Niemand was echter meer verbaasd dan de heks, toen zij 's

morgens wakker werd. Op de tafel namelijk lag eene beurs gevuld

met goudstukken, die zeker door de gebroken ruit heen daar was

neergelegd. En in die beurs zat een briefje, waarop met duidelijke

letters geschreven stond:

"Een geschenk van Mulder aan de heks van den Achterweg, die levenslang

voor niet haar huisje mag blijven bewonen."

O, wat lachte die Mulder vreemd, toen de oude vrouw hem met tranen

in de oogen bedankte voor de weldaad, die haar bewezen was,--net als

een boer, die kiespijn heeft.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

EEN ONGELUK KOMT ZELDEN ALLEEN.

Zes jaar lang had Dik zijn heer trouw en eerlijk gediend, toen een

treurig voorval hem zijne betrekking deed verliezen. In een kouden

herfstnacht werd hij gewekt, om dadelijk in te spannen. Haastig

kleedde hij zich aan en begaf zich naar de dokterswoning, in de

stellige meening, dat een zieke buiten het dorp onverwachts de hulp

van zijn heer had ingeroepen, zooals dat al zoo menigmaal gebeurd

was. Doch neen, dat was het niet. De goede jongen, die dolveel van

zijn meester hield, kon van schrik bijna niet spreken, toen hij van

het dienstmeisje hoorde, wat er gaande was.

"O Dik, ben je daar? Je moet dadelijk inspannen om dokter Marling

uit de stad te halen, 't Is verschrikkelijk, Dik, o...."

"Dokter Marling halen? Voor wien? Kan de dokter dan zelf niet gaan?"

"Neen, neen, Dik, o neen! 't Is verschrikkelijk! Gauw, maak voort...."

"Maar wat is er dan toch aan de hand? Je staat daar maar te huilen

en te jammeren, en je zegt niets!"

"Ach, 't is toch zoo erg, Dik. O, ik ben er heelemaal akelig van. De

dokter.... o, o!"

"Maar spreek dan toch! Is de dokter ziek?"

"Ja, Dik, 't is vreeselijk....eene beroerte...."

"Wat?" riep Dik ontsteld. "Wat zeg je, heeft de dokter eene beroerte

gehad! En hoe is het nu met hem?"

"O, Dik, zoo erg. Hij is geheel bewusteloos. Mevrouw heeft gezegd,

dat je zoo hard moest rijden, als je kunt, en niet zonder dokter

thuiskomen."

"Dat spreekt vanzelf," bromde Dik. In een oogenblik had hij het beste

paard uit den stal voor het rijtuig gespannen, en nu ging het in dolle

vaart het erf af, naar de stad, die hij een uur later binnenreed. Hij

hield voor het huis van dokter Marling stil, wierp een dekkleed

over zijn dampend paard, dat hijgde van vermoeienis, en trok aan de

schel. Spoedig werd de deur geopend, en Dik deed zijne boodschap.

"Ik zal den dokter wekken," klonk het antwoord.

"Voortmaken!" riep Dik, die vol angstig ongeduld bij zijn paard heen

en weder liep. Nu, er werd ook voortgemaakt, want er waren nog geen

tien minuten verloopen, toen dokter Marling reeds geheel gekleed naar

buiten kwam en in het rijtuig stapte.

"Vooruit maar, koetsier, zoo hard je paard kan!"

"Laat dat maar aan mij over, dokter," zei Dik. "Het beest heeft anders

al een heeten rit achter den rug."

"Dat wil ik wel gelooven. Hoe was het met den ouden heer, toen je

wegreedt?"

"Hij was geheel buiten kennis, dokter. Eene beroerte is zeer

gevaarlijk, niet waar?"

"Meestal wel."

"Voort, Zwart, voort!" riep Dik, en het scheen wel, of Zwart begreep,

dat er iets ernstigs plaats had. Het beest liep, of het vleugels

had, en nog geen vol uur, nadat zij de stad verlaten hadden, kwamen

zij alweer op het dorp aan. Dokter Marling begaf zich naar binnen,

waar de zieke nog geheel in denzelfden toestand lag. Dik bracht zijn

paard op stal, wierp het nog een paar dekens op den rug, en begaf

zich toen naar de apotheek, om af te wachten, wat hij verder zou

moeten doen. Hij was bedroefd, want de berichten omtrent den zieke

werden voortdurend ongunstiger, en eindelijk, 's morgens om zes uur,

kwam de tijding, dat de oude dokter overleden was.

