VI.

Simons huwelijk zou plaats hebben, volgens de meesttijds gevolgde

gewoonte, in de maand Gamelion, aan het eind van den winter, bij volle

maan. Hij had het druk met de toebereidselen voor den echt; zijne

woning in den Kerameikos, de fraaiste wijk van Athene, behoorde voor

de ontvangst zijner gade op waardige wijze te worden ingericht. Vooral

sedert den vroolijken maaltijd bij Pheidippides was hij zich, meer dan

vroeger, bewust van de ernstige taak, die hem wachtte. De schildering,

bij die gelegenheid door Straton van de Atheensche vrouwen gegeven,

was, hij moest het erkennen, maar al te waar en wat hij van Demetria's

eigen moeder, Kleitagora, vernomen had, volstond om hem te overtuigen,

dat deze althans op den regel geene uitzondering had gemaakt. Een

bijzonder tactvol optreden zou dus noodig wezen tot verwezenlijking

van zijn voornemen om van Demetria eene echtgenoote te maken, anders

en beter dan de meeste harer zusteren. Doch hij was vol goeden moed,

te meer wijl hij steeds beter niet alleen haar eigen beminnelijk

karakter begon te doorgronden, maar ook bespeurde dat Pheidippides

aanving naar zijne welgemeende vermaningen te luisteren en op merkbare

wijze zijn leven ging beteren. «Waartoe, Pheidippides,» had hij tot

den jongeling gezegd, «leeft ge uitsluitend voor uw vermaak en vergeet

zooveel u slechts mogelijk is dat ge ook staatsburger zijt? Weet ge

dan niet dat het doel van den staat is, zijnen burgers de middelen

te verschaffen gelukkig en waardig te leven, dit is, verstandig en

zedelijk te handelen en dat zoowel de inwendige geschiktheid als de

uitwendige voorwaarden daartoe slechts kunnen verkregen worden door en

in den staat? Van nature behoort derhalve de mensch tot den staat en

bevindt zich tot hem in geen andere verhouding, dan een deel tot zijn

geheel. Ge zult toch niet beweren willen dat uw arm, of uw hoofd, of

uw borst om zich zelfs wille zou bestaan? Neen! die allen zijn slechts

geschapen met het doel om te zamen één ondeelbaar geheel te vormen. Zoo

is het ook met den staat en even waar als het is dat het geheel

hooger rang bekleedt dan de deelen, zoo ook is het onwederlegbaar

dat de staat hooger is te stellen dan zijn afzonderlijke leden.»

In den aanvang had Pheidippides tegengestribbeld en gewezen op de

vele lasten, die het staatsburgerschap op den mensch legde en op de

daarmede samenhangende besnoeiing der persoonlijke vrijheid. Simon

had verontwaardigd geantwoord: «Uwe woorden, Pheidippides, zou ik

wellicht kunnen beamen wanneer ik in u een burger van Sparta zag,

dat op zijne zonen van hunne geboort af de hand legt om ze slechts

noode af te staan aan het graf. Doch het wekt mijn rechtmatigen toorn

nu ik aldus hoor spreken door een burger van Athene, van den staat,

die den zijnen vergunt zich geheel vrij en menschelijk te ontwikkelen,

die niemands persoonlijken aanleg en neiging in strenge boeien slaat

en een ieder vergunt te leven gelijk hij zelf wenscht, zoodat dan ook

de Athener, die zich tot groote daden bekwaam gevoelt, naar waarheid

kan getuigen: dit ben ik niet door tucht en dwang, maar door eigen

aanleg en goddelijke gunst. Doch des te meer schande over hem, die,

waar geen dwangmiddelen hem nopen, verzuimt tot zijne volle beteekenis

te geraken in de goddelijke instelling, welke alleen bevrediging van

hoogere behoeften, ontwikkeling van menschelijke geestvermogens, ruimte

en middelen tot waardig handelen en waardig levensgenot aanbiedt.»

