IV.

Timotheos had geen bezwaar gemaakt Simon, die algemeen geacht was

en heel wat geld met zijn mijnaandeel in Laureion verdiende, tot

schoonzoon aan te nemen. Of hij aan Demetria behaagde, kwam daarbij

minder ter sprake; volgens Atheensche gewoonte werd 's meisjes

gevoelen hierin niet gekend en aan Demetria eenvoudig medegedeeld,

dat zij over eenigen tijd in het huwelijk zou treden met Simon, den

zoon van Panaitios, welke mededeeling zij zonder tegenzin en zonder

blijdschap ontvangen had. De verloofden zagen en spraken elkander

schier zonder uitzondering in het gezelschap van derden, doch Simon had

voorloopig geen berouw over zijne keuze en geloofde stellig dat het hem

gelukken zou aan zijne aanstaande na het huwelijk de hoogere geestes-

en gemoedsontwikkeling te doen deelachtig worden, welke hij zoo noode

in de vrouwen zijner vrienden en bekenden miste. Wat hem bijzonder in

Demetria aantrok, was de harmonische vereeniging van kinderlijkheid

en levensernst, die hij in haar opmerkte; het eene oogenblik kon zij

heel verstandig zitten praten over haar voormalig prettig leven op het

land, om onmiddellijk daarop in dolle uitgelatenheid blindemannetje

te spelen met haar broertjes Philoxenos en Amynias en daarbij menige

buil en schram op te doen. Simon achtte het zijn plicht den goeden

Timotheos er op te wijzen, hoe de knaapjes denzelfden weg opgingen

als hun oudste broeder. «Slechts wie geleerd heeft te gehoorzamen,

verdient te heerschen,» was hij gewoon tot Timotheos te zeggen en

de brave man was het volkomen met hem eens. Toen zij dan ook weder,

ondanks zijn uitdrukkelijk verbod, op een voet hoogte een touwtje

dwars door het peristyl gespannen hadden, zoodat hun oude paidagoog een

buiteling maakte en zich den neus aan bloed viel, liep hij met een boos

gezicht op hen toe, zeggende: «Past op als het weer gebeurt! Empousa

komt! Mormo zal je halen!» Maar deze bedreiging met schrikgestalten,

waarmede men te Athene kleine kinderen naar bed joeg, maakte op

de rakkers niet den minsten indruk, temeer wijl de negentienjarige

Pheidippides er een onweerstaanbaar genoegen in vond hun guitenstreken

aan te moedigen en hen, in afwachting van mannelijker oefeningen,

rijkelijk voorzag van strijdhanen en vechtkwartels. Hij zelf maakte in

den laatsten tijd het huis en de Atheensche straten onveilig met een

reusachtigen Molossischen dog, die, hoezeer goedaardig van karakter,

alle voorbijgangers op ijzingwekkende wijze aangrijnsde. Zoo vaak hij

met het kolossale dier de woning zijns vaders binnentrad, joeg hij

zijn zuster een angst op het lijf voor haar Meliteïsch schoothondje,

gewoon een schrikbarend gekef aan te heffen tegen het Molossische

monster, dat het als een pil had kunnen inslikken.

Den liefsten indruk van Demetria had Simon ontvangen toen hij haar,

in een der zeldzame oogenblikken waarin zij alleen waren, gevraagd

had, waarom zij, tegen de gewoonte der Atheensche meisjes, het haar

zoo kort droeg. Ze had hem toen verhaald van eene zware ziekte, die

haar eenige maanden geleden bezocht had; iedereen had gedacht dat zij

sterven zou en zij zelf ook. Doch ze betreurde die ziekte niet, want

in die dagen had zij eerst duidelijk bemerkt, hoe lief men haar had,

zoowel haar vader en kleine broertjes als ook Pheidippides, die zich

anders zoo raar en onverschillig kon aanstellen, maar toch in zijn hart

zulk een goede jongen was. En niet genoeg woorden van vriendschap en

lof had zij voor haar vriendinnetje Erinna, haar medekorfdraagstertje

van de Panathenaien; die was zelf ziek geworden van overspanning

en verdriet. Zijzelve was dan ook zoover weg geweest, dat zij aan

Erinna, die zulke mooie verzen maken kon, gevraagd had een grafschrift

voor haar te vervaardigen. Erinna had geveinsd die vraag heel gek te

vinden; doch toen zij hersteld en geheel buiten gevaar was, had haar

vriendinnetje bekend, het grafschrift wel degelijk gemaakt te hebben,

want niemand had getwijfeld of Demetria zou sterven. Erinna had het

haar laten lezen en het was heel mooi geweest; zij had echter haar

best gedaan het zoo spoedig mogelijk te vergeten, want zij vond het

eene akelige herinnering. En zoo kwam Simon langzamerhand te weten,

waarom zijne verloofde het haar zoo kort droeg; na het herstel had ze,

gelijk behoorde, de rosbruine lokken met den haarband aan Asklepios

geofferd en het haar wilde maar niet groeien. Zij had toen nog eenigen

tijd de warme zwavelbaden te Aidepsos op Euboia gebruikt en gevoelde

zich thans zoo gezond als nooit voorheen.