Dat bericht schokte Dik zeer, want hij had altoos evenveel van den

dokter gehouden als deze van hem. Zonder een woord te spreken, spande

hij een ander paard voor het rijtuig, en bracht dokter Marling naar

de stad terug.

Drie dagen later reed Dik zijn heer voor het laatst, doch het was nu

een treurige rit, want--hij voerde naar het kerkhof.

Dik was dus zijne betrekking kwijt, en het bleek al spoedig, dat

een tweede niet zoo gemakkelijk te vinden was. Eerst hoopte Dik nog,

dat de nieuwe dokter hem in dienst zou nemen, doch dat gebeurde niet,

omdat die heer zich in de eerste jaren geen eigen paarden aanschafte,

doch zich door een stalhouder liet rijden. Dat was eene groote

teleurstelling voor Dik. Toen deed hij moeite, om hier of daar op

eene buitenplaats als koetsier aangesteld te worden, doch tevergeefs;

men was overal voorzien. Dat speet hem erg, want hij was ijverig van

aard en leegloopen stond hem niet aan. Hij verveelde zich van dat

hij opstond, totdat hij naar bed ging, en daarbij hinderde het hem

geducht, op kosten van zijne ouders te moeten leven. Wel had zijn

vader vast werk, doch 't was winter, de dagen duurden maar kort,

en daarmede hielden de verdiensten gelijken tred.

"Moeder," zeide hij dikwijls, "wat is het toch verdrietig, zoo gezond

en sterk te zijn, als ik ben, en niets te kunnen verdienen."

"Kom jongen," kreeg hij dan gewoonlijk ten antwoord, "je moet den

moed niet zoo gauw laten zakken; er zal wel eens hier of daar wat

open komen, en we lijden toch gelukkig nog geen gebrek."

"Neen, Moeder, gelukkig niet. Als dat ook het geval was, zou ik

anderen raad schaffen."

"Nu, wat dan?"

"Och, dat weet ik niet. 't Is gelukkig nog zoover niet."

Neen, dat was waar, doch 't zou toch zoover wel komen, en spoediger

dan zij dachten. Op zekeren morgen was Dik van verveling het dorp

ingeloopen en had zich naar zijn vader begeven, die met andere

werklieden bezig was, een huis te verbouwen. Het binnenwerk werd bijna

geheel weggebroken en moest door een nieuwe binnenbetimmering vervangen

worden. Het oude geraamte was blijven staan en werd door een groot

aantal palen ondersteund, opdat het niet zou invallen. Ook de zolder

was onderschraagd door groote balken en dwarsliggers. De werklieden

hamerden er lustig op los, en de jongeren onder hen deden hun arbeid

met een vroolijk gezang gepaard gaan. Daar kwam de baas binnen.

"Jongens," riep hij, toen hij eenige oogenblikken rondgekeken had,

"die zolder is niet genoeg ondersteund. Als we storm krijgen, komt de

boel naar beneden. Daar moet onmiddellijk werk van gemaakt worden. Me

dunkt, Trom en Bakker konden dat wel doen, dan kunnen de anderen mij

buiten even helpen. Er is een karweitje in de schuur te doen."

Allen, behalve Trom en Bakker, gingen met den baas meê. Dik ook, en dat

was gelukkig, want nog geen vijf minuten later viel met een donderend

geraas het voorste deel van het huis in. Het gaf een geweldigen slag,

die door het geheele dorp gehoord werd. Iedereen snelde naar buiten

en spoedde zich naar de plaats des onheils. Baas Meyer en zijne

knechts meenden eerst, dat de schuur, waarin zij zich bevonden,

inviel, en sprakeloos staarden zij elkander aan. Niemand bewoog zich;

de schrik had hen als het ware verlamd. Dik was de eerste, die tot

bezinning kwam.

"Het huis stort in!" riep hij, terwijl hij naar buiten

snelde. "Vader,--Vader!--Laten we ons haasten!"