Zóó had Simon gesproken en zijne woorden hadden een diepen indruk

op Pheidippides gemaakt. Deze nam zich dan ook ernstig voor, van

dit oogenblik aan zijne beste krachten te wijden aan den met zoo

verlokkende kleuren geschilderden staat. De gelegenheid daartoe zou

zich waarschijnlijk spoedig voordoen, in den oorlog met Perzië, en

Pheidippides hoopte van harte, dat die krijg eerst zou mogen uitbreken

nadat hij zijn twintigsten verjaardag, in het begin van den aanstaanden

zomer vallend, zou gevierd hebben. Immers vóór dien tijd, van zijn

achttiende tot zijn twintigste jaar, was hij uitsluitend aangewezen

niet voor den veld- maar voor den garnizoens- en patrouilledienst,

waarmede weinig eer te behalen viel. En hij betreurde het diep dat er

nog zooveel tijd moest verloopen vóór zijn dertigste jaar, als wanneer

hij eerst voor openbare betrekkingen, raadslid en rechter zou kunnen in

aanmerking komen. Ook was zijne levenswijze veel geregelder geworden;

men sprak niet meer gelijk vroeger van de nachtelijke schandalen,

door hem aangericht, en zoo hij nog steeds behagen bleef scheppen in

het gezelschap der schoone Antheia, dit werd door Simon op lange na

zoo streng niet meer gelaakt als vroeger. Immers hem was gebleken dat

deze hetaire, die tal van Atheners aan haar zegekar geboeid hield,

afkomstig was uit het stamverwante Ionische Miletos, het Athene van

Klein-Azië, voor eenige jaren door de Perzen geplunderd en verbrand. De

herinnering aan de toen gepleegde gruweldaden was bij haar nog even

levendig als toen zij ze onder hare oogen zag plaats grijpen en de

hooggestemde taal, waarin zij deze voor den blik harer bewonderaars

deed herleven, was in niet geringe mate geschikt om Athenes weerbare

mannen te vervullen met geestdriftvolle kloekhartigheid voor de bange

dagen, die te wachten stonden.

Minder gelukkig was Simon in zijne pogingen tot hervorming van

Pheidippides' broertjes, Philoxenos en Amynias. Zij zaten vol

ondeugende streken. Zoo vaak zij naar school gingen, hielden zij niet,

als het behoort, het hoofd gebogen, de oogen ter aard gericht, de armen

en handen in de plooien van hun kleed verborgen, maar zagen brutaal om

zich heen, niet eens blozend wanneer een oudere hen aansprak. Bij de

muziek- en zangles, wanneer zij de gewone liederen «Stedenverwoestende

Pallas!» of «Wijdgalmende lyra-akkoorden» moesten aanheffen, waren

zij met de eenvoudige, ouderwetsche toonzetting niet meer tevreden

en vlochten allerlei roulades en andere wufte versierselen in den

zang, hetgeen hun keer op keer eene gevoelige kastijding op den

hals haalde van den onderwijzer, die op dit punt geen gekscheren

verstond. Bij de oefeningen in de palaistra waren ze weigerachtig op

de voorgeschreven welvoeglijke en kiesche wijze neder te zitten en

bij het opstaan het zand, waarin zij gezeten hadden, saâm te vegen,

opdat het afdruksel van hunne gedaante bij de toeschouwers geen onreine

gedachten zou verwekken. Aan tafel was het reeds geschied dat zij zich

van spijs hadden voorzien vóór de anderen en, niet tevreden met den

voorvaderlijken groven kost, van de lekkernijen hadden medegeproefd,

uitsluitend voor de volwassenen opgediend. Al die overtredingen nu

pleegden zij niet zoozeer met booze bedoelingen, als uit een geest

van verzet tegen het bestaande en overgeleverde, uit eene zenuwachtige

prikkelbaarheid, die ook elders werd opgemerkt en als het ware in de

lucht scheen te zitten, te voorschijn geroepen door de nadering der

geweldige gebeurtenissen, in het Oosten voorbereid.

