Timotheos had geen bezwaar gemaakt Simon, die algemeen geacht was
en heel wat geld met zijn mijnaandeel in Laureion verdiende, tot
schoonzoon aan te nemen. Of hij aan Demetria behaagde, kwam daarbij
minder ter sprake; volgens Atheensche gewoonte werd 's meisjes
gevoelen hierin niet gekend en aan Demetria eenvoudig medegedeeld,
dat zij over eenigen tijd in het huwelijk zou treden met Simon, den
zoon van Panaitios, welke mededeeling zij zonder tegenzin en zonder
blijdschap ontvangen had. De verloofden zagen en spraken elkander
schier zonder uitzondering in het gezelschap van derden, doch Simon had
voorloopig geen berouw over zijne keuze en geloofde stellig dat het hem
gelukken zou aan zijne aanstaande na het huwelijk de hoogere geestes-
en gemoedsontwikkeling te doen deelachtig worden, welke hij zoo noode
in de vrouwen zijner vrienden en bekenden miste. Wat hem bijzonder in
Demetria aantrok, was de harmonische vereeniging van kinderlijkheid
en levensernst, die hij in haar opmerkte; het eene oogenblik kon zij
heel verstandig zitten praten over haar voormalig prettig leven op het
land, om onmiddellijk daarop in dolle uitgelatenheid blindemannetje
te spelen met haar broertjes Philoxenos en Amynias en daarbij menige
buil en schram op te doen. Simon achtte het zijn plicht den goeden
Timotheos er op te wijzen, hoe de knaapjes denzelfden weg opgingen
als hun oudste broeder. «Slechts wie geleerd heeft te gehoorzamen,
verdient te heerschen,» was hij gewoon tot Timotheos te zeggen en
de brave man was het volkomen met hem eens. Toen zij dan ook weder,
ondanks zijn uitdrukkelijk verbod, op een voet hoogte een touwtje
dwars door het peristyl gespannen hadden, zoodat hun oude paidagoog een
buiteling maakte en zich den neus aan bloed viel, liep hij met een boos
gezicht op hen toe, zeggende: «Past op als het weer gebeurt! Empousa
komt! Mormo zal je halen!» Maar deze bedreiging met schrikgestalten,
waarmede men te Athene kleine kinderen naar bed joeg, maakte op
de rakkers niet den minsten indruk, temeer wijl de negentienjarige
Pheidippides er een onweerstaanbaar genoegen in vond hun guitenstreken
aan te moedigen en hen, in afwachting van mannelijker oefeningen,
rijkelijk voorzag van strijdhanen en vechtkwartels. Hij zelf maakte in
den laatsten tijd het huis en de Atheensche straten onveilig met een
reusachtigen Molossischen dog, die, hoezeer goedaardig van karakter,
alle voorbijgangers op ijzingwekkende wijze aangrijnsde. Zoo vaak hij
met het kolossale dier de woning zijns vaders binnentrad, joeg hij
zijn zuster een angst op het lijf voor haar Meliteïsch schoothondje,
gewoon een schrikbarend gekef aan te heffen tegen het Molossische
monster, dat het als een pil had kunnen inslikken.
Den liefsten indruk van Demetria had Simon ontvangen toen hij haar,
in een der zeldzame oogenblikken waarin zij alleen waren, gevraagd
had, waarom zij, tegen de gewoonte der Atheensche meisjes, het haar
zoo kort droeg. Ze had hem toen verhaald van eene zware ziekte, die
haar eenige maanden geleden bezocht had; iedereen had gedacht dat zij
sterven zou en zij zelf ook. Doch ze betreurde die ziekte niet, want
in die dagen had zij eerst duidelijk bemerkt, hoe lief men haar had,
zoowel haar vader en kleine broertjes als ook Pheidippides, die zich
anders zoo raar en onverschillig kon aanstellen, maar toch in zijn hart
zulk een goede jongen was. En niet genoeg woorden van vriendschap en
lof had zij voor haar vriendinnetje Erinna, haar medekorfdraagstertje
van de Panathenaien; die was zelf ziek geworden van overspanning
en verdriet. Zijzelve was dan ook zoover weg geweest, dat zij aan
Erinna, die zulke mooie verzen maken kon, gevraagd had een grafschrift
voor haar te vervaardigen. Erinna had geveinsd die vraag heel gek te
vinden; doch toen zij hersteld en geheel buiten gevaar was, had haar
vriendinnetje bekend, het grafschrift wel degelijk gemaakt te hebben,
want niemand had getwijfeld of Demetria zou sterven. Erinna had het
haar laten lezen en het was heel mooi geweest; zij had echter haar
best gedaan het zoo spoedig mogelijk te vergeten, want zij vond het
eene akelige herinnering. En zoo kwam Simon langzamerhand te weten,
waarom zijne verloofde het haar zoo kort droeg; na het herstel had ze,
gelijk behoorde, de rosbruine lokken met den haarband aan Asklepios
geofferd en het haar wilde maar niet groeien. Zij had toen nog eenigen
tijd de warme zwavelbaden te Aidepsos op Euboia gebruikt en gevoelde
zich thans zoo gezond als nooit voorheen.