Allen volgden hem, en van alle kanten kwamen de menschen verschrikt

toeloopen. 't Was eene vreeselijke ruïne. Balken, steenen, planken

en pannen lagen tot een berg opeengestapeld, terwijl vier naakte,

afgebrokkelde muren het geheel omringden. Dik, die bleek zag van angst

en ontroering, liep overal rond, om zijn vader te zoeken. Nog altoos

hoopte hij, dat deze niet onder het puin begraven zou zijn.

"Vader!--Vader!" riep hij met krachtige stem, terwijl hij zijn blik

over de menigte liet ronddwalen. "Heeft iemand mijn vader ook gezien?"

"Neen, Dik, we hebben hem niet gezien. Is hij nog niet gevonden?"

"Neen, neen," zeide Dik zuchtend, zijne schreden weer naar elders

richtende, om te zien, of hij daar ook was. Doch al zijn zoeken

was vruchteloos; niemand had den vermiste ontmoet, en Diks vrees,

dat zijn vader onder dien puinhoop bedolven zou zijn, werd met elk

oogenblik grooter en kreeg meer schijn van zekerheid. Daar kwam ook

zijne moeder aanloopen. Ook zij zag bleek en keek angstig rond.

"Er zijn toch geen ongelukken bij gebeurd?" vroeg ze, vol vrees,

dat het antwoord voor haar eene Jobstijding zou zijn.

De menschen antwoordden niet; zij zagen er tegen op, de arme vrouw

met haar ongeluk bekend te maken. Daar kwam Dik aan.

"Dik, waar is je vader?" vroeg ze met angstig ongeduld.

"Heeft u hem ook nog niet gezien, Moeder? Ik zoek hem al overal,

doch vind hem nergens. Ik vrees, Moeder, dat...."

"O!" gilde de arme vrouw, "dan ligt hij onder het puin! O, Dik,

mijn arme man!"

"Ja, Moeder, 't zal wel zoo zijn, want hij was juist in het huis

aan het werk. Ga nu naar huis, Moeder, dan zullen wij het puin

wegruimen. Misschien loopt alles nog goed af. 't Is meer gebeurd...."

"Naar huis gaan, Dik?" zeide zijne moeder, de tranen wegvegende, die

haar langs de wangen liepen. "Neen, jongen, ga jij maar helpen. Ik

blijf."

Dik begreep, dat aan dit besluit van zijne moeder niets te veranderen

viel. Hij drukte haar de hand en zeide, zich naar den puinhoop

keerende: "Moed houden, Moeder, misschien leeft hij nog."

Dik voegde zich bij de werklieden, die onder toezicht van den baas

al druk bezig waren, het puin weg te ruimen. Iedereen was er nu van

overtuigd, dat zoowel Bakker als Trom onder den puinhoop lagen. Er werd

ijverig doorgewerkt. Niemand sprak, want allen waren onder den indruk

van hetgeen gebeurd was en verdiepten zich in gissingen, of de twee

ongelukkigen nog in leven zouden zijn. Dik werkte voor twee, en zoodra

er weer eene opening gemaakt was, wierp hij zich op de knieën en riep:

"Vader! Vader!"

Dan luisterde hij met gespannen aandacht, of er ook antwoord kwam,

doch telkens tevergeefs. Hij kwam meer en meer tot de overtuiging,

dat zijn vader dood zou zijn en Bakker ook.

"Vooruit maar weer!" riep de baas, en allen togen weer aan het werk. De

puinhoop werd voortdurend kleiner. Eindelijk, na een paar uren van

ingespannen arbeid, werden de beide ongelukkigen gevonden. Zij lagen

als dooden, doch toen zij eenigen tijd de frissche lucht hadden

ingeademd, kwamen ze weer bij. Bakker werd met een gebroken been en

eene gapende wond aan het hoofd naar zijne woning gedragen. Trom

had een zwaren balk tegen de borst gekregen; de arme man had het

erg benauwd en leed verschrikkelijk veel pijn. Men droeg hem op een

kleed naar huis, waar de dokter hem dadelijk in behandeling nam. Dik

en zijne moeder stonden bij het bed.

"Wat dunkt u er van, dokter?" vroeg vrouw Trom angstig.

"Ik geloof niet, dat er gevaar is voor zijn leven," was het antwoord,

"maar...."

"Nu, maar?"

"Ik vrees, goede vrouw, dat hij altoos een tobber zal blijven."

