Simons huwelijk zou plaats hebben, volgens de meesttijds gevolgde
gewoonte, in de maand Gamelion, aan het eind van den winter, bij volle
maan. Hij had het druk met de toebereidselen voor den echt; zijne
woning in den Kerameikos, de fraaiste wijk van Athene, behoorde voor
de ontvangst zijner gade op waardige wijze te worden ingericht. Vooral
sedert den vroolijken maaltijd bij Pheidippides was hij zich, meer dan
vroeger, bewust van de ernstige taak, die hem wachtte. De schildering,
bij die gelegenheid door Straton van de Atheensche vrouwen gegeven,
was, hij moest het erkennen, maar al te waar en wat hij van Demetria's
eigen moeder, Kleitagora, vernomen had, volstond om hem te overtuigen,
dat deze althans op den regel geene uitzondering had gemaakt. Een
bijzonder tactvol optreden zou dus noodig wezen tot verwezenlijking
van zijn voornemen om van Demetria eene echtgenoote te maken, anders
en beter dan de meeste harer zusteren. Doch hij was vol goeden moed,
te meer wijl hij steeds beter niet alleen haar eigen beminnelijk
karakter begon te doorgronden, maar ook bespeurde dat Pheidippides
aanving naar zijne welgemeende vermaningen te luisteren en op merkbare
wijze zijn leven ging beteren. «Waartoe, Pheidippides,» had hij tot
den jongeling gezegd, «leeft ge uitsluitend voor uw vermaak en vergeet
zooveel u slechts mogelijk is dat ge ook staatsburger zijt? Weet ge
dan niet dat het doel van den staat is, zijnen burgers de middelen
te verschaffen gelukkig en waardig te leven, dit is, verstandig en
zedelijk te handelen en dat zoowel de inwendige geschiktheid als de
uitwendige voorwaarden daartoe slechts kunnen verkregen worden door en
in den staat? Van nature behoort derhalve de mensch tot den staat en
bevindt zich tot hem in geen andere verhouding, dan een deel tot zijn
geheel. Ge zult toch niet beweren willen dat uw arm, of uw hoofd, of
uw borst om zich zelfs wille zou bestaan? Neen! die allen zijn slechts
geschapen met het doel om te zamen één ondeelbaar geheel te vormen. Zoo
is het ook met den staat en even waar als het is dat het geheel
hooger rang bekleedt dan de deelen, zoo ook is het onwederlegbaar
dat de staat hooger is te stellen dan zijn afzonderlijke leden.»
In den aanvang had Pheidippides tegengestribbeld en gewezen op de
vele lasten, die het staatsburgerschap op den mensch legde en op de
daarmede samenhangende besnoeiing der persoonlijke vrijheid. Simon
had verontwaardigd geantwoord: «Uwe woorden, Pheidippides, zou ik
wellicht kunnen beamen wanneer ik in u een burger van Sparta zag,
dat op zijne zonen van hunne geboort af de hand legt om ze slechts
noode af te staan aan het graf. Doch het wekt mijn rechtmatigen toorn
nu ik aldus hoor spreken door een burger van Athene, van den staat,
die den zijnen vergunt zich geheel vrij en menschelijk te ontwikkelen,
die niemands persoonlijken aanleg en neiging in strenge boeien slaat
en een ieder vergunt te leven gelijk hij zelf wenscht, zoodat dan ook
de Athener, die zich tot groote daden bekwaam gevoelt, naar waarheid
kan getuigen: dit ben ik niet door tucht en dwang, maar door eigen
aanleg en goddelijke gunst. Doch des te meer schande over hem, die,
waar geen dwangmiddelen hem nopen, verzuimt tot zijne volle beteekenis
te geraken in de goddelijke instelling, welke alleen bevrediging van
hoogere behoeften, ontwikkeling van menschelijke geestvermogens, ruimte
en middelen tot waardig handelen en waardig levensgenot aanbiedt.»