In afwachting dat het opkomende onweer losbarstte, ging het

Atheensche leven zijn gewonen gang en zoo bewoog zich ook op een

helderen avond de bruiloftsstoet, die Simon en Demetria naar hunne

gemeenschappelijke woning zou voeren, door de straten. De verloofden

hadden de vereischte verklaring afgelegd en de jonge vrouw was in het

register der phratria van haren echtgenoot opgenomen. Gebeden en offers

waren gebracht aan de godheden, wier zegen onmisbaar was voor het

welzijn des huwelijks: aan Artemis, de schutsgodin der jonge meisjes,

wie Demetria dan ook een fraai wijgeschenk vereerd had; aan Hera,

die den echt beschermde en de geboorten begunstigde; aan Demeter,

die over de opvoeding der kinderen waakte. Men had nauwlettend

zorg gedragen dat bij het offer aan Hera de gal van het offerdier

niet mede aan de vlammen prijsgegeven, maar begraven was geworden,

als symbool van den wensch dat alle bitterheid van het jonge paar

verwijderd mocht blijven. Vóórdat met de offers een aanvang werd

gemaakt, hadden bruid en bruidegom het voorgeschreven bad genomen,

waarvan het water uit een heilige bron in de nabijheid van Timotheos'

woning was verstrekt. Daarna was in het ouderlijke huis der bruid een

maaltijd gehouden, waarbij als uitzondering ook vrouwelijke gasten,

zij het aan afzonderlijke tafels, hadden aangelegen en de bekende

Chiërwijn des vaders zijn vroegeren bijval had gevonden. Het feest

was slechts een oogenblik verstoord door het ongevraagd binnentreden

van een tammen aap, welken de jeugdige Philoxenos en Amynias zich op

het voorbeeld van den Molossischen hond huns broeders sedert eenigen

tijd hadden aangeschaft. Het beest had eene verbazende opschudding

veroorzaakt, temeer daar Pheidippides, die het geval heel aardig vond,

onder den schijn het dier te willen vangen, den aap steeds wilder had

gemaakt. En de beide knaapjes hadden bij die gelegenheid bespeurd wat

een slechte roep vermag; immers hoewel zij aan het voorval volmaakt

onschuldig waren, had hun vader stijf en sterk beweerd, dat het door

hun opzettelijk toedoen veroorzaakt was; hij had zelfs, tegenover

zijne gasten een flinke houding wenschende aan te nemen, zijn zonen

van den disch willen verwijderen en slechts op de krachtige voorspraak

des bruidegoms van dit voornemen afgezien. Na afloop van den maaltijd

was een wagen, bespannen met witte muildieren, verschenen, waarop

nevens Simon en Demetria eene plaats was toegekend aan Aischylos,

die bij de plechtigheid als bruidsleider was opgetreden. De gasten

hadden fakkels ontstoken aan den haard van het ouderlijk huis, om

daarmede volgens een lief gebruik straks het vuur in de woning van

het jonggehuwde paar te doen ontvlammen; zwaaiend met de toortsen,

welker rosse gloed den nachtelijken hemel verlichtte, omzwermden zij

den wagen, die langzaam zijn schoonen last voortbewoog, terwijl de

hymenaios, de huwelijkszang, eerst door enkele stemmen werd aangeheven:

Bruiloft vierden op deze wijs

Zeus, die van zijn hoogen troon

Heerscht over de goden en

Hera, die zijn rijksstoel deelt.

Als thans klonk er het bruidslied:

Waarop allen invielen:

Hymen! o Hymenaios!

Wederom verhieven zich de stemmen van zooeven:

Goudvleugelige Eros was 't

Die als bruidsknaap, bloeiend schoon,

Zeus en Hera zat ter zij

En de bruidskarosse met

Rozenvingeren stuurde.

En wederom besloot het koor:

Hymen! o Hymenaios!

De optocht sloeg den hoek eener straat om. Daar, plotseling, kwam een

windvlaag den feestvierenden tegemoet en drie, vier fakkels werden

uitgebluscht. Het was een ongunstig voorteeken voor het huwelijksgeluk

van Simon en Demetria en lang zoo opgewekt niet, als de vroegere,

klonk het derde gedeelte van het bruiloftslied:

Volgt den bruidsstoet op zijn pad;

Volgt hem naar des bruigoms huis;

Strooit hun bloemen waar ze gaan;

Volgt hen, kransen om het hoofd;

Leidt hen op naar het bruidsbed,

Hymen! o Hymenaios!