En zoo was het ook. In tegenstelling met Bakker, die na enkele weken

zijn arbeid weer hervatten kon, bleef Trom langen tijd aan het ziekbed

gekluisterd, en toen hij het eindelijk mocht verlaten, was er van hem

niet meer overgebleven dan een zwakke, uitgeteerde man, die niet meer

in staat was, het brood te verdienen voor zich en voor zijn gezin. 't

Was wel eene groote ramp. Dik kon, hoeveel moeite hij er ook toe deed,

maar geen betrekking meer vinden, en daar het midden in den winter

was, viel er aan losse karweitjes ook bitter weinig te verdienen. De

betrekkelijke welvaart, waarin Trom en de zijnen zich vroeger mochten

verheugen, was verdwenen, en had plaats gemaakt voor bittere armoede,

die zich te sterker liet gevoelen, omdat zij er in het geheel niet

aan gewend waren. En met de welvaart had ook de vroolijkheid het

huisje verlaten. Trom was verdrietig en gevoelde zich ongelukkig, nu

hij, in plaats van kostwinner, een zwakke, hulpbehoevende sukkelaar

geworden was. O, hoe bedroefde het hem, hamer en beitel niet meer

te kunnen hanteeren, evenals vroeger,--doch die tijd was voor goed

voorbij. Nimmer zou hij weer in staat zijn, het dagelijksche brood

te verdienen.

En ook vrouw Trom ging diep onder haar leed gebukt. De vroolijke lach

van vroeger, hare opgeruimdheid, haar gezellige toon,--zij waren

verdwenen. De arme vrouw was neerslachtig en somber geworden. Ja,

't was wel eene vreeselijke ramp geweest!

Ook Dik was zoo vroolijk niet meer als vroeger. Het maakte hem

verdrietig en stil, zijne goede ouders zoo ongelukkig te zien, en het

ging hem aan het hart, de blozende wangen zijner lieve moeder bij den

dag bleeker te zien worden. O, hoe verlangde hij er naar, haar nog eens

te hooren lachen als weleer, doch--het gebeurde niet. Wel lachte zij

hem soms vriendelijk toe, als zij bemerkte, hoe bedroefd hij haar nu en

dan aankeek, doch dat was het niet, wat Dik wilde. Hij zou haar weer

zoo graag vroolijk en gelukkig willen zien, als in de vroegere goede

dagen. Maar de nood bleef voortdurend stijgen. Het gezin verviel tot

bittere armoede, en eindelijk werd het zelfs zoo erg, dat op zekeren

avond de tafel niet meer gedekt werd; voor de eerste maal van hun leven

ontbrak hun het noodige voedsel. Somber en zwijgend begaven zij zich

te bed, doch van slapen kwam niet veel. Allen waren te veel vervuld

van den ongelukkigen toestand, waarin zij verkeerden. Dik wendde en

keerde zich onrustig om en om, en voelde zich de tranen in de oogen

komen, toen hij zijne moeder zacht hoorde snikken.

"Dat kan zoo niet langer," mompelde hij. "Mijn besluit is

genomen. Morgen moet het er toe komen!"

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

HET SLOT VAN DE GESCHIEDENIS.

Den volgenden morgen stond Dik vroeg op en begaf zich naar Piet

van Dril.

"Morgen, Dik! Al zoo vroeg hier?"

"Ja, Piet. Ik kom je hulp inroepen, 't Is nood bij ons, jongen, en

dan gaat men het eerst naar zijne vrienden. Heb-je ook wat geld voor

me te leen?"

"Geld?" vroeg Piet, terwijl hij zijn vriend met medelijden

aankeek. "Hoeveel wil-je hebben?"

"Een paar dubbeltjes maar. Als ik gezond blijf, krijg je ze binnen

enkele dagen terug."

"Ja, Dik, dat weet ik wel. Hier heb-je ze, en als je ze nooit

teruggeeft, is het ook goed."

"Dank-je, Piet. Zooals ik gezegd heb: als ik geen ongeluk krijg,

ontvang je ze binnen enkele dagen terug. En nu ga ik weer heen,

want ik heb nog wat te doen. Dag, Piet, tot ziens."

"Gegroet!" zei Piet. "Arme menschen!" mompelde hij. "Ik wou, dat ik

hen helpen kon."