Zóó had Simon gesproken en zijne woorden hadden een diepen indruk
op Pheidippides gemaakt. Deze nam zich dan ook ernstig voor, van
dit oogenblik aan zijne beste krachten te wijden aan den met zoo
verlokkende kleuren geschilderden staat. De gelegenheid daartoe zou
zich waarschijnlijk spoedig voordoen, in den oorlog met Perzië, en
Pheidippides hoopte van harte, dat die krijg eerst zou mogen uitbreken
nadat hij zijn twintigsten verjaardag, in het begin van den aanstaanden
zomer vallend, zou gevierd hebben. Immers vóór dien tijd, van zijn
achttiende tot zijn twintigste jaar, was hij uitsluitend aangewezen
niet voor den veld- maar voor den garnizoens- en patrouilledienst,
waarmede weinig eer te behalen viel. En hij betreurde het diep dat er
nog zooveel tijd moest verloopen vóór zijn dertigste jaar, als wanneer
hij eerst voor openbare betrekkingen, raadslid en rechter zou kunnen in
aanmerking komen. Ook was zijne levenswijze veel geregelder geworden;
men sprak niet meer gelijk vroeger van de nachtelijke schandalen,
door hem aangericht, en zoo hij nog steeds behagen bleef scheppen in
het gezelschap der schoone Antheia, dit werd door Simon op lange na
zoo streng niet meer gelaakt als vroeger. Immers hem was gebleken dat
deze hetaire, die tal van Atheners aan haar zegekar geboeid hield,
afkomstig was uit het stamverwante Ionische Miletos, het Athene van
Klein-Azië, voor eenige jaren door de Perzen geplunderd en verbrand. De
herinnering aan de toen gepleegde gruweldaden was bij haar nog even
levendig als toen zij ze onder hare oogen zag plaats grijpen en de
hooggestemde taal, waarin zij deze voor den blik harer bewonderaars
deed herleven, was in niet geringe mate geschikt om Athenes weerbare
mannen te vervullen met geestdriftvolle kloekhartigheid voor de bange
dagen, die te wachten stonden.
Minder gelukkig was Simon in zijne pogingen tot hervorming van
Pheidippides' broertjes, Philoxenos en Amynias. Zij zaten vol
ondeugende streken. Zoo vaak zij naar school gingen, hielden zij niet,
als het behoort, het hoofd gebogen, de oogen ter aard gericht, de armen
en handen in de plooien van hun kleed verborgen, maar zagen brutaal om
zich heen, niet eens blozend wanneer een oudere hen aansprak. Bij de
muziek- en zangles, wanneer zij de gewone liederen «Stedenverwoestende
Pallas!» of «Wijdgalmende lyra-akkoorden» moesten aanheffen, waren
zij met de eenvoudige, ouderwetsche toonzetting niet meer tevreden
en vlochten allerlei roulades en andere wufte versierselen in den
zang, hetgeen hun keer op keer eene gevoelige kastijding op den
hals haalde van den onderwijzer, die op dit punt geen gekscheren
verstond. Bij de oefeningen in de palaistra waren ze weigerachtig op
de voorgeschreven welvoeglijke en kiesche wijze neder te zitten en
bij het opstaan het zand, waarin zij gezeten hadden, saâm te vegen,
opdat het afdruksel van hunne gedaante bij de toeschouwers geen onreine
gedachten zou verwekken. Aan tafel was het reeds geschied dat zij zich
van spijs hadden voorzien vóór de anderen en, niet tevreden met den
voorvaderlijken groven kost, van de lekkernijen hadden medegeproefd,
uitsluitend voor de volwassenen opgediend. Al die overtredingen nu
pleegden zij niet zoozeer met booze bedoelingen, als uit een geest
van verzet tegen het bestaande en overgeleverde, uit eene zenuwachtige
prikkelbaarheid, die ook elders werd opgemerkt en als het ware in de
lucht scheen te zitten, te voorschijn geroepen door de nadering der
geweldige gebeurtenissen, in het Oosten voorbereid.
