klein winkeltje in kruidenierswaren, bijna zonder klanten. Hij moest nu
elken dag "den boer op", om nieuwe klanten te winnen en de zaak aldus
uit te breiden. Zijne moeder kocht hem een ouden ezel, die bijna even
lui was als haar veelbelovende zoon, liet eene kar maken en stuurde
hem nu elken dag er op uit. Maar van zaken doen kwam niet veel. Hij
dobbelde liever met de jongens, die hij tegenkwam, en ging al gauw in
de kleine herbergen buiten het dorp zijn tijd verluieren, en het geld
zijner moeder verkwisten. De ezel had een allertreurigst leven bij
hem, want het arme dier kreeg veel meer slaag dan eten. Geen wonder,
dat het beest op 't laatst zoo koppig werd, dat Bruin er niets meer
van gedaan kon krijgen.
Dik, die volstrekt geen lust had om, evenals zijn vader, timmerman te
worden, had eerst in het geheel niet geweten, wat hij worden zou. Niet
alleen in het timmeren schepte hij geen behagen, maar er werd ook geen
enkel ander vak op het dorp beoefend, dat hem aantrok. Eindelijk kreeg
hij een baantje, dat hem aanstond. Hij werd door den ouden dorpsdokter
in dienst genomen. Deze had zulk eene uitgebreide praktijk en zijne
patiënten woonden zoover uit elkander, dat hij verplicht was paard
en rijtuig te houden. Zijn paarden en rijtuigen moesten er altoos
keurig netjes uitzien, daar was hij op gesteld. Wijl nu zijn oude
koetsier sukkelend was geworden en hoogstwaarschijnlijk nooit weer
geheel herstellen zou, zag de dokter zich genoodzaakt, andere hulp
te zoeken, en omdat Dik uitstekend met paarden kon omgaan, had de
dokter het oog op hem laten vallen. Nu had Dik een leventje naar
zijn zin. 's Morgens moest hij eerst de rijtuigen schoonmaken en
de paarden uit het land halen, of, als het winter was, den stal in
orde brengen. Dan spande hij in, om den dokter naar zijne patiënten
te rijden, die soms wel twee of drie uren buiten het dorp woonden,
en als hij dan 's middags thuis kwam, hielp hij pillen en poeders,
drankjes en zalfjes klaarmaken.
De dokter begon al spoedig veel van Dik te houden. Geen wonder
ook! Dik was ijverig en flink, en bij alles wat hij deed, behulpzaam
en beleefd. Hij stond altijd klaar om in te spannen, zelfs midden in
den nacht, en het gebeurde nog al eens, dat de dokter dan geroepen
werd. Bovendien was hij opgeruimd en vroolijk van aard, wat de dokter
prettig vond, omdat hij het zelf ook was. Één ding beviel den ouden
heer echter maar half, en hoeveel moeite hij ook deed, om het Dik
af te leeren, het gelukte hem niet. Dik had namelijk de gewoonte om,
als hij op den bok van het dokterskoetsje zat, tegen bijna iedereen
een praatje te maken of eene grap te verkoopen, wat uit den aard der
zaak niet fluisterend kon geschieden. Het ging den dokter dan ook
veel te luidruchtig en maakte hem soms wel knorrig.
"Dik, geen praatjes maken op den bok, asjeblieft!" klonk het dan
gewoonlijk. "Begrepen?"
"Jawel, dokter."
"Ik wil het nu volstrekt niet meer hebben, hoor-je? 't Staat in het
geheel niet netjes."
"Ja, dokter."
"Ik heb het je nu al zoo dikwijls gezegd, dat je het wel eens onthouden
mocht, dunkt me."
"Ja, dokter."
"Jawel, jij geeft me altoos gelijk, dat weet ik wel, maar een oogenblik
later doe je het toch weer, en dat verkies ik niet langer."
Nu, Dik deed dan ook wel zijn best, maar het duurde nooit lang, of
hij verviel weer in zijne oude gewoonte, vooral wanneer hij goede
kennissen tegenkwam.
Eens op een schoonen zomer-namiddag reed Dik het dorp uit, om den
dokter naar een zieke te brengen, die op grooten afstand van het
dorp woonde. Het zonnetje blonk aan den blauwen hemel en deed het
koper flikkeren, dat zich aan het tuig van het paard bevond. Lustig
liet Dik zijne lange zweep door de lucht klappen, zoodat de musschen
verschrikt uit de boomen opvlogen, en Zwart de ooren tot bijna op
den nek terugtrok, en liep, wat hij loopen kon. Zoo ging het Dik
volkomen naar den zin, en den dokter ook, want die hield ook wel van
zoo 'n ritje. Het stof van den uitgedroogden weg dwarrelde boven de
boomen uit.
"Vooruit, Zwartje, lustig hoor!" zei Dik, terwijl hij met de zweep
de vliegen verdreef, die het paard blijkbaar als hunne zuigflesch
beschouwden. "Maar wat zie ik daar? Wie is die hardlooper? Ha, ha! Kijk
eens, dokter, daar aan den overkant van het kanaal rijdt de veearts
met zijn nieuwen schimmel. Hij wil ons voorbij rijden. Toe Zwart!"
"Ik geloof het waarlijk ook, Dik," antwoordde de dokter door het
geopende voorraampje. "'t Is een mooi beest en het loopt hard."
"Hard? Hard?" zei Dik. "Hij loopt niet harder dan de Zwart, dokter. Wil
ik het eens probeeren?"
"Jongen, jongen, Dik, 'k weet het niet. Die schimmel loopt uitstekend,
en...."
"Kijk eens, dokter," riep Dik plotseling met vuur, "kijk eens, hij
wenkt met de zweep, om ons uit te lachen. Dat is tergen! Vooruit,
Zwart, laat je niet van de vliegen steken. Huupla!"
Vroolijk klapte Dik met zijne zweep, en met vaste hand trok hij de
leidsels aan. Klets, klets, klonk het boven het rijtuig. Zwart legde
zijne ooren bijna in zijn hals en liep uit alle macht.
"Ha, dokter, ziet u wel, Zwart heeft zelfs geen tikje noodig. Als
hij de zweep maar hoort, weet hij al, hoe laat het is. Vooruit,
Zwartje! Houd-je goed, jongen! Die schimmel loopt best, dokter."
"Ja, Dik," zei de dokter, terwijl hij met genoegen bemerkte, dat
zijn Zwartje niet voor den schimmel behoefde onder te doen, "ja Dik,
hij loopt best, maar Zwart nog beter. Wij halen hem in, geloof ik."
"Gelooven, dokter? Ik weet het zeker! Ha, dat is flauw, hij gaat de
zweep gebruiken. Neen, man, niet noodig, hoor, want hij loopt al zoo
hard, als hij kan. Toe, Zwart, huupla, vooruit, huup Zwart!"
De zