Simon begaf zich ter ruste. Tegen zijne gewoonte nam hij geen deel aan
het nachtfeest, dat den laatsten dag der Panathenaien vooraf ging; nu
hij behoorde onder hen, wien de leiding van den stoet was opgedragen,
wilde hij zijne krachten sparen voor den volgenden dag en eenige
uren ongestoorden slaap genieten. Hij had er anders vaak en veel
pleizier gehad, hetzij als mededinger bij den fakkelwedloop, hetzij
als eenvoudig toeschouwer, in welke hoedanigheid men allerlei aardige
avontuurtjes kon hebben met niet te preutsche meisjes. Maar ook dit
trok hem minder aan nu hij dertig jaar was geworden en sedert eenigen
tijd ernstig aan trouwen dacht. Evenwel, hij aarzelde voortdurend den
beslissenden stap te doen, een meisje zoekend dat hij eenigszins tot
leidsman en opvoeder kon strekken, daar hij eene andere opvatting
van het huwelijk huldigde dan de Atheners in den regel deden. Een
dergelijk meisje had hij echter tot dusver nog niet ontmoet en waar
het verkeer tusschen jongelieden van beiderlei geslacht zoo uiterst
beperkt was, wanhoopte hij er aan het ooit te vinden.
Vóór dag en dauw stond Simon op, ontbeet met een stuk brood in
ongemengden wijn gedoopt en begaf zich naar den buiten-Kerameikos,
de wijk waar de feeststoet zou worden opgesteld. Het kostte heel
wat tijd eer hij zelf en de overige commissarissen, herauten en
tempeldienaars de omvangrijke processie hadden geordend en aan
menschen, dieren en wagens de juiste plaats gewezen: aan de groepen
van twijgdragende grijsaards, overwinnaars in de wedloopen, hooge
magistraatspersonen, fluit- en citerspelers, jongelingen te voet en
te paard, hopliten en ruiterij van goeden huize, gezantschappen van
stamverwante staten, dragers van wijgeschenken voor de godin, korf-
en offergereedschapdraagsters van deftige geboorte, Atheensche burgers
en burgeressen, burgerrechtlooze ingezetenen, kudden van runderen en
rammen, paradewagens en eindelijk aan het hoofdbestanddeel van den
optocht, den in die dagen nog door jonkvrouwen gedragen peplos. Het
feestgewaad, door vrouwen en meisjes vervaardigd, was ditmaal bijzonder
fraai en vertoonde in schitterende kleuren op saffraanvervigen
ondergrond den strijd der goden met de giganten. Eindelijk was
alles gereed en begaf men zich langs den voorgeschreven weg naar
de akropolis.
Simon had gedurende den langen tocht ruimschoots gelegenheid zijne
blikken te doen weiden. En er viel heel wat te zien. Zoodra hij het
hoofd een weinig wendde, rustte zijn oog op de tot wijgeschenken
bestemde fraaiste producten der Atheensche kunst: beeldhouwwerken
in marmer en brons, sierlijke amphoren en drievoeten, offerschalen
en schilden. En vóór zich aanschouwde hij de liefste en bevalligste
meisjes uit de beste Atheensche familiën, sierlijke mandjes met
bloemen, vruchten en reukwerk gevuld, boven het hoofd houdend. Hij
had er pleizier in, de houding der onderscheidene meisjes gedurende
den optocht gade te slaan. Allen wisten dat de blikken der Atheensche
jongelingschap, voor welke zij gedurende het grootste gedeelte van
het jaar onzichtbaar waren, heden op haar rustten; dat het feest
der Panathenaien de aanleiding tot menig huwelijk was. Sommigen
waren zichtbaar onder den indruk er van en hielden de schoone
oogen strak op den grond gericht, terwijl ze met langzame passen
voortschreden. Anderen vonden het zoo heel erg niet en keken vroolijk
en lustig de wereld in, blijkbaar van meening dat men alle goede
eigenschappen, ook maagdelijke schuchterheid, kan overdrijven. Nog
waren er die de lange oogharen wel is waar neergeslagen hadden, doch
niettemin uitstekend bespeurden wat er rondom haar voorviel en wie der
omstanders haar zijne stilzwijgende hulde bracht. En Simon maakte bij
zichzelf voorspellingen en phantaseerde hoe die verschillende jonge
meisjes, vrouwen en moeders geworden, zich zouden gedragen. Die dáár,
die zoo verbazend zedig keek, vertrouwde hij niet te best; zij had
een plooi om haar lippen, die hem niet aanstond en kwalijk bij haar
bedeesde blikken paste. Die andere meende het beter; haar heele gelaat
stond buitengewoon stemmig; zij zou waarschijnlijk een feillooze,
maar tevens een heel vervelende vrouw worden. En naast haar...
Er ontstond eene stremming in den optocht. Men was op de agora
aangekomen en een deel der offerbeesten werd van den stoet gescheiden,
om ter slachting geleid te worden op den Areiopagos en naar het altaar
van Athene Hygieia. Enkele der runderen met vergulde hoorns, die toch
reeds door de kransen, waarmede zij getooid waren en door al de in
en om den stoet heerschende drukte, lastig waren geworden, weigerden
mede te gaan en zwaaiden onrustig de koppen heen en weder. Met moeite
werden ze door de geleiders tot hun plicht gebracht en ter offerplaats
gevoerd, om later met hun lotgenooten tot besluit van het feest door
het volk te worden verorberd.
