Den volgenden morgen begaf Simon zich op weg naar de woning van den
beeldhouwer Rhoikos. Hij vond den kunstenaar in zijne werkplaats, in
gezelschap zijner dochter Erinna, die bij Simons komst als gewoonlijk
wilde verdwijnen, doch de jonge man liet haar zulks ditmaal niet
toe. Hij had een klein, albasten, nauwhalzig fleschje, met kostelijk
Syrisch reukwerk gevuld, medegebracht en, terwijl hij haar dit
voorhield, zeide hij: «Wel, Erinna, ge hebt u gisteren voortreffelijk
van uwe taak in den optocht der Panathenaien gekweten. En ik wil u
toonen dat de goden nooit onbeloond laten, als iemand zijne plichten
tegenover hen goed en nauwlettend vervult. Immers heden nacht in den
droom kwam het mij voor dat de godin Athene zelve mij verscheen en
opdroeg, een klein geschenk aan hare lieve korfdraagster ter hand
te stellen.» Het meisje, hoewel zeer in haar schik dat de godin
Athene zooveel aandacht aan haar wijdde, stond besluiteloos; zij
had den ondankbaren leeftijd bereikt, waarop het aannemen van een
geschenk even bezwaarlijk is als het weigeren daarvan. Doch het
sierlijke, welriekende fleschje was zóó verleidelijk, dat hare
aarzeling van korten duur was; zij nam het aan en wilde na eene
onhandige dankbetuiging ijlings het vertrek verlaten, toen Simon
haar opnieuw den doortocht versperde. «Niet zoo haastig, Erinna,»
zeide hij. «Een geschenk is een tegengeschenk waard, temeer nu dat
tegengeschenk slechts de beantwoording eener enkele vraag is. Hoe
heet het meisje met kort rosbruin haar, dat gisteren in den stoet
naast u liep?» Erinna zag den spreker verbaasd in de oogen; als een
jongeling van twintig jaren haar die vraag had gedaan, zou zij de
strekking ervan wel begrepen hebben, maar Simon, dien zij reeds een
tiental jaren als bezoeker van haars vaders huis had gekend, was in
de oogen van het meisje een veel te deftig persoon, dan dat hij met
verliefde bijoogmerken den naam van haar vriendinnetje zou wenschen
te weten. Zij antwoordde: «Demetria, de dochter van Timotheos,»
en slipte de deur uit met het fleschje in de hand--net een hagedis,
dacht Simon evenals gisteren. Hij wist echter wat hij weten wilde en
hield haar niet verder op.
Rhoikos had aan het geheele tafereel weinig aandacht besteed. Hij
was vervuld van het kunstwerk waaraan hij arbeidde, en toen dan ook
zijne dochter het atelier verlaten had, verzocht hij Simon een blik
te willen werpen op een bijna voltooid beeld, waaraan hij bijzondere
zorg had besteed. Een gordijn in den hoek der werkplaats werd ter zijde
geschoven en Simon aanschouwde een meer dan levensgroot, wit marmeren
vrouwenbeeld, eene priesteres van Athene, de bovenarmen tegen het
lichaam gesloten, terwijl de rechterarm vooruitgestrekt was, de linker
naar beneden hing en den zoom van het gewaad ophield. De kleeding
bestond uit een fijn, gegolfd onderkleed en een zwaar, sterk geplooid
manteltje dat linkerschouder en borst vrijliet en tot op den laatsten
rugwervel reikte. Simon, hoewel zijn geest bij het binnentreden met
geheel iets anders vervuld was dan met de voortbrengselen van Rhoikos'
beitel, zou echter geen Athener geweest zijn, wanneer hij den nieuwen
indruk niet met levendige ontvankelijkheid had opgenomen; zich voor het
beeld plaatsend, bezag hij het aandachtig. En hij bespeurde er iets in,
waarvan hij zich in den aanvang geen rekenschap vermocht te geven; iets
dat zijn gemoed weldadig aandeed, hoewel het beeld zich oppervlakkig
niet onderscheidde van de overige kunstscheppingen dier dagen. Scherper
en langer ziende, bemerkte hij echter kleine wijzigingen, het eerst
in het haar, dat, vrijer behandeld, in het midden gescheiden, aan
beide zijden van het hoofd naar beneden golfde en vervolgens achter
de ooren gestreken was om in drie lokken aan weerskanten over den
boezem te vallen. De mond was bevrijd van den typischen glimlach,
hem tot nog toe eigen en bezat eer een weemoedige uitdrukking;
de binnenste ooghoeken waren een weinig naar beneden gericht, wat
vroeger ontbrak. Het geheel was niet iets ten eenenmale nieuws, maar
toch meer dan louter eene verbetering van het bestaande: een belofte
voor de toekomst; een onmerkbaar heenwijzen naar de geweldige vlucht,
welke de beeldhouwkunst veertig jaren later zou nemen. Dat alles werd
Simon langzamerhand klaar en verschafte hem eene groote verheuging;
het was alsof hij heel in de verte een onbekend land zag, dat hijzelf
misschien nooit van aangezicht tot aangezicht zou aanschouwen, doch
dat betreden en gewonnen zou worden door een volgend geslacht, een
heerlijk wingewest voor het violenomkranst Athene.