In afwachting dat het opkomende onweer losbarstte, ging het
Atheensche leven zijn gewonen gang en zoo bewoog zich ook op een
helderen avond de bruiloftsstoet, die Simon en Demetria naar hunne
gemeenschappelijke woning zou voeren, door de straten. De verloofden
hadden de vereischte verklaring afgelegd en de jonge vrouw was in het
register der phratria van haren echtgenoot opgenomen. Gebeden en offers
waren gebracht aan de godheden, wier zegen onmisbaar was voor het
welzijn des huwelijks: aan Artemis, de schutsgodin der jonge meisjes,
wie Demetria dan ook een fraai wijgeschenk vereerd had; aan Hera,
die den echt beschermde en de geboorten begunstigde; aan Demeter,
die over de opvoeding der kinderen waakte. Men had nauwlettend
zorg gedragen dat bij het offer aan Hera de gal van het offerdier
niet mede aan de vlammen prijsgegeven, maar begraven was geworden,
als symbool van den wensch dat alle bitterheid van het jonge paar
verwijderd mocht blijven. Vóórdat met de offers een aanvang werd
gemaakt, hadden bruid en bruidegom het voorgeschreven bad genomen,
waarvan het water uit een heilige bron in de nabijheid van Timotheos'
woning was verstrekt. Daarna was in het ouderlijke huis der bruid een
maaltijd gehouden, waarbij als uitzondering ook vrouwelijke gasten,
zij het aan afzonderlijke tafels, hadden aangelegen en de bekende
Chiërwijn des vaders zijn vroegeren bijval had gevonden. Het feest
was slechts een oogenblik verstoord door het ongevraagd binnentreden
van een tammen aap, welken de jeugdige Philoxenos en Amynias zich op
het voorbeeld van den Molossischen hond huns broeders sedert eenigen
tijd hadden aangeschaft. Het beest had eene verbazende opschudding
veroorzaakt, temeer daar Pheidippides, die het geval heel aardig vond,
onder den schijn het dier te willen vangen, den aap steeds wilder had
gemaakt. En de beide knaapjes hadden bij die gelegenheid bespeurd wat
een slechte roep vermag; immers hoewel zij aan het voorval volmaakt
onschuldig waren, had hun vader stijf en sterk beweerd, dat het door
hun opzettelijk toedoen veroorzaakt was; hij had zelfs, tegenover
zijne gasten een flinke houding wenschende aan te nemen, zijn zonen
van den disch willen verwijderen en slechts op de krachtige voorspraak
des bruidegoms van dit voornemen afgezien. Na afloop van den maaltijd
was een wagen, bespannen met witte muildieren, verschenen, waarop
nevens Simon en Demetria eene plaats was toegekend aan Aischylos,
die bij de plechtigheid als bruidsleider was opgetreden. De gasten
hadden fakkels ontstoken aan den haard van het ouderlijk huis, om
daarmede volgens een lief gebruik straks het vuur in de woning van
het jonggehuwde paar te doen ontvlammen; zwaaiend met de toortsen,
welker rosse gloed den nachtelijken hemel verlichtte, omzwermden zij
den wagen, die langzaam zijn schoonen last voortbewoog, terwijl de
hymenaios, de huwelijkszang, eerst door enkele stemmen werd aangeheven:
Bruiloft vierden op deze wijs
Zeus, die van zijn hoogen troon
Heerscht over de goden en
Hera, die zijn rijksstoel deelt.
Als thans klonk er het bruidslied:
Waarop allen invielen:
Hymen! o Hymenaios!
Wederom verhieven zich de stemmen van zooeven:
Goudvleugelige Eros was 't
Die als bruidsknaap, bloeiend schoon,
Zeus en Hera zat ter zij
En de bruidskarosse met
Rozenvingeren stuurde.
En wederom besloot het koor:
Hymen! o Hymenaios!
De optocht sloeg den hoek eener straat om. Daar, plotseling, kwam een
windvlaag den feestvierenden tegemoet en drie, vier fakkels werden
uitgebluscht. Het was een ongunstig voorteeken voor het huwelijksgeluk
van Simon en Demetria en lang zoo opgewekt niet, als de vroegere,
klonk het derde gedeelte van het bruiloftslied:
Volgt den bruidsstoet op zijn pad;
Volgt hem naar des bruigoms huis;
Strooit hun bloemen waar ze gaan;
Volgt hen, kransen om het hoofd;
Leidt hen op naar het bruidsbed,
Hymen! o Hymenaios!
