II.

Simon begaf zich ter ruste. Tegen zijne gewoonte nam hij geen deel aan

het nachtfeest, dat den laatsten dag der Panathenaien vooraf ging; nu

hij behoorde onder hen, wien de leiding van den stoet was opgedragen,

wilde hij zijne krachten sparen voor den volgenden dag en eenige

uren ongestoorden slaap genieten. Hij had er anders vaak en veel

pleizier gehad, hetzij als mededinger bij den fakkelwedloop, hetzij

als eenvoudig toeschouwer, in welke hoedanigheid men allerlei aardige

avontuurtjes kon hebben met niet te preutsche meisjes. Maar ook dit

trok hem minder aan nu hij dertig jaar was geworden en sedert eenigen

tijd ernstig aan trouwen dacht. Evenwel, hij aarzelde voortdurend den

beslissenden stap te doen, een meisje zoekend dat hij eenigszins tot

leidsman en opvoeder kon strekken, daar hij eene andere opvatting

van het huwelijk huldigde dan de Atheners in den regel deden. Een

dergelijk meisje had hij echter tot dusver nog niet ontmoet en waar

het verkeer tusschen jongelieden van beiderlei geslacht zoo uiterst

beperkt was, wanhoopte hij er aan het ooit te vinden.

Vóór dag en dauw stond Simon op, ontbeet met een stuk brood in

ongemengden wijn gedoopt en begaf zich naar den buiten-Kerameikos,

de wijk waar de feeststoet zou worden opgesteld. Het kostte heel

wat tijd eer hij zelf en de overige commissarissen, herauten en

tempeldienaars de omvangrijke processie hadden geordend en aan

menschen, dieren en wagens de juiste plaats gewezen: aan de groepen

van twijgdragende grijsaards, overwinnaars in de wedloopen, hooge

magistraatspersonen, fluit- en citerspelers, jongelingen te voet en

te paard, hopliten en ruiterij van goeden huize, gezantschappen van

stamverwante staten, dragers van wijgeschenken voor de godin, korf-

en offergereedschapdraagsters van deftige geboorte, Atheensche burgers

en burgeressen, burgerrechtlooze ingezetenen, kudden van runderen en

rammen, paradewagens en eindelijk aan het hoofdbestanddeel van den

optocht, den in die dagen nog door jonkvrouwen gedragen peplos. Het

feestgewaad, door vrouwen en meisjes vervaardigd, was ditmaal bijzonder

fraai en vertoonde in schitterende kleuren op saffraanvervigen

ondergrond den strijd der goden met de giganten. Eindelijk was

alles gereed en begaf men zich langs den voorgeschreven weg naar

de akropolis.

Simon had gedurende den langen tocht ruimschoots gelegenheid zijne

blikken te doen weiden. En er viel heel wat te zien. Zoodra hij het

hoofd een weinig wendde, rustte zijn oog op de tot wijgeschenken

bestemde fraaiste producten der Atheensche kunst: beeldhouwwerken

in marmer en brons, sierlijke amphoren en drievoeten, offerschalen

en schilden. En vóór zich aanschouwde hij de liefste en bevalligste

meisjes uit de beste Atheensche familiën, sierlijke mandjes met

bloemen, vruchten en reukwerk gevuld, boven het hoofd houdend. Hij

had er pleizier in, de houding der onderscheidene meisjes gedurende

den optocht gade te slaan. Allen wisten dat de blikken der Atheensche

jongelingschap, voor welke zij gedurende het grootste gedeelte van

het jaar onzichtbaar waren, heden op haar rustten; dat het feest

der Panathenaien de aanleiding tot menig huwelijk was. Sommigen

waren zichtbaar onder den indruk er van en hielden de schoone

oogen strak op den grond gericht, terwijl ze met langzame passen

voortschreden. Anderen vonden het zoo heel erg niet en keken vroolijk

en lustig de wereld in, blijkbaar van meening dat men alle goede

eigenschappen, ook maagdelijke schuchterheid, kan overdrijven. Nog

waren er die de lange oogharen wel is waar neergeslagen hadden, doch

niettemin uitstekend bespeurden wat er rondom haar voorviel en wie der

omstanders haar zijne stilzwijgende hulde bracht. En Simon maakte bij

zichzelf voorspellingen en phantaseerde hoe die verschillende jonge

meisjes, vrouwen en moeders geworden, zich zouden gedragen. Die dáár,

die zoo verbazend zedig keek, vertrouwde hij niet te best; zij had

een plooi om haar lippen, die hem niet aanstond en kwalijk bij haar

bedeesde blikken paste. Die andere meende het beter; haar heele gelaat

stond buitengewoon stemmig; zij zou waarschijnlijk een feillooze,

maar tevens een heel vervelende vrouw worden. En naast haar...

Er ontstond eene stremming in den optocht. Men was op de agora

aangekomen en een deel der offerbeesten werd van den stoet gescheiden,

om ter slachting geleid te worden op den Areiopagos en naar het altaar

van Athene Hygieia. Enkele der runderen met vergulde hoorns, die toch

reeds door de kransen, waarmede zij getooid waren en door al de in

en om den stoet heerschende drukte, lastig waren geworden, weigerden

mede te gaan en zwaaiden onrustig de koppen heen en weder. Met moeite

werden ze door de geleiders tot hun plicht gebracht en ter offerplaats

gevoerd, om later met hun lotgenooten tot besluit van het feest door

het volk te worden verorberd.