Eenige weken waren voorbijgegaan en de jonge vrouw begon zich

langzamerhand in hare nieuwe omgeving tehuis te gevoelen. Toen was

het dat Simon op zekeren morgen met een ernstig gelaat tot haar zeide:

«Demetria, volg mij naar het altaar van den haardbeschermenden Zeus,

dat wij te zamen den god een offer brengen.» Demetria verliet het

weefgetouw waarmede zij bezig was en volgde den echtgenoot met haar

gewone zachte bereidwilligheid naar het aan de zijde van het peristyl

geopende voorvertrek, waarin zich het bedoelde altaar bevond. Simon

waschte zich eerst zorgvuldig de handen, welk voorbeeld door Demetria

gevolgd werd, waarop zij gezamenlijk den god plengden en hij, rechtop

staand, de armen omhoog geheven, de handen naar buiten gebogen,

tot Zeus bad dat deze hem mocht vergunnen de juiste woorden tot

zijne vrouw te richten en tevens dat die woorden bij haar in een

vruchtbaren bodem mochten vallen. Vervolgens richtte op zijn verzoek

Demetria haar gebed tot den oppergod, smeekende dat het haar steeds

gegeven zou worden nimmer de plichten, die in haar nieuwen staat op

haar rustten, te verzaken. En toen ving Simon het gesprek aan, reeds

lang voorbereid, overtuigd dat wanneer de man zich zijne vrouw meer

tot vertrouwelinge maakte, dan meestal het geval was; wanneer zij

het bewustzijn erlangde dat haar aandeel in de gemeenschappelijke

levenstaak, hoezeer verschillend, in werkelijkheid niet minder

beteekenend was dan de zijne, de wederzijdsche verhouding niet anders

dan gebaat zou kunnen worden.

«Demetria,» begon hij, «sedert wij gehuwd zijn behoort dit huis

en alles wat zich daarin bevindt gemeenschappelijk aan ons beiden,

zoodat het niet op onzen weg ligt na te gaan wie daarin het meest

heeft aangebracht. Liever zou ik willen zeggen dat het gewichtigste

aandeel behoort aan hem, die het verstandigst huishoudt.» Demetria

zag bij deze tegenover eene Atheensche jonge vrouw ongewone woorden

eenigszins schuchter op en vroeg: «Hoe kunt ge mijn aandeel in de

huishouding met het uwe vergelijken? Alles gaat immers in de eerste

plaats uzelf aan. Mijn vader heeft mij bij het sluiten des huwelijks

alleen op het hart gedrukt, ingetogen en ordelijk te zijn.» «Dat

zijn deugden, die mij eveneens moeten sieren als u. Doch vrouw en

man behooren gelijkelijk de belangen van het huis waar te nemen en

de goederen, die zij bezitten, niet alleen nauwlettend te beheeren,

maar ook te vermeerderen.» «Gaat die zorg dan niet uitsluitend u aan?»

«In geenen deele; slechts in zoover de goden die zorg mij hebben

opgedragen. Immers de goden, toen zij den man een forscher lichaam

en een krachtiger ziel schonken, gaven daarmede te kennen dat op

hem aankomt alles wat buitenshuis plaats heeft: het staatsbeleid, de

oorlog en de scheepvaart. En als zij der vrouw een teederder gestel en

weeker gemoed gaven, wilden zij daarmede aanduiden, dat voor haar is

weggelegd alles wat het huiselijk beheer en de opvoeding der kinderen

in de eerste levensjaren betreft; zaken die waarlijk niet minder

belangrijk zijn dan de zooeven genoemde.»