Eenige weken waren voorbijgegaan en de jonge vrouw begon zich
langzamerhand in hare nieuwe omgeving tehuis te gevoelen. Toen was
het dat Simon op zekeren morgen met een ernstig gelaat tot haar zeide:
«Demetria, volg mij naar het altaar van den haardbeschermenden Zeus,
dat wij te zamen den god een offer brengen.» Demetria verliet het
weefgetouw waarmede zij bezig was en volgde den echtgenoot met haar
gewone zachte bereidwilligheid naar het aan de zijde van het peristyl
geopende voorvertrek, waarin zich het bedoelde altaar bevond. Simon
waschte zich eerst zorgvuldig de handen, welk voorbeeld door Demetria
gevolgd werd, waarop zij gezamenlijk den god plengden en hij, rechtop
staand, de armen omhoog geheven, de handen naar buiten gebogen,
tot Zeus bad dat deze hem mocht vergunnen de juiste woorden tot
zijne vrouw te richten en tevens dat die woorden bij haar in een
vruchtbaren bodem mochten vallen. Vervolgens richtte op zijn verzoek
Demetria haar gebed tot den oppergod, smeekende dat het haar steeds
gegeven zou worden nimmer de plichten, die in haar nieuwen staat op
haar rustten, te verzaken. En toen ving Simon het gesprek aan, reeds
lang voorbereid, overtuigd dat wanneer de man zich zijne vrouw meer
tot vertrouwelinge maakte, dan meestal het geval was; wanneer zij
het bewustzijn erlangde dat haar aandeel in de gemeenschappelijke
levenstaak, hoezeer verschillend, in werkelijkheid niet minder
beteekenend was dan de zijne, de wederzijdsche verhouding niet anders
dan gebaat zou kunnen worden.
«Demetria,» begon hij, «sedert wij gehuwd zijn behoort dit huis
en alles wat zich daarin bevindt gemeenschappelijk aan ons beiden,
zoodat het niet op onzen weg ligt na te gaan wie daarin het meest
heeft aangebracht. Liever zou ik willen zeggen dat het gewichtigste
aandeel behoort aan hem, die het verstandigst huishoudt.» Demetria
zag bij deze tegenover eene Atheensche jonge vrouw ongewone woorden
eenigszins schuchter op en vroeg: «Hoe kunt ge mijn aandeel in de
huishouding met het uwe vergelijken? Alles gaat immers in de eerste
plaats uzelf aan. Mijn vader heeft mij bij het sluiten des huwelijks
alleen op het hart gedrukt, ingetogen en ordelijk te zijn.» «Dat
zijn deugden, die mij eveneens moeten sieren als u. Doch vrouw en
man behooren gelijkelijk de belangen van het huis waar te nemen en
de goederen, die zij bezitten, niet alleen nauwlettend te beheeren,
maar ook te vermeerderen.» «Gaat die zorg dan niet uitsluitend u aan?»
«In geenen deele; slechts in zoover de goden die zorg mij hebben
opgedragen. Immers de goden, toen zij den man een forscher lichaam
en een krachtiger ziel schonken, gaven daarmede te kennen dat op
hem aankomt alles wat buitenshuis plaats heeft: het staatsbeleid, de
oorlog en de scheepvaart. En als zij der vrouw een teederder gestel en
weeker gemoed gaven, wilden zij daarmede aanduiden, dat voor haar is
weggelegd alles wat het huiselijk beheer en de opvoeding der kinderen
in de eerste levensjaren betreft; zaken die waarlijk niet minder
belangrijk zijn dan de zooeven genoemde.»