Pheidippides achtte de verloving zijner zuster eene geschikte en
ongezochte gelegenheid tot het aanrichten van een feestmaal. Hij kon
het uitstekend met zijn aanstaanden zwager vinden. Onbewust gevoelde
hij diens zedelijk overwicht en er sluimerden te goede elementen in
zijn binnenste, dan dat de omgang met een man als Simon die niet op
den duur zouden doen ontwaken. Zijne neiging tot pretmaken bleef echter
voorloopig onverkort, hoewel zij moeilijker dan vroeger te bevredigen
was, daar Timotheos op Simons raad de koorden der beurs langzamerhand
wat stijver ging dichttrekken. Op het oogenblik bestond des jongelings
gansche bezitting uit een tweetal harddravers, zoodat het hem zelf
niet geheel helder was, op welke wijze hij, bij totale afwezigheid van
krediet, zijn partij zou bekostigen. Maar dat zou wel terecht komen,
dacht hij, en met een onbezorgd gemoed begaf hij zich op een morgen
naar de agora, die nog niet van galerijen voorzien en met platanen
beplant was, zoodat het er warm genoeg kon wezen. Pheidippides had
zich echter voorzien van den breedgeranden Thessalischen hoed, die
eene voldoende beschutting voor de zonnestralen aanbood.
Nog niet lang was hij op weg, of hij zag eene vrouwelijke gedaante
naderen, door eene slavin gevolgd. Zij was gehuld in een azuurkleurig,
tot op de voeten afhangend kleed van Ionisch model en van fijne,
doorschijnende, Amorgische stof, onder den boezem door een kostbaren
gordel saâmgehouden, terwijl de ronde armen bloot en de polsen,
evenals de enkels, met gouden sieraden getooid waren. Sandalen met
vierdubbele zolen, bestemd om het minder rijzige harer gestalte te
verhelen, omsloten de voeten. Het sterk geblankette gelaat met de
zwart geverfde wenkbrauwen en met goudpoeder bestrooide haren bracht
een vreemden, doch gansch niet onbevalligen indruk teweeg, terwijl
niet alleen het oog maar ook de neus bij haar te gast kon gaan, daar
zij een sterken geur verspreidde van panathenaïkon, het kostelijke
reukwerk, uitsluitend te Athene vervaardigd. De jonge vrouw, die
een zonnescherm en bladvormigen waaier met zich droeg, wierp in het
voorbijgaan Pheidippides een vriendelijken lonk toe, welke blijkbaar
zijn doel bereikte, althans de lichtontvlambare jongeling bracht den
appel, dien hij in de hand droeg, naar den mond en, na er een stukje
afgebeten te hebben, reikte hij hem der schoone toe met de woorden:
«Bekoorlijke Antheia, wanneer zal het u eindelijk behagen deze vrucht
met mij te deelen?»--daarbij doelend op de Atheensche gewoonte
dat men, door gezamenlijk een appel te eten, erkende elkander een
goed hart toe te dragen. Doch Antheia, lachend het hoofd schuddend,
weigerde de haar aangeboden vrucht te aanvaarden en gaf alleen ten
antwoord: «Zulk uitmuntend ooft, Pheidippides, behoort op een gouden
schaal te worden aangeboden,» waarop zij ijlings haar weg vervolgde,
als de Parth in het vluchten een scherpen pijl van den boog doende
snorren. De wenk was duidelijk genoeg en Pheidippides, die reeds lang
de gunsten der bevallige hetaire had trachten deelachtig te worden,
gevoelde zich door deze laatste ontmoeting dusdanig in minnegloed
ontbrand, dat hij, alvorens zijn tocht te vervolgen, zich naar den
paardenkooper begaf, met wien hij reeds meer zaken had gedaan en hem
een zijne harddravers voor acht minen contant geld verkocht.
Vandaar spoedde hij zich naar de agora. Hij schonk weinig aandacht
aan de tallooze winkeltjes, kraampjes en tafeltjes waar Athener en
buitenman hunne waren met druk gebarenspel te koop aanboden en haastte
zich, nu en dan een groet of woord met een bekende wisselend, naar
het gedeelte der markt dat de gaarkeukenhouders huisvestte. «Welaan,
Pasion,» aldus richtte hij zich tot een hunner, die reeds meer de eer
had genoten hem te bedienen, «thans is het oogenblik daar om uzelf
te overtreffen. Morgen heb ik ten mijnent genood den fijnproever
Straton, benevens Kynaigeiros en Simon. Gij moet dus zorgen ons een
maaltijd te bereiden, waardig op de tafel des Perzischen konings
voorgediend te worden.» Pasion antwoordde dat hij niets liever zou
doen dan Pheidippides van dienst te wezen, doch ditmaal bezwaar moest
maken omdat hem van goeder hand verzekerd was, dat 's jongelings
vader niet meer bereid zou gevonden worden de schulden zijns zoons
te voldoen. Hij, Pasion, kon derhalve tot zijn groot leedwezen den
gevraagden maaltijd alleen leveren, wanneer hem bevorens een voldoend
pand voor de betaling werd ter hand gesteld. «Is het anders niet?»