Dik ging regelrecht naar den bakker.

"Jansen," zeide hij, zijn geld op de toonbank leggende, "wil u even

twee brooden naar mijne moeder brengen? Maar liefst dadelijk; er is

haast bij."

"'k Zal er voor zorgen, Dik."

Vandaar ging Dik naar vrouw Boon, die nog altoos in haar winkeltje

woonde. Hij deed de deur open en stapte naar binnen.

"Goeden morgen, vrouw Boon."

"Goeden morgen! Hé, Dik, ben jij daar? Dat is, geloof ik, wel voor

het eerst van je leven."

"Dat is ook zoo, vrouw Boon, maar ik wenschte u wel eens te

spreken. Hebt ge een oogenblikje tijd?"

"Jawel, zeker, kom maar in de kamer. 't Is te koud, om in den winkel

te staan."

"Ja, 't is koud," zei Dik, binnentredende.

Vrouw Boon gaf hem een stoel, en nam zelf ook plaats, tamelijk

nieuwsgierig, wat Dik toch wel te zeggen zou hebben.

"Ik heb gehoord," begon Dik, "dat ge van plan zijt, het dorp te

verlaten en in de stad te gaan wonen?"

"Ja, dat is te zeggen," was het antwoord, "als ik mijn boeltje hier

naar mijn zin verkoopen kan. Ik ben niet van plan, om zoo maar weg

te loopen."

"Neen, dat begrijp ik. Ik ben dan ook juist gekomen, om daar eens

over te praten. U woont hier in een huurhuis, niet waar?"

"Ja, 't is een huis van den molenaar, en ik heb er nog zes jaar huur

aan, doch ik mag de huur wel aan een ander overdoen, ten minste,

als het een knap persoon is."

"Nu, wat dat betreft, zal de molenaar wel geen bezwaar maken, denk ik,"

meende Dik. "En hoe staat het met den winkel?"

"Alles, wat in den winkel staat, is mijn eigendom," antwoordde de

weduwe. "Toonbank, weegschalen, gewichten, bakken en laden, kortom,

al wat er in is, behoort mij."

"En dat wilt ge dus verkoopen?"

"Ja, voor driehonderd gulden is het te koop, maar dadelijk betalen,

dat spreekt vanzelf. Borgen doe ik niet."

"Dat is ook niet noodig," zei Dik. "Als ik het koop, betaal ik contant,

maar driehonderd gulden geef ik er niet voor. Als de winkel nog,

evenals vroeger, beklant was, zou ik er misschien over denken, maar nu

de zaak bijna verloopen is, bied ik er juist de helft voor, namelijk

voor alles, zooals het reilt en zeilt, en dan nog op voorwaarde, dat

ik pas over drie dagen behoef te zeggen, of de koop doorgaat of niet."

"Neen, Dik, dat gaat niet. Tegen de voorwaarde heb ik geen bezwaar,

maar honderdenvijftig gulden is te weinig. Ga zelf maar kijken,

of er niet voor meer waarde in staat. 't Is wel waar, wat je zegt,

dat de zaak verminderd is, maar er gaat toch nog wel zooveel in om,

dat een kleine burgerhuishouding er van leven kan. Als ik niet aan

trouwen dacht, verkocht ik haar niet."

Dik en vrouw Boon gingen den winkel rond en namen alles nauwkeurig

op. De voorraad van een en ander viel Dik meê, zoodat zij het eindelijk

eens werden voor eene som van tweehonderd gulden.

"Maar à contant," zeide vrouw Boon, die maar niet begrijpen kon,

waar Dik zooveel geld vandaan moest halen.

"Dat is afgesproken. Uiterlijk over drie dagen kom ik u mijn besluit

mededeelen."

Dik vertrok en begaf zich naar den burgemeester, bij wien hij na een

oogenblik wachtens werd toegelaten.

"Wel, Dik, wat is er van je dienst?"

"Burgemeester, ik heb gehoord, dat er in de West, om een oproer onder

de negers, soldaten aangeworven worden. Zou u me daaromtrent niet

wat nader willen inlichten?"