Zijne vrouw zag hem verbaasd in de oogen. Dat de werkkring van
man en vrouw in waarde gelijk zou zijn, daarvan had zij noch in den
huiselijken kring, noch door hare vriendinnen en bekenden ooit hooren
gewagen. Doch zij voelde dat Simons woorden weldoordacht en welgemeend
waren en een wijde horizon van geluk opende zich voor haar; dankbaar
zag ze hem aan, terwijl ze zeide: «Ik dacht niet dat mijne huiselijke
bezigheden u zoo belangrijk zouden voorkomen.» «Niet belangrijk? Dan
zouden ook de bezigheden van de bijenkoningin niet belangrijk moeten
genoemd worden.» «De bijenkoningin?» «Voorzeker. Ge hebt vooral in
vroeger jaren, toen uw vader op het land woonde, vaak den arbeid
der bijen gadegeslagen. Welnu! deel zelve mede waarin de taak der
bijenkoningin bestaat.» «Zij bewaakt den korf en staat niet toe dat
een enkele bij ledig blijve; zij zendt naar buiten die bestemd zijn
in het veld te arbeiden; zij proeft en neemt in ontvangst al wat in
den korf wordt aangebracht; zij bewaart en verdeelt naar gelang der
behoefte den aanwezigen voorraad; zij zorgt dat de cellen ordelijk
en regelmatig aangelegd worden; zij ziet toe dat de jonge bijen met
beleid en verstand worden opgevoed en vormt ze, als ze volwassen zijn,
tot volkplantingen, die elders worden heengezonden en nieuwe korven
bevolken.» Naarmate Demetria deze verschillende bezigheden opsomde,
bemerkte zij zelve hoe juist het door haren echtgenoot gekozen beeld
was en vroolijk sloeg zij de handen ineen toen ze geëindigd had. «Bij
Artemis!» ging zij voort, «dat is volkomen hetzelfde wat mij te wachten
staat. Maar zulk eene bijenkoningin is een heel gewichtig personage;
zonder haar zou de korf al zeer spoedig tot een droevigen staat
vervallen.» «En hoe zoudt ge dan meenen dat de toestand van onzen
korf zou wezen, wanneer gij dien mocht verlaten? Ik wil u nog ééne
bezigheid opnoemen, welke niet tot de taak der bijenkoningin behoort
en u wellicht de onaangenaamste zal toeschijnen: het verzorgen van
diegenen onzer dienaren, die krank mochten worden.» «O neen! dat zal
juist mijne aangenaamste bezigheid wezen. Want, erkentelijk voor
mijne goede zorgen, zullen zij zich hoe langer zoo meer aan mij
gaan hechten.»
Simon, op zijne beurt, zag haar dankbaar in de oogen en gevoelde,
evenals zij daar straks, welk een schat hij in zijne wederhelft had
gevonden; hij streek met de hand over haar rosbruin hoofdje waarop
de krulletjes al heel aardig begonnen aan te groeien en vervolgde:
«Hebt ge wel opgemerkt dat zoo vaak de bijenkoningin den korf verlaat,
geen enkele bij tehuis blijft doch alle haar volgen? Welnu, Demetria,
eene gelijke toegenegenheid, eene even groote liefde zal allen in deze
woning aan u verbinden.» «Maar, wanneer ik in ontvangst te nemen, te
bewaren en te verdeelen heb, dan moet gij ook zorg dragen dat er veel
in den korf wordt gebracht; anders zou de taak der bijenkoningin weinig
beteekenen.» «En waartoe zou mijn arbeid buiten den korf strekken,
wanneer ik niet de wetenschap bezat, dat zich daarbinnen iemand
bevond, die de vruchten daarvan wist te bewaken en te beheeren? Zou
die arbeid niet te vergelijken zijn met dien der dochteren van Danaos,
veroordeeld ten eeuwigen dage water in een bodemloos vat te gieten?»
«Welk een vreeselijke arbeid zal dat wezen! Dus waarlijk, mijne taak
is niet minder dan de uwe?» «De goden, die noch den man noch der vrouw
de volmaaktheid schonken, hebben gewild dat beiden in wederzijdsche
afhankelijkheid zouden leven en hunne vereeniging is des te inniger
naarmate de een beter kan aanvullen wat den ander ontbreekt. Indien ge,
waaraan ik niet twijfel, Demetria, den korf als eene goede koningin
bewaakt en beheert, dan zult ge in mij steeds een liefhebbenden en
zorgzamen echtgenoot vinden, die u zelfs hooger zal schatten dan
zichzelven. En ge behoeft niet te vreezen dat met het klimmen der
jaren mijne toegenegenheid voor u minder zal worden; neen! want
juist naarmate ge mij eene trouwer gezellin en onzen kinderen eene
beminnelijker verpleegster zult wezen, zullen de achting en de liefde,
die ge allen inboezemt, grooter en inniger worden.»
Aldus spraken Simon en Demetria, en toen het gesprek geëindigd was,
gevoelden beiden, dat er iets goeds en liefs zijne intrede in hun
leven had gedaan.