zeide Pheidippides. «Eigenlijk behoorde ik mij te wenden tot uw
buurman Phormion, die bovendien, naar ik hoor, de kookkunst vrij
wat beter verstaat dan gij, ten einde u te straffen voor zoo snoode
ondankbaarheid jegens mij, die u steeds begunstigd heb. Maar ik zal
goedertieren wezen. Ge kent, Pasion, mijn harddraver Pherenikos, een
fraaier paard dan ooit de stoeterij van Rhesos zelf heeft voortgebracht
en voor welks opbrengst ge den gezamenlijken prytanen een vorstelijken
maaltijd zoudt kunnen aanbieden. Ge kunt trouwens het dier heden middag
bezichtigen en ik twijfel niet, of het zal u een meer dan voldoend
pand toeschijnen.» De gaarkeukenhouder nam voorloopig dit voorstel
aan en begon met Pheidippides de bestanddeelen van den maaltijd saâm
te stellen. «Wat dunkt u,» vroeg hij, «van een schapebout in olie
gebakken en omringd door olijven?» Pheidippides knikte goedkeurend. «En
wat visch betreft, zou, dunkt mij, een thonijn.....» «Geen thonijn,
bij Hermes!» riep Pheidippides verschrikt uit; «sedert ik in de
vorige week mijn maag aan thonijn overladen heb, kan ik dat gedierte
zelfs niet hooren noemen. Geef mij een Kopaïschen paling, toebereid
met schijfjes biet. Dan een schotel wild.....» «Lijsters of haas?»
vroeg Pasion. «Lijsters of haas,» herhaalde Pheidippides, terwijl zijn
oogen klein werden bij het noemen van die twee in Athene meest geliefde
wildsoorten. «Lijsters,» zeide hij na eenige aarzeling, het woord snel
uitgooiend uit vrees van anders «haas» te zeggen en het, toen het er
uit was, betreurend dat hij niet liever haas gekozen had. «En zorg
vooral, Pasion, voor een uitgewerkt dessert met veel lekkere dingen
en vergeet niet dien kruidkoek, dien ge zoo goed weet te bereiden.»
Pasion beloofde dat bij den morgen te leveren kruidkoek de beroemde
Samische een vertooning zou maken als Thersites naast Achilleus, en
licht van hart verliet Pheidippides den gaarkeukenhouder. Bij nader
inzien betwijfelde hij een weinig of hij wel verstandig gehandeld had
en zijn feestmaal van morgen hem niet onevenredig veel zou kosten, want
het stond vrij vast dat hij zijn harddraver niet zou terugzien. Maar
weldra werd hij weder afgeleid door een aardig tooneeltje tusschen
een agoranoom, met het toezicht op de ter markt gebrachte waren
belast en een venter, die een sterk riekend stuk rundvleesch te koop
aanbood, ofschoon laatstgenoemde met veel drukte verzekerde, dat het
beest, waartoe het behoord had, eerst een uur geleden was geslacht,
ten bewijze waarvan hij zijn bebloede handen omhoog hield. De man
begon ten slotte zóó te razen en te tieren, dat hij door een paar der
skythische boogschutters, die den politiedienst uitoefenden, met zijne
waar moest verwijderd worden. En Pheidippides glimlachte, denkend aan
Solons bepaling dat men in het marktverkeer steeds de waarheid zou
behooren te spreken. Zoo bracht hij nog een heelen tijd op de agora
door, slenterend en rondkijkend en gesprekken aanknoopend, tot ergernis
van vele deftige, bejaarde Atheners, die het zeer verkeerd vonden dat
jongelui zich reeds zoo op hun gemak gevoelden in het publieke verkeer;
zij behoorden te wachten tot ze mannen geworden waren en met een rijp
oordeel over de zaken vermochten mede te spreken. Pheidippides kon dit
alles echter bijster weinig schelen; in gedachte genoot hij al van
den schapebout, de lijsters, den paling en het uitgewerkt dessert,
terwijl hij ernstig nadacht over de vraag, welke wijnen hij zijnen
gasten zou voorzetten. Na lang wikken en wegen viel zijne keus op den
vurigen, donkerrooden Chiër, met een glas gelen wijn van Zakynthos toe;
die was licht en bevorderlijk aan de spijsvertering.