Simon zette zijne jonkvrouwelijke studiën voort. Dàt was een aardig
meisje, zwart van haar en oogen; zij merkte heel goed dat men haar
aardig vond, maar kon het best verdragen. Zij bezat bij al haar
levendigheid een gezonden eenvoud en Simon zag haar al in de toekomst,
moeder van een talrijk gezin, met denzelfden helderen blik als thans
het toezicht houden op krijschende kinderen, wevende slavinnen
en voor keuken en kelder zorgen, zooals eene eerzame Atheensche
huisvrouw schuldig was te doen. Of echter die gedecideerde jonkvrouw,
die vrij wat vasten wil leek te bezitten, wel de meest geschikte
deelgenoote zou wezen voor een huwelijk in hooger en intiemer zin,
zooals hij beoogde en waarbij hij in den aanvang als gids en leeraar
zou moeten optreden? Hij betwijfelde het en wendde het oog naar een
tweetal meisjes, blijkbaar vriendinnen, die heel netjes naast elkander
liepen en schijnbaar rechts noch links keken. Het eene kende hij wel...
Een nieuwe stoornis in den optocht had plaats. Het Eleusinion was
bereikt, toen plotseling een hevig paardengetrappel zich deed hooren
en aller blikken zich richtten naar het gedeelte van den stoet,
waar de ruiterij zich bevond. Deze, uit jongelieden van de beste
familiën bestaande, zonder uitzondering op fraaie paarden gezeten,
welken tot kenmerk van echt ras de letter k of s op het kruis was
ingebrand, had gedurende de processie manoeuvres uitgevoerd en op
elegante wijze geparadeerd. Een der paarden had zich van den aanvang af
koppig gedragen, onophoudelijk gesteigerd en was er thans in geslaagd
zijn berijder, door stijgbeugel noch zadel gesteund, af te werpen,
bij welke gelegenheid hij eene diepe hoofdwond had bekomen. Simon
spoedde zich naar de plaats waar het ongeluk gebeurd was. Daar lag
de jonge Athener, doodsbleek, het aangezicht met bloed bedekt dat
de lichtbruine haren saam deed kleven, in zijn fraaie uitrusting,
met den blauwen mantel om het lijf, alleen de rechtervoet van een
spoor voorzien, een sierlijken armband om den pols. Het kleine bronzen
schild en de groen-bronzen helm met liervormige kamversiering en gouden
lauwerkrans, van achteren met een zwaren, witten paardestaart getooid,
lagen op eenigen afstand. Het paard, op eens bedaard geworden, als
ware het zich bewust iets heel verkeerds gedaan te hebben, werd door
een stalknecht weggevoerd.
Men nam den bewusteloozen ruiter op en bracht hem naar eene
veilige plaats. Ongeluksprofeten zagen in het gebeurde een slecht
voorteeken; er waren er zelfs die beweerden, dat het beter ware de
plechtigheid niet te laten doorgaan. Doch de stoet schreed verder,
langs den Pelasgischen muur rondom de akropolis naar den ingang des
burchtheuvels. En het oog van Simon zocht terstond onder den groep der
korfdraagsters de twee meisjes wederom op, die zoo straks zijn aandacht
hadden getrokken. Ja, het eene, het blondje, kende hij wel; het was
de zestienjarige Erinna, de dochter van den beeldhouwer Rhoikos, die
hij wel eens in de werkplaats van haar vader had gezien. Een echt
kind, dat altijd als een hagedis wegslipte, zoo vaak er bezoekers
kwamen. Maar de andere jonkvrouw, met dat buitengewoon korte, rosbruine
haar, kende hij niet. En toch, hij kende haar wel; hij wist zeker
dat hij die vioolkleurige, smachtende oogen meer gezien had; waar,
dat kon hij zich niet herinneren. Zij was zeker niet ouder dan haar
buurmeisje Erinna; toch was ze meer vrouw; ze had een ernstiger trek
op haar gelaat en tevens iets kinderlijks, iets vertrouwelijks, dat
hem bijzonder aantrok. Waar had hij ook weer die vioolkleurige oogen
gezien? Hoe jammer dat het rosbruine, mooie haar zoo kort gesneden
was! Hoe gelukkig aan den anderen kant dat het meisje zoo tenger en
fijn was; stel u voor een statige, zwaar gebouwde jonkvrouw met korte
krulletjes! En Simon keek zóó lang en zóó diep in die vioolkleurige
oogen, welker herkomst hij nog maar steeds niet kon ontdekken; en
hij staarde zóó onafgebroken naar dat rosbruine kroeshaar, dat hij,
toen de optocht den ingang van de akropolis bereikt had, smoorlijk
verliefd was en vast besloten, indien de goden het wilden, met deze
bekoorlijke korfdraagster een huwelijksband te sluiten, gelijk hij
zich dien steeds had voorgespiegeld.
De processie maakte halt. De weg, die naar den top der akropolis
leidde, was voor dieren en voertuigen onbruikbaar; de ruiters stegen
af; de paarden, offerbeesten en paradewagens bleven aan den ingang
wachten. Simon, die als commissaris den stoet zou sluiten, zag
achtereenvolgens de verschillende deelnemers voorbij trekken, den
burchtheuvel op. Daar naderden de overwinnaars in de onderscheidene
wedstrijden van den vorigen dag, onder hen Pheidippides, keurig en
netjes en fijntjes evenals gisteren, een beetje vermoeid van uitzicht,
door het voorafgaande nachtfeest zeker. En plotseling ging Simon een
licht op: de smachtende, vioolkleurige oogen van Pheidippides geleken
als twee druppelen water op die van de bevallige korfdraagster.