"Wel zeker, met genoegen. Of eigenlijk gezegd weet je er alles al

van. Er is onder de negers in Suriname een oproer uitgebroken, dat

met kracht van wapenen gedempt moet worden, en nu zijn er flinke

jongens noodig. Waarom vraag je dat zoo? Je wilt toch zelf niet gaan?"

"Misschien wel, burgemeester. Hoeveel handgeld wordt er gegeven?"

"Vierhonderd gulden; dat is nog al een mooi sommetje, niet waar? Hoe

oud ben je?"

"Achttien jaar, burgemeester, en goed gezond."

"Zoo, achttien? Dan heb je de jaren. Maar toch durf ik het je niet

aanraden, Dik. 't Is een erg ongezond land. De meeste Hollanders gaan

er weg aan de gele koorts."

"Ja, burgemeester, dat heb ik ook gehoord, maar--ik kan niet

anders. Waar kan ik mij aanmelden?"

"In elke garnizoensplaats, Dik. Dus je bent er toe besloten?"

"Ja, burgemeester, de nood dwingt er mij toe. Ik dank u wel voor

uwe inlichtingen."

Dik vertrok en ging naar huis. Hij vond zijne ouders in eene sombere

stemming bij de tafel zitten. Er stond eene boterham voor hem klaar,

welke hij dadelijk begon op te eten, want hij had grooten honger.

"Hoe ben je aan dat geld gekomen, Dik?" vroeg Moeder.

"Dat heb ik geleend, Moeder."

"Geleend? Waarvan moeten we het dan teruggeven? We hebben immers

niets meer?" De ongelukkige vrouw kreeg tranen in de oogen.

"Dat is waar, Moeder, doch droog uwe tranen, want binnen enkele

dagen zal ik u geld genoeg verschaffen, om den winter verder door

te komen. Ik ben met vrouw Boon in onderhandeling getreden, om haar

winkeltje over te nemen. Voor tweehonderd gulden word ik eigenaar

van de geheele zaak, en...."

"Maar jongen, hoe heb ik het nu met je?" vroeg Moeder, die hem in de

grootste verbazing aanstaarde, terwijl Vader bedenkelijk het hoofd

schudde. "We hebben immers geen cent in huis? Hoe zouden we die som

ooit kunnen betalen?"

"Dat zal ik u aanstonds meedeelen, Moeder. Zeg nu eerst maar eens,

hoe u het zou vinden, om in dat zaakje te komen."

"Ach, kind, daar is immers geen denken aan! Wat zou het anders heerlijk

wezen! Er gaat wel niet zoo erg veel om, maar toch nog wel genoeg,

om er van te kunnen leven, dat is zeker. Vroeger was het zelfs een

best zaakje, en dat zou het wel gebleven zijn ook, als die vrouw

Boon maar niet zoo 'n ruw, onhebbelijk mensen was. Ik geloof zelfs,

dat het zaakje wel weer druk zou worden, als er knappe menschen in

kwamen. Och ja, wat zou het heerlijk wezen, als wij het eens koopen

konden, Jan. Dan konden we de toekomst onbezorgd te gemoet gaan,

en dan behoefde je ook niet meer te werken, ten minste niet harder,

dan je krachten het toelaten. We zouden gered zijn, Jan,.... maar och,

dat ongelukkige geld!"

"Welnu, Moeder," zei Dik, "ik weet een middel, om aan geld te komen."

"Welk middel dan?" vroeger Moeder nieuwsgierig, maar toch vol angst,

daar zij wel begreep, dat er heel wat voor gevergd zou worden.

Dik keek haar een oogenblik aarzelend aan. De goede jongen zag er

tegen op, haar zijn besluit mede te deelen.

"Toe Dik, zeg het dan, of is het zóó erg? Ik brand van

nieuwsgierigheid."

"Ja, Dik," zei Vader, "ik ook,--dat doe ik."

"Welnu, Moeder, ik zal het u zeggen. In de West...."

Moeder liet hem niet uitspreken. Met tranen in de oogen sprong ze op

en sloeg hem hare armen om den hals.

"Wou je weggaan, mijn Dik, mijn jongen?" snikte ze. "Wou je je

moeder verlaten en je vader, Dik? Begrijp je dan niet, hoe lief we

je hebben? O, Dik, we hebben immers niets op de wereld dan jou?"