Pheidippides achtte de verloving zijner zuster eene geschikte en

ongezochte gelegenheid tot het aanrichten van een feestmaal. Hij kon

het uitstekend met zijn aanstaanden zwager vinden. Onbewust gevoelde

hij diens zedelijk overwicht en er sluimerden te goede elementen in

zijn binnenste, dan dat de omgang met een man als Simon die niet op

den duur zouden doen ontwaken. Zijne neiging tot pretmaken bleef echter

voorloopig onverkort, hoewel zij moeilijker dan vroeger te bevredigen

was, daar Timotheos op Simons raad de koorden der beurs langzamerhand

wat stijver ging dichttrekken. Op het oogenblik bestond des jongelings

gansche bezitting uit een tweetal harddravers, zoodat het hem zelf

niet geheel helder was, op welke wijze hij, bij totale afwezigheid van

krediet, zijn partij zou bekostigen. Maar dat zou wel terecht komen,

dacht hij, en met een onbezorgd gemoed begaf hij zich op een morgen

naar de agora, die nog niet van galerijen voorzien en met platanen

beplant was, zoodat het er warm genoeg kon wezen. Pheidippides had

zich echter voorzien van den breedgeranden Thessalischen hoed, die

eene voldoende beschutting voor de zonnestralen aanbood.

Nog niet lang was hij op weg, of hij zag eene vrouwelijke gedaante

naderen, door eene slavin gevolgd. Zij was gehuld in een azuurkleurig,

tot op de voeten afhangend kleed van Ionisch model en van fijne,

doorschijnende, Amorgische stof, onder den boezem door een kostbaren

gordel saâmgehouden, terwijl de ronde armen bloot en de polsen,

evenals de enkels, met gouden sieraden getooid waren. Sandalen met

vierdubbele zolen, bestemd om het minder rijzige harer gestalte te

verhelen, omsloten de voeten. Het sterk geblankette gelaat met de

zwart geverfde wenkbrauwen en met goudpoeder bestrooide haren bracht

een vreemden, doch gansch niet onbevalligen indruk teweeg, terwijl

niet alleen het oog maar ook de neus bij haar te gast kon gaan, daar

zij een sterken geur verspreidde van panathenaïkon, het kostelijke

reukwerk, uitsluitend te Athene vervaardigd. De jonge vrouw, die

een zonnescherm en bladvormigen waaier met zich droeg, wierp in het

voorbijgaan Pheidippides een vriendelijken lonk toe, welke blijkbaar

zijn doel bereikte, althans de lichtontvlambare jongeling bracht den

appel, dien hij in de hand droeg, naar den mond en, na er een stukje

afgebeten te hebben, reikte hij hem der schoone toe met de woorden:

«Bekoorlijke Antheia, wanneer zal het u eindelijk behagen deze vrucht

met mij te deelen?»--daarbij doelend op de Atheensche gewoonte

dat men, door gezamenlijk een appel te eten, erkende elkander een

goed hart toe te dragen. Doch Antheia, lachend het hoofd schuddend,

weigerde de haar aangeboden vrucht te aanvaarden en gaf alleen ten

antwoord: «Zulk uitmuntend ooft, Pheidippides, behoort op een gouden

schaal te worden aangeboden,» waarop zij ijlings haar weg vervolgde,

als de Parth in het vluchten een scherpen pijl van den boog doende

snorren. De wenk was duidelijk genoeg en Pheidippides, die reeds lang

de gunsten der bevallige hetaire had trachten deelachtig te worden,

gevoelde zich door deze laatste ontmoeting dusdanig in minnegloed

ontbrand, dat hij, alvorens zijn tocht te vervolgen, zich naar den

paardenkooper begaf, met wien hij reeds meer zaken had gedaan en hem

een zijne harddravers voor acht minen contant geld verkocht.

Vandaar spoedde hij zich naar de agora. Hij schonk weinig aandacht

aan de tallooze winkeltjes, kraampjes en tafeltjes waar Athener en

buitenman hunne waren met druk gebarenspel te koop aanboden en haastte

zich, nu en dan een groet of woord met een bekende wisselend, naar

het gedeelte der markt dat de gaarkeukenhouders huisvestte. «Welaan,

Pasion,» aldus richtte hij zich tot een hunner, die reeds meer de eer

had genoten hem te bedienen, «thans is het oogenblik daar om uzelf

te overtreffen. Morgen heb ik ten mijnent genood den fijnproever

Straton, benevens Kynaigeiros en Simon. Gij moet dus zorgen ons een

maaltijd te bereiden, waardig op de tafel des Perzischen konings

voorgediend te worden.» Pasion antwoordde dat hij niets liever zou

doen dan Pheidippides van dienst te wezen, doch ditmaal bezwaar moest

maken omdat hem van goeder hand verzekerd was, dat 's jongelings

vader niet meer bereid zou gevonden worden de schulden zijns zoons

te voldoen. Hij, Pasion, kon derhalve tot zijn groot leedwezen den

gevraagden maaltijd alleen leveren, wanneer hem bevorens een voldoend

pand voor de betaling werd ter hand gesteld. «Is het anders niet?»