«Ik wensch u geluk, Rhoikos,» zeide hij eindelijk. «Gij zijt als
Pygmalion, een lieveling der goden en het is alsof Pallas Athene
zelve ziel en leven heeft geschonken aan het voortbrengsel uwer kunst.»
De bescheiden beeldhouwer schudde ontkennend het hoofd. «Prijs
mij niet overmatig, Simon,» merkte hij op, «het mocht den nijd der
goden wekken. Wij zijn er slechts even in geslaagd door onze kunst
te kennen te geven, dat er in de schijnbaar onbezielde een hoog, een
heerlijk leven sluimert. Hij zal komen na mij, die de doode opwekken en
bezielen zal, al is wellicht de dag niet ver, die hem het aanzijn zal
schenken. Maar ons blijft de troost dat hij den beitel ontvangen uit
onze hand en den fakkel, waarmede hij eens glansrijk Hellas verlicht,
ontstoken zal hebben aan onzen haard.»
En de beide mannen bespraken welk een ontzettende afstand de
tegenwoordige beeldhouwkunst scheidde van de eerste voortbrengselen
daarvan, de oudste voorstelling der godheid, het ruwe xoanon, van
geringen omvang, uit hout der aan de godheid gewijde boomen gesneden,
met de beenen aaneen, de oogen gesloten, de armen stijf langs het
lichaam of rechtuit ter zijde gestrekt. Toen was Daidalos gekomen,
die aan het beeld de oogen opende, de beenen scheidde en den armen
eene vrijere beweging schonk. En het hout was vervangen door brons,
naast het brons was het marmer verschenen en men had steeds gewerkt,
soms met groote tijdsruimten waarin men schijnbaar niets vorderde,
maar toch vooruitstrevend naar het einddoel dat, naar de beeldhouwer
voorspelde, spoedig zou zijn bereikt. Hijzelf, zeide hij, vormde
reeds weder een overgang; hij was zich bewust van de fouten van
het tegenwoordige tijdperk, het vaak slordige der anatomie, het
conventioneele der draperie, doch hij miste de geniale hand om die
fouten, waarin hij opgegroeid en gevormd was, te verbeteren. Maar
hij bleef zoeken in rustelooze onvoldaanheid, tevreden wanneer een
volgend geslacht zou vinden, wat voor hem nog onbereikbaar was:
het schenken van een volmaakten vorm aan de hoogste idee.