Simon zette zijne jonkvrouwelijke studiën voort. Dàt was een aardig

meisje, zwart van haar en oogen; zij merkte heel goed dat men haar

aardig vond, maar kon het best verdragen. Zij bezat bij al haar

levendigheid een gezonden eenvoud en Simon zag haar al in de toekomst,

moeder van een talrijk gezin, met denzelfden helderen blik als thans

het toezicht houden op krijschende kinderen, wevende slavinnen

en voor keuken en kelder zorgen, zooals eene eerzame Atheensche

huisvrouw schuldig was te doen. Of echter die gedecideerde jonkvrouw,

die vrij wat vasten wil leek te bezitten, wel de meest geschikte

deelgenoote zou wezen voor een huwelijk in hooger en intiemer zin,

zooals hij beoogde en waarbij hij in den aanvang als gids en leeraar

zou moeten optreden? Hij betwijfelde het en wendde het oog naar een

tweetal meisjes, blijkbaar vriendinnen, die heel netjes naast elkander

liepen en schijnbaar rechts noch links keken. Het eene kende hij wel...

Een nieuwe stoornis in den optocht had plaats. Het Eleusinion was

bereikt, toen plotseling een hevig paardengetrappel zich deed hooren

en aller blikken zich richtten naar het gedeelte van den stoet,

waar de ruiterij zich bevond. Deze, uit jongelieden van de beste

familiën bestaande, zonder uitzondering op fraaie paarden gezeten,

welken tot kenmerk van echt ras de letter k of s op het kruis was

ingebrand, had gedurende de processie manoeuvres uitgevoerd en op

elegante wijze geparadeerd. Een der paarden had zich van den aanvang af

koppig gedragen, onophoudelijk gesteigerd en was er thans in geslaagd

zijn berijder, door stijgbeugel noch zadel gesteund, af te werpen,

bij welke gelegenheid hij eene diepe hoofdwond had bekomen. Simon

spoedde zich naar de plaats waar het ongeluk gebeurd was. Daar lag

de jonge Athener, doodsbleek, het aangezicht met bloed bedekt dat

de lichtbruine haren saam deed kleven, in zijn fraaie uitrusting,

met den blauwen mantel om het lijf, alleen de rechtervoet van een

spoor voorzien, een sierlijken armband om den pols. Het kleine bronzen

schild en de groen-bronzen helm met liervormige kamversiering en gouden

lauwerkrans, van achteren met een zwaren, witten paardestaart getooid,

lagen op eenigen afstand. Het paard, op eens bedaard geworden, als

ware het zich bewust iets heel verkeerds gedaan te hebben, werd door

een stalknecht weggevoerd.

Men nam den bewusteloozen ruiter op en bracht hem naar eene

veilige plaats. Ongeluksprofeten zagen in het gebeurde een slecht

voorteeken; er waren er zelfs die beweerden, dat het beter ware de

plechtigheid niet te laten doorgaan. Doch de stoet schreed verder,

langs den Pelasgischen muur rondom de akropolis naar den ingang des

burchtheuvels. En het oog van Simon zocht terstond onder den groep der

korfdraagsters de twee meisjes wederom op, die zoo straks zijn aandacht

hadden getrokken. Ja, het eene, het blondje, kende hij wel; het was

de zestienjarige Erinna, de dochter van den beeldhouwer Rhoikos, die

hij wel eens in de werkplaats van haar vader had gezien. Een echt

kind, dat altijd als een hagedis wegslipte, zoo vaak er bezoekers

kwamen. Maar de andere jonkvrouw, met dat buitengewoon korte, rosbruine

haar, kende hij niet. En toch, hij kende haar wel; hij wist zeker

dat hij die vioolkleurige, smachtende oogen meer gezien had; waar,

dat kon hij zich niet herinneren. Zij was zeker niet ouder dan haar

buurmeisje Erinna; toch was ze meer vrouw; ze had een ernstiger trek

op haar gelaat en tevens iets kinderlijks, iets vertrouwelijks, dat

hem bijzonder aantrok. Waar had hij ook weer die vioolkleurige oogen

gezien? Hoe jammer dat het rosbruine, mooie haar zoo kort gesneden

was! Hoe gelukkig aan den anderen kant dat het meisje zoo tenger en

fijn was; stel u voor een statige, zwaar gebouwde jonkvrouw met korte

krulletjes! En Simon keek zóó lang en zóó diep in die vioolkleurige

oogen, welker herkomst hij nog maar steeds niet kon ontdekken; en

hij staarde zóó onafgebroken naar dat rosbruine kroeshaar, dat hij,

toen de optocht den ingang van de akropolis bereikt had, smoorlijk

verliefd was en vast besloten, indien de goden het wilden, met deze

bekoorlijke korfdraagster een huwelijksband te sluiten, gelijk hij

zich dien steeds had voorgespiegeld.

De processie maakte halt. De weg, die naar den top der akropolis

leidde, was voor dieren en voertuigen onbruikbaar; de ruiters stegen

af; de paarden, offerbeesten en paradewagens bleven aan den ingang

wachten. Simon, die als commissaris den stoet zou sluiten, zag

achtereenvolgens de verschillende deelnemers voorbij trekken, den

burchtheuvel op. Daar naderden de overwinnaars in de onderscheidene

wedstrijden van den vorigen dag, onder hen Pheidippides, keurig en

netjes en fijntjes evenals gisteren, een beetje vermoeid van uitzicht,

door het voorafgaande nachtfeest zeker. En plotseling ging Simon een

licht op: de smachtende, vioolkleurige oogen van Pheidippides geleken

als twee druppelen water op die van de bevallige korfdraagster.

Marathon · 第 6 / 19 题