Zijne vrouw zag hem verbaasd in de oogen. Dat de werkkring van

man en vrouw in waarde gelijk zou zijn, daarvan had zij noch in den

huiselijken kring, noch door hare vriendinnen en bekenden ooit hooren

gewagen. Doch zij voelde dat Simons woorden weldoordacht en welgemeend

waren en een wijde horizon van geluk opende zich voor haar; dankbaar

zag ze hem aan, terwijl ze zeide: «Ik dacht niet dat mijne huiselijke

bezigheden u zoo belangrijk zouden voorkomen.» «Niet belangrijk? Dan

zouden ook de bezigheden van de bijenkoningin niet belangrijk moeten

genoemd worden.» «De bijenkoningin?» «Voorzeker. Ge hebt vooral in

vroeger jaren, toen uw vader op het land woonde, vaak den arbeid

der bijen gadegeslagen. Welnu! deel zelve mede waarin de taak der

bijenkoningin bestaat.» «Zij bewaakt den korf en staat niet toe dat

een enkele bij ledig blijve; zij zendt naar buiten die bestemd zijn

in het veld te arbeiden; zij proeft en neemt in ontvangst al wat in

den korf wordt aangebracht; zij bewaart en verdeelt naar gelang der

behoefte den aanwezigen voorraad; zij zorgt dat de cellen ordelijk

en regelmatig aangelegd worden; zij ziet toe dat de jonge bijen met

beleid en verstand worden opgevoed en vormt ze, als ze volwassen zijn,

tot volkplantingen, die elders worden heengezonden en nieuwe korven

bevolken.» Naarmate Demetria deze verschillende bezigheden opsomde,

bemerkte zij zelve hoe juist het door haren echtgenoot gekozen beeld

was en vroolijk sloeg zij de handen ineen toen ze geëindigd had. «Bij

Artemis!» ging zij voort, «dat is volkomen hetzelfde wat mij te wachten

staat. Maar zulk eene bijenkoningin is een heel gewichtig personage;

zonder haar zou de korf al zeer spoedig tot een droevigen staat

vervallen.» «En hoe zoudt ge dan meenen dat de toestand van onzen

korf zou wezen, wanneer gij dien mocht verlaten? Ik wil u nog ééne

bezigheid opnoemen, welke niet tot de taak der bijenkoningin behoort

en u wellicht de onaangenaamste zal toeschijnen: het verzorgen van

diegenen onzer dienaren, die krank mochten worden.» «O neen! dat zal

juist mijne aangenaamste bezigheid wezen. Want, erkentelijk voor

mijne goede zorgen, zullen zij zich hoe langer zoo meer aan mij

gaan hechten.»

Simon, op zijne beurt, zag haar dankbaar in de oogen en gevoelde,

evenals zij daar straks, welk een schat hij in zijne wederhelft had

gevonden; hij streek met de hand over haar rosbruin hoofdje waarop

de krulletjes al heel aardig begonnen aan te groeien en vervolgde:

«Hebt ge wel opgemerkt dat zoo vaak de bijenkoningin den korf verlaat,

geen enkele bij tehuis blijft doch alle haar volgen? Welnu, Demetria,

eene gelijke toegenegenheid, eene even groote liefde zal allen in deze

woning aan u verbinden.» «Maar, wanneer ik in ontvangst te nemen, te

bewaren en te verdeelen heb, dan moet gij ook zorg dragen dat er veel

in den korf wordt gebracht; anders zou de taak der bijenkoningin weinig

beteekenen.» «En waartoe zou mijn arbeid buiten den korf strekken,

wanneer ik niet de wetenschap bezat, dat zich daarbinnen iemand

bevond, die de vruchten daarvan wist te bewaken en te beheeren? Zou

die arbeid niet te vergelijken zijn met dien der dochteren van Danaos,

veroordeeld ten eeuwigen dage water in een bodemloos vat te gieten?»

«Welk een vreeselijke arbeid zal dat wezen! Dus waarlijk, mijne taak

is niet minder dan de uwe?» «De goden, die noch den man noch der vrouw

de volmaaktheid schonken, hebben gewild dat beiden in wederzijdsche

afhankelijkheid zouden leven en hunne vereeniging is des te inniger

naarmate de een beter kan aanvullen wat den ander ontbreekt. Indien ge,

waaraan ik niet twijfel, Demetria, den korf als eene goede koningin

bewaakt en beheert, dan zult ge in mij steeds een liefhebbenden en

zorgzamen echtgenoot vinden, die u zelfs hooger zal schatten dan

zichzelven. En ge behoeft niet te vreezen dat met het klimmen der

jaren mijne toegenegenheid voor u minder zal worden; neen! want

juist naarmate ge mij eene trouwer gezellin en onzen kinderen eene

beminnelijker verpleegster zult wezen, zullen de achting en de liefde,

die ge allen inboezemt, grooter en inniger worden.»

Aldus spraken Simon en Demetria, en toen het gesprek geëindigd was,

gevoelden beiden, dat er iets goeds en liefs zijne intrede in hun

leven had gedaan.

Marathon · 第 10 / 19 题