Dik gaf zijne moeder een kus en maakte zich zacht uit hare omarming

los. Ook hij voelde het hart week worden, want het kostte hem veel

moeite, om van zijne ouders te scheiden, maar toch wilde hij zijne

lieve moeder niet toonen, dat het hem zwaar viel.

"Moeder," zeide hij, "luister, 't Is het eenige middel, om u en Vader

voor gebrek en zorg te behoeden. Hier blijven kan ik toch niet;

ik mag u niet langer tot last zijn, en dat wil ik ook niet. Viel

er hier nog wat te verdienen, dan zou ik er niet over denken om

weg te gaan, maar nu zit er niets anders op. Weken lang loop ik al

zonder werk rond, en 't is de vraag, of dat niet nog maanden zal

duren. Maar toch, Moeder, al gelukte het mij nu, hier of daar eene

betrekking te vinden, dan zou dat u toch nog bitter weinig baten,

want veel zou er nooit van kunnen overschieten. Vader is zwak; hij

kan in de eerste jaren stellig niets verdienen, en hoe zou u dan

in het levensonderhoud voor u beiden moeten voorzien? Neen, Moeder,

't is beter, dat ik ga. Ik behoef mij slechts te verbinden voor drie

jaren en ik ben gezond en sterk. Vierhonderd gulden krijg ik vooruit,

Moeder, vierhonderd gulden! Dat is geene kleinigheid. We kunnen er het

winkeltje voor koopen, en u houdt nog tweehonderd gulden over om alles

netjes in orde te brengen. Denk eens, wat een genot! Vader koopt een

hit en een wagentje, om buiten het dorp te gaan venten, en u zorgt voor

den winkel. Is 't niet prachtig, Moeder? Wat zegt u er van, Vader?"

"Ja, jongen, 't zou mooi wezen,--dat zou het."

"En voor dat alles behoef ik slechts een paar jaartjes in de West te

gaan doorbrengen, Moeder, 't Is toch waarlijk zoo erg niet."

Moeder keek langer, tijd peinzend voor zich, terwijl nu en dan een

paar groote tranen op haar voorschoot rolden. Eindelijk stond ze op

en omhelsde Dik opnieuw.

"Dik, 't moet! Ga, m'n lieve, goede jongen, ga, en dat God je

bescherme!"

Schreiënd verliet ze de kamer. Trom volgde haar.

"Ach, Jan," zeide ze snikkend, "wat heeft hij toch een braaf hart!"

"Ja Griet, 't is een bijzonder kind,--dat is-ie, en dat heb ik altoos

wel gezegd,--dat heb ik."

Dienzelfden middag nog trok Dik zijne beste kleeren aan, om zich naar

de stad te begeven.

"Ach Dik, m'n kind," zuchtte zijne moeder, "moet het nu al zoo gauw

gebeuren? 't Scheiden valt me zoo zwaar."

"Ja, Moeder, 't is hier ook: hoe eer, hoe beter, We hebben geen cent

meer in huis, en ik krijg toch nog eenigen tijd verlof. Wat vind ik

dat heerlijk, Moeder. Dan kan ik u helpen verhuizen en alles in orde

brengen, en voor Vader een hit koopen en een wagentje. Neen, Moeder,

't is beter vandaag, dan morgen. Ik heb geen rust, voor dat u goed

en wel in het winkeltje woont."

't Was een teêr afscheid, bijna alsof hij reeds voor goed wegging.

"Kom, Moedertje, nu flink, hoor! Morgen of overmorgen kom ik weer

terug. Tot zoolang dus!"

Dik maakte zich uit hare omarming los en snelde de deur uit. Wat had

hij zich in de tegenwoordigheid zijner ouders goed moeten houden, om

niet in tranen uit te barsten, want nooit had hij sterker gevoeld,

hoe lief hij hen had, dan nu op het oogenblik, dat hij weldra

voor goed van hen zou moeten scheiden. Voor goed, ja, want 't was

bekend, hoe weinigen er terugkeerden uit dat verre, vreemde land,

waar wreede vijanden en nog wreeder koortsen zoo menigeen een vroegen

dood deden vinden.

Nauwelijks had hij dan ook het laatste huis van zijn dorp achter

den rug, of de brave jongen barstte in tranen uit, en wrong zich in

vertwijfeling de handen.

Uit het leven van Dik Trom · 第 7 / 8 段