeide Kynaigeiros, «en toch zullen wij, als de
ure daar is, Miltiades niet kunnen ontberen. Bij zulk een man behoort
men sommige uiterlijkheden over het hoofd te zien en alleen te letten
op zijn groote verdiensten en buitengewone talenten. Zijt ge vergeten
op hoe schitterende wijze hij zich kort na zijn terugkeer tegen de
aanklacht van tyrannis verdedigde, door er op te wijzen hoe hij het
vruchtbare en volkrijke schiereiland aan den Hellespont, waar zijn
oom en broeder zelfstandig geheerscht hadden, van een familiebezit
tot een eigendom van het Atheensche volk gemaakt heeft; hoe hij het
was, die tijdens den Ionischen opstand het omvangrijke en gewichtige
Lemnos voor Athene veroverde; hoe hij alleen van alle Hellenen tegen
Dareios is opgetreden en reeds aan den Istros den belager van Hellas
aan den rand des verderfs heeft gebracht? Bovendien zou ik gaarne
Miltiades tot strateeg gekozen zien omdat hij zulk een schoon man
is en het aanschouwen der schoonheid de menschen ongetwijfeld in
alle opzichten voortreffelijker en dus ook onversaagder maakt.»
«Althans wanneer schoonheid met jeugd gepaard gaat,» meende Straton,
«hetgeen bij Miltiades niet het geval is.» «Waartoe dat?» vroeg
Kynaigeiros. «Iedere leeftijd bezit zijn eigenaardige schoonheid,
hetgeen blijkt uit de omstandigheid dat men voor twijgdragers bij de
Panathenaien de schoonste grijsaards pleegt te kiezen, als om te kennen
te geven dat de schoonheid door geene jaren gebonden is.» «En toch,»
zeide Straton, «doet het mij leed dat Miltiades van de aanklacht van
tyrannis vrijgesproken is en hoop ik dat hij althans niet tot strateeg
zal gekozen worden. Ik acht het gevaarlijk, nu Athene eerst zoo kort
geleden zijn eigen tirannen gedood of verjaagd heeft, een voormalig
tiran van den Chersonesos dusdanige macht in handen te geven en vrees
dat de met zooveel moeite bevochten vrijheid daardoor wel eens groot
gevaar zou kunnen loopen.» «Ik deel uwe vrees niet,» merkte Simon
op. «Op zichzelf toch is iedere regeeringsvorm rechtvaardig, hetzij
democratie of oligarchie of tyrannis; het is alleen de vraag op welke
wijze de algemeene belangen het best bevorderd worden. Athene nu is,
naar onze voorvaderen terecht gemeend hebben, het best gediend door
de democratie en die democratie werd door Kleisthenes, den goden zij
dank! op zóó hechte grondslagen gevestigd, dat men zich omtrent de
vastheid van haar bestaan niet bevreesd behoeft te maken.» Pheidippides
was het met hem eens en voegde er nog een aardig verhaal bij om te
bewijzen, hoe de overdreven vrees voor de tyrannis den Atheners nog
in merg en been zat. «Onlangs op de vischmarkt zijnde, drentelde
ik voorbij een tweetal kraampjes; in het eene werd de goedkoope
en onaanzienlijke sprot, in het tweede de dure en voorname thonijn
verkocht. Een goedgekleed Athener was bezig zich in het eerste kraampje
te voorzien, hetgeen den argwaan opwekte van twee waterdragers, die
elkander aanstootend opmerkten: «Die rijkaard dáár koopt armeluisvisch
om zich populair te maken; die staat zeker naar de tyrannis.» Een
oogenblik later zag ik een anderen goedgekleeden Athener, die in het
tweede kraampje thonijn en veel thonijn kocht. «Kijk eens!» mompelde
een tweetal ezeldrijvers in zijne nabijheid, «al die thonijn is zeker
bestemd voor een tirannenmaal, waar men zal beramen op welke wijze
het Atheensche volk weder tot slavernij zal kunnen worden gebracht.»»