zeide Pheidippides. «Eigenlijk behoorde ik mij te wenden tot uw

buurman Phormion, die bovendien, naar ik hoor, de kookkunst vrij

wat beter verstaat dan gij, ten einde u te straffen voor zoo snoode

ondankbaarheid jegens mij, die u steeds begunstigd heb. Maar ik zal

goedertieren wezen. Ge kent, Pasion, mijn harddraver Pherenikos, een

fraaier paard dan ooit de stoeterij van Rhesos zelf heeft voortgebracht

en voor welks opbrengst ge den gezamenlijken prytanen een vorstelijken

maaltijd zoudt kunnen aanbieden. Ge kunt trouwens het dier heden middag

bezichtigen en ik twijfel niet, of het zal u een meer dan voldoend

pand toeschijnen.» De gaarkeukenhouder nam voorloopig dit voorstel

aan en begon met Pheidippides de bestanddeelen van den maaltijd saâm

te stellen. «Wat dunkt u,» vroeg hij, «van een schapebout in olie

gebakken en omringd door olijven?» Pheidippides knikte goedkeurend. «En

wat visch betreft, zou, dunkt mij, een thonijn.....» «Geen thonijn,

bij Hermes!» riep Pheidippides verschrikt uit; «sedert ik in de

vorige week mijn maag aan thonijn overladen heb, kan ik dat gedierte

zelfs niet hooren noemen. Geef mij een Kopaïschen paling, toebereid

met schijfjes biet. Dan een schotel wild.....» «Lijsters of haas?»

vroeg Pasion. «Lijsters of haas,» herhaalde Pheidippides, terwijl zijn

oogen klein werden bij het noemen van die twee in Athene meest geliefde

wildsoorten. «Lijsters,» zeide hij na eenige aarzeling, het woord snel

uitgooiend uit vrees van anders «haas» te zeggen en het, toen het er

uit was, betreurend dat hij niet liever haas gekozen had. «En zorg

vooral, Pasion, voor een uitgewerkt dessert met veel lekkere dingen

en vergeet niet dien kruidkoek, dien ge zoo goed weet te bereiden.»

Pasion beloofde dat bij den morgen te leveren kruidkoek de beroemde

Samische een vertooning zou maken als Thersites naast Achilleus, en

licht van hart verliet Pheidippides den gaarkeukenhouder. Bij nader

inzien betwijfelde hij een weinig of hij wel verstandig gehandeld had

en zijn feestmaal van morgen hem niet onevenredig veel zou kosten, want

het stond vrij vast dat hij zijn harddraver niet zou terugzien. Maar

weldra werd hij weder afgeleid door een aardig tooneeltje tusschen

een agoranoom, met het toezicht op de ter markt gebrachte waren

belast en een venter, die een sterk riekend stuk rundvleesch te koop

aanbood, ofschoon laatstgenoemde met veel drukte verzekerde, dat het

beest, waartoe het behoord had, eerst een uur geleden was geslacht,

ten bewijze waarvan hij zijn bebloede handen omhoog hield. De man

begon ten slotte zóó te razen en te tieren, dat hij door een paar der

skythische boogschutters, die den politiedienst uitoefenden, met zijne

waar moest verwijderd worden. En Pheidippides glimlachte, denkend aan

Solons bepaling dat men in het marktverkeer steeds de waarheid zou

behooren te spreken. Zoo bracht hij nog een heelen tijd op de agora

door, slenterend en rondkijkend en gesprekken aanknoopend, tot ergernis

van vele deftige, bejaarde Atheners, die het zeer verkeerd vonden dat

jongelui zich reeds zoo op hun gemak gevoelden in het publieke verkeer;

zij behoorden te wachten tot ze mannen geworden waren en met een rijp

oordeel over de zaken vermochten mede te spreken. Pheidippides kon dit

alles echter bijster weinig schelen; in gedachte genoot hij al van

den schapebout, de lijsters, den paling en het uitgewerkt dessert,

terwijl hij ernstig nadacht over de vraag, welke wijnen hij zijnen

gasten zou voorzetten. Na lang wikken en wegen viel zijne keus op den

vurigen, donkerrooden Chiër, met een glas gelen wijn van Zakynthos toe;

die was licht en bevorderlijk aan de spijsvertering.

Marathon · 第 8 / 19 题