Zoo spraken zij langen tijd, tot eindelijk Simon het onderwerp te
berde bracht, dat hem naar des beeldhouwers woning had gevoerd. Hij
verhaalde dat hij voornemens was in het huwelijk te treden, zonder
daarbij echter mede te deelen de opvoedkundige plannen, die hij met
zijne aanstaande echtgenoote voor had. En hij verheelde niet hoe het
meisje, dat gisteren aan Erinna's zijde in den optocht verschenen was,
een diepen indruk op hem gemaakt had. Of de beeldhouwer hem wellicht
omtrent haar en de haren iets kon mededeelen? Rhoikos deed het gaarne
en vertelde van Demetria's vader, Timotheos, een goedrond buitenman,
die in vroeger jaren rustig op het land geleefd had te midden van
zijn wijn- en olijventeelt, van zijn schapen en bijen. Toen was hem
in een onbewaakt oogenblik een huwelijk aangepreekt met een meisje
van bijzonder deftige familie, maar die, buiten haar lange lijst
van voorvaderen, geen obool aanbracht: Kleitagora, de dochter van
Megakles, uit het geslacht der Alkmaioniden. Maar het had hem bitter
berouwd! Het verschil in aanleg en opvoeding had zich terstond doen
gelden. «Toen wij het huwelijksbed bestegen,» had Timotheos wel eens
in een vertrouwelijk oogenblik tot den beeldhouwer gezegd, «rook ik
naar most en onbereide wol, zij naar saffraan en allerlei soorten
reukwerk.» En het was er niet beter op geworden, toen na een jaar
de olijftak aan de huisdeur werd aangebracht, ten teeken dat er een
zoon geboren was. Al dadelijk was er een hevig gekibbel ontstaan over
den naam, die aan het knaapje zou gegeven worden. De aristocratische
moeder wilde volstrekt dat er iets van een paard, hippos, in zou
voorkomen; Xanthippos of Charippos moest de jongen heeten. De vader
daarentegen wenschte den naam van zijn eigen vader, Pheidonides;
de stamverwantschap met pheidomai, ik spaar, had voor den heereboer
veel aantrekkelijks. Ten slotte had men het op een akkoordje gegooid
en het jongsken Pheidippides genoemd. Doch naarmate het in jaren
toenam, was ook de oneenigheid tusschen de ouders gerezen. Er ging
geen dag voorbij of de moeder zeide tot den kleinen Pheidippides:
«Als je groot zijt, rij je op de wedstrijden in een mooi wagentje
mee, met een prachtige xystis aan, net als je grootvader Megakles,»
waarop de vader onvermijdelijk deed volgen: «Als je groot zijt,
houd je het opzicht over den wijnoogst, met een ouden chiton om
het lijf, net als je grootvader Pheidonides.» Geen wonder dat het
eerste vooruitzicht het aankomend mannetje meer toelachte dan het
tweede, zoodat dan ook het paardachtig element in zijn naam het
spaarziek bestanddeel daarvan allengs begon te verdringen, hetgeen
er niet beter op geworden was toen de moeder voor een paar jaar had
doorgedreven dat men het land verlaten en in Athene zou gaan wonen,
waar zij trouwens spoedig gestorven was. Pheidippides was overigens
geen kwade jongen, van wien nog wel wat terecht te brengen zou zijn,
als hij maar in andere handen geraakte dan die van zijn suffenden
vader en van vrienden, welke met laakbare eenzijdigheid slechts in
dienst van het vermaak leefden. Maar Demetria was een allerliefst
meisje, het type eener Atheensche jonkvrouw, zedig en bescheiden
en in niets belangstellend dan in huiselijke zaken. Verder waren er
nog twee jongere broertjes van dertien en veertien jaar, Philoxenos
en Amynias, in wie de aard van den stamhouder scheen te zitten en
die zich reeds nu met allerlei kattekwaad bezig hielden. De oude
Timotheos was in goeden doen; hij had tot voor korten tijd zijn land
door een vertrouwden slaaf laten beheeren en toen deze gestorven
was het verkocht en zijn geld op bodemerij uitgezet, waarmede hij in
goede jaren 25 pCt. maakte. Dit was hetgeen de beeldhouwer aan Simon
had mede te deelen en wat dezen versterkte in zijn voornemen naar
Demetria's hand te dingen, waarbij heel op den achtergrond voor zijn
geest de mogelijkheid verrees, nog iets terecht te brengen van den
jongen Pheidippides, die voor twee dagen zulk een gunstigen indruk
op hem gemaakt had. Met goede verwachtingen voor de toekomst begaf
zich de jonge Athener, na zijn vriend dank gezegd te hebben voor
diens bereidwilligheid, weder huiswaarts.