Men lachte hartelijk om het verhaal en behalve Straton waren allen
het eens, dat Miltiades ondanks zijn eigenaardigheden de man was, die
bij den aanstaanden oorlog de hoofdrol behoorde te spelen, om zijn
veldheerstalenten, zijn kennis van Perzische militaire toestanden
en zijn ontzag inboezemend optreden, te onmisbaarder waar zich in
Athene, als in de meeste Helleensche steden, eene niet te verachten
Perzischgezinde partij bevond, die slechts een gunstig oogenblik
wachtte om het masker af te werpen. Allen lieten zich onderwijl de
verschillende gerechten goed smaken, nu en dan de handen afdrogend
aan groote sneden brood, die vervolgens aan des gastheers grooten
hond werden toegeworpen en gretig verzwolgen. De Kopaïsche paling
vooral wekte de algemeene bewondering op en bracht zelfs door zijne
schoonheid Straton in een tragische geestvervoering; hij verhief
zich halverwege van zijn zetel, zette den krans op het hoofd recht
en declameerde met parodieering van eenige verzen uit een treurspel
tot den gebakken visch:
Eêlste der vijftig dochtren, der Kopaïsche,
Gij, zoo langdurig en zoo vuriglijk begeerd,
Kom aan mijn boezem!
Maar de maaltijd liep ten einde; men waschte op nieuw de handen,
het nagerecht werd opgedragen en het drinkgelag ving aan. Vooraf
behoorde een symposiarch, die de leiding daarvan op zich nam, gekozen
te worden en het lot wees den zoon van Panaitios daartoe aan. «Een
dronk op den goeden geest,» aldus begon hij en allen ledigden een
beker ongemengden wijn op Dionysos, den schenker des wijnstoks,
waarop drie plengingen plaats hadden ter eere van de Olympische goden,
de heroën en den reddenden Zeus. Daarna werd met drie deelen water
vermengde wijn door de slaven rondgediend en luid geprezen. «Hij
houdt zijn drie deelen goed,» zeide Straton, «en het honigdeeg dat
hem zijn geur verleent, is op het juiste oogenblik onder het gisten
met den wijn vermengd.» «Deze wijn,» liet Pheidippides volgen, «dank
ik aan mijn vader, die mij steeds op voldoende wijze van dit vocht
voorziet. Maar overigens is hij lang zoo vrijgevig niet meer als
vroeger en het kost mij in den laatsten tijd genoeg moeite mijzelf
nu en dan eene gepaste ontspanning te verschaffen.» Hij achtte het
onkiesch den gasten mede te deelen dat zij zooeven zijn laatsten
harddraver in hunne maag hadden doen verdwijnen, doch maakte er
geen geheim van dat hij zijn voorlaatsten van de hand had gedaan,
teneinde de gunsten der bevallige Antheia deelachtig te worden. En
Straton gaf hem daarin ten volle gelijk; deze schoone toch, een
lieveling der Chariten, was de grootste opofferingen waard, want
niemand verstond het beter dan zij den rozenkrans der vreugde om
het voorhoofd harer aanbidders te strengelen. Simon echter kwam met
kracht tegen deze beschouwing op; hij was nog ten volle den goeden,
strengen, ouden begrippen toegedaan en ergerde zich voortdurend over
het steeds toenemend aantal hetairen. «Ouden van dagen,» zeide hij,
«kunnen zich nog herinneren hoe er vijftig jaar geleden geen enkele
in Athene te zien was. Toen zijn zij langzamerhand gekomen, in het
gevolg van Peisistratos, steeds meer en meer en tegenwoordig ontmoet
men ze overal.» Simon had geen woorden genoeg om zijne verachting voor
haar uit te drukken. Hij wees op haar domheid, hebzucht, valschheid
en trouweloosheid en prees de dagen van voorheen, waarin elk jonkman
zich reeds vroegtijdig eene gade koos en zich met wezens als Antheia
en hare zusteren niet bemoeide. «Zij zijn Echidna's,» eindigde hij,
«Skylla's, Chimaira's, Sphinxen, Hydra's...» «Een lam! brengt dadelijk
een zwart lam!» riep Straton in comische vertwijfeling den slaven toe,
als gold het bij Simons heftigen uitval met dit gebruikelijk offer
een opkomenden orkaan te bezweren. En hij betoogde dat de Atheensche
vrouwen wat geestesontwikkeling betrof toch voorzeker niet boven de
hetairen te stellen waren. «Ik noem haar,» zeide hij, «onbekwaam tot
deelneming aan hoogere belangen en alleen geschikt om als opgepronkte
poppen tentoongesteld te worden of wel zich met huishoudelijke zaken
bezig te houden, wanneer de man althans niet gedwongen is wegens haar
snoep- en drankzucht den sleutel der provisiekast in eigen beheer
te nemen. Wat hare trouw betreft, ken ik voorbeelden van mannen,
die verplicht waren hun vrouwen het haar af te scheren ten einde ze
te beletten zich op straat te begeven en haar minnaars te bezoeken.»
En toen Simon hiertegen opmerkte dat al die rampen gewoonlijk de schuld
der mannen zelf waren, die, met een zeer jong meisje huwend, verzuimden
als leidsman en leeraar op te treden, antwoordde Pheidippides dat hij
wat zijne zuster betrof geen ander leeraar en leidsman zou wenschen dan
Simon, doch zelf voor dergelijke bemoeiingen al zeer weinig geneigdheid
bezat, weshalve hij de voorkeur gaf aan het gezelschap van vrouwen,
die geen leidsman of leeraar meer noodig hadden en op eigen beenen
konden staan. «In den aanvang,» voegde hij er bij, «heeft Zeus alleen
menschen geschapen zonder geslacht, met vier armen en beenen, die
zich als een rad voortbewogen. Zeus was echter bevreesd dat zij in
die gedaante te groot en te machtig zouden worden en heeft ze daarom
doorgesneden. Sedert dien dag zoekt ieder menschelijk wezen het deel
dat oorspronkelijk zijne wederhelft uitmaakte en men behoort een
ieder vrijheid te geven het te zoeken, waar hij meent het te kunnen
vinden. Huis niet in mijnen geest; ge hebt immers zelf een huis?»
eindigde hij, met eene vaak gebezigde spreekwijze.
De bekers werden op Simons bevel wederom gevuld en het gezelschap
ging op voorstel van zijn symposiarch over tot eene zeer geliefkoosde
uitspanning: het opgeven van raadsels. Kynaigeiros ving aan door het
stellen der vragen: wat is het oudste, het wijste, het sterkste,
het schoonste, het minste? Pheidippides, tot wien hij deze vragen
richtte, loste ze op de volgende wijze op: het oudste, de tijd;
het wijste, de waarheid; het sterkste, het geluk; het schoonste,
het licht; het minste, de dood. Maar Simon, hoezeer de twee andere
gasten deze oplossing ten zeerste toejuichten, kon zich met haar in
geenen deele vereenigen. «Hoe nu?» zeide hij, «de tijd, die deels
verleden, deels tegenwoordig, deels toekomstig is, zou het oudste
zijn? En de waarheid noemt men het wijste? Dat is alsof iemand zeide:
oogen en licht zijn hetzelfde. Ware voorts het geluk het sterkste,
dan zou het niet zoo broos en wisselvallig zijn, als wij dagelijks
kunnen waarnemen. Wanneer ge het licht het schoonste noemt, waarom
dan niet, mag ik vragen, de zon als zoodanig geprezen? Ten slotte kan
ik niet toegeven dat de dood het minste zou wezen; immers hij heeft
met de menschelijke zaken niets gemeen.» «Op welke wijze zoudt ge dan
zelf,» vroeg Pheidippides eenigszins teleurgesteld, «de gedane vragen
beantwoorden?» «Aldus: het oudste is de godheid, want zij heeft geen
begin. Het wijste, de tijd, want hij heeft reeds veel dingen bedacht en
zal er nog meer bedenken. Het sterkste, de noodzakelijkheid, want zij
overwint alles. Het schoonste, de wereld, want alles wat schoon heet,
is daarvan een deel. En het minste is ongetwijfeld de hoop, want wie
niets het zijne mag noemen, bezit haar nog.» De overigen moesten de
meerdere juistheid van deze oplossingen toegeven en men ging over
tot minder diepzinnige vraagstukken, tot raadsels in verzen, bv. aldus:
'k Weet eene zaak en ze heeft noch op aard noch op zee haars gelijke;
Groot is ze bij haar geboort; dan klein; aan het eind weer een reus.
Straton, wien dit raadsel door Pheidippides werd voorgelegd, vermocht
niet het op te lossen en moest tot boete een beker ongemengden wijn
ledigen. Kynaigeiros was gelukkiger door terstond «de schaduw» te
noemen; hij ontving een stuk gebak als belooning en, zich tot Simon
wendend, vroeg hij:
Wie nog ziet, ziet mij niet; slechts hij kan mij zien, die niet
ziet meer.
«De slaap,» zeide Simon en werd beloond met een verschen bloemkrans
om het hoofd, te welkomer nu de slapen, onder den invloed van den
Chiër, die zijn drie deelen water zoo goed hield, allengs begonnen
te gloeien. Vooral Straton, die het zwakst was in het oplossen van
raadsels en derhalve menigen beker ongemengden wijn had moeten naar
binnen slaan, begon druk en rumoerig te worden. Hij had al drie of
vier keer aan den gastheer gevraagd of deze wel gezorgd had voor
fluitspeelsters en danseressen, telkens vergetend dat hij het al
gevraagd en een bevestigend antwoord ontvangen had. Plotseling
herinnerde hij zich een zeer ingewikkeld raadsel, dat hij opgaf,
overtuigd dat niemand het zou kunnen raden:
Welke vader bezit twalef zonen en ieder der zonen
Kinderen dertigmaal twee, wislend van aanschijn en zweem?
Dertig hunner zijn wit en dertig zijn zwart om te aanschouwen;
Eeuwig leven zij voort; toch komt aan allen een eind.
En hij genoot dan ook de voldoening dat Simon zijn onvermogen erkende
en gestraft werd. Doch Kynaigeiros, die toen aan de beurt kwam, was
gelukkiger; de wijn oefende op zijn reusachtig lichaam voorloopig
geen merkbaren invloed uit en, zich op den rechterarm steunend,
terwijl hij de linkerhand naar het voorhoofd bracht, zeide hij na
eenig bedenken: «Mij dunkt dat met den vader het jaar bedoeld is;
met de twaalf zonen de twaalf maanden des jaars; met de tweemaal
dertig kinderen, onderscheiden van uiterlijk, voor de helft wit en
voor de helft zwart, de dagen en de nachten.» Men schonk den broeder
van Aischylos luiden bijval, hoewel de teleurgestelde Straton, die
een achterdochtigen dronk had, hem verdacht van raadsel en oplossing
reeds vroeger gehoord en slechts geveinsd te hebben de laatste door
eigen nadenken te vinden. Nog eenigen tijd ging men op dezelfde wijs
voort, terwijl Straton telkens blikken naar de deur wierp, verlangend
de danseressen en fluitspeelsters te zien verschijnen.
Maar Simon meende dat het tijd werd voor afwisseling te zorgen en men
ging over tot het voordragen van skoliën, geïmproviseerde liederen,
beurt om beurt ten beste gegeven. De symposiarch begon; hij nam de
lyra, hem door een der slaven ter hand gesteld en hief aan:
Dat ge toch, o blinde Ploutos!
Menschenkweller, noch in 't zeenat,
Noch op 't vasteland verwijldet,
Maar den Tartaros bewoondet
En den Acheron. Van u toch
Komt den stervling alle kwaad.
Hij reikte de lyra aan Straton, die een lied ter eere der liefde
stemde, beginnende met de woorden:
Hoe schoon glanst Eros' licht op purperroode wang!
waarop de beurt aan Pheidippides en Kynaigeiros kwam. Men had
langzamerhand, ook geprikkeld door het gebruik van met zout bestrooid
gebak, veel gedronken en, hoezeer de zware Chiër door den lichteren
wijn van Zakynthos vervangen was, begonnen de tongen verward te
worden. Simon, die in zijne hoedanigheid van symposiarch den beker op
bescheidener wijze behandeld had dan de overigen, achtte het oogenblik
gekomen om het ernstiger onderhoud te doen staken. Doch vóór hij
daartoe overging, nam hij nog eenmaal de lyra ter hand en begon:
Mijn zwaard wil ik hullen in mirteblaren,
Als Harmodios en Aristogeiton,
Toen ze den tiran ontlijfden en
Van 't haatlijkst juk Atheen bevrijdden.
De uitdrukking op het gelaat der aanliggenden veranderde. Het lied,
waarvan Simon den aanhef had gegeven, was gedicht ter eere van
Harmodios en Aristogeiton, die voor drie-en-twintig jaar op het feest
der Panathenaien den tiran Hipparchos, den zoon van Peisistratos
en broeder van Hippias, vermoord en bij die gelegenheid het zwaard
bevorens in een mirtekrans verborgen hadden. Het was een stuk
geschiedenis, in dat lied vervat; het eerste sein tot de zoo moeizaam
verworven, zoo naijverig bewaakte vrijheid; eene herinnering, des te
heiliger, waar de verdediging van diezelfde vrijheid over luttele
maanden wederom het zwaard uit de schede zou roepen. Een hooge,
eene religieuse stemming beving dan ook de pretmakende drinkebroers
van zooeven en met een vaste stem ging Pheidippides voort, de hem
toegereikte lyra tokkelend:
Dierbre Harmodios, ge zijt niet gestorven;
Ge zijt, naar 'k verneem, in der zaligen eiland,
Waar ook snelvoetige Achilleus verblijft
En Diomedes, Tydeus' zone.
De beurt was aan Straton:
Mijn zwaard wil ik hullen in mirteblaren,
Als Harmodios en Aristogeiton,
Toen ze op het heilige Athenafeest
Hipparchos den tiran vermoordden.
Ten slotte klonk het uit Kynaigeiros' mond:
Steeds zal uw faam het aardrijk vervullen,
Dierbre Harmodios en Aristogeiton,
Daar ge den tiran ontlijfdet en
Van 't haatlijkst juk Atheen bevrijddet.
Juist was het lied ten einde en het naspel der lyra deed zich
nog hooren, toen de deur werd geopend en eenige fraai uitgedoste
fluitspeelsters en danseressen binnentraden, die door muziek en
mimische dansen de gasten vermaakten. Van dat oogenblik was het met den
ernst en de ingetogenheid der meesten gedaan. Straton, wiens vurigst
verlangen eindelijk vervuld was, had zich al spoedig met een bekoorlijk
meisje in een hoek van het vertrek teruggetrokken en betuigde haar zijn
bewondering door zijn skolion van daar straks eindeloos te herhalen:
Hoe schoon glanst Eros' licht op purperroode wang!
steeds weder beginnend, niet verder komend dan den eersten
regel. Pheidippides en Kynaigeiros hielden zich nog eenigen tijd
bezig met het vermakelijk kottabosspel, daarin bestaande, dat men
eene met water gevulde schaal op eenigen afstand vóór zich plaatste en
door middel van een straal wijn, uit den mond of een beker geworpen,
de daarin drijvende schoteltjes zocht te doen zinken. Hij, wien het
gelukte, ontving het getroffen schoteltje ten geschenke. Kynaigeiros
beweerde in dit spel bijzonder bedreven te zijn; hij bezat naar
zijn zeggen tehuis eene heele verzameling van die schoteltjes,
achtereenvolgens veroverd. Maar heden wilde het niet gelukken;
de meeste stralen troffen niet eens de schaal en vielen er voor
of achter op den grond. Pheidippides was gelukkiger en trad met
een drietal zegeteekenen uit den wedstrijd. Weldra zochten ook zij
het gezelschap der meisjes op en mochten het geluk smaken, ieder de
wederhelft te vinden, met wie zij in vroeger tijden, toen de menschen
nog vier armen en vier beenen bezaten, waarschijnlijk verbonden waren
geweest. Simon, die allengs eveneens den invloed des wijns was gaan
gevoelen, doch een ernstiger dronk had, hield beschouwingen over den
besten regeeringsvorm en over de beteekenis van den Helleen als lid
van het staatsverband, beschouwingen, die door de overigen met te meer
bewondering werden aangehoord, naarmate zij er minder van begrepen.
Niemand herinnerde zich later duidelijk, hoe het feest was
afgeloopen. Men had het gebruikelijke plengoffer aan Hermes
gewijd en was toen naar buiten gegaan. Maar veel verder strekten
de herinneringen niet. Wel wisten de feestvierenden dat men, in
gezelschap van de danseressen en fluitspeelsters, was aangeland bij
andere feestvierenden, óók met danseressen en fluitspeelsters en
daar het festijn gezamenlijk nog eenigen tijd had voortgezet, met
uitzondering van Straton, die met een der meisjes op geheimzinnige
wijze was verdwenen. Wie die anderen echter geweest waren, bleek
nimmer. Men bezat nog eene flauwe voorstelling, hoe de athletische
Kynaigeiros gymnastische toeren had uitgevoerd met eene danseres onder
iederen arm. Pheidippides was tehuis gekomen, ondersteund door eene
fluitspeelster aan den rechter- en door Simon aan den linkerkant. Voor
de deur was hij gestruikeld over het zuiltje, ter eere van Apollon
haguieus aldaar aangebracht. En toen hij den volgenden morgen met een
zwaar hoofd ontwaakte, bemerkte hij bij het weggaan de breede sandalen
van Kynaigeiros in plaats van de zijne te hebben aangetrokken. Maar
allen hadden zich kostelijk vermaakt, daarover was men het eens,
al was er heel wat polei noodig, om de magen weer in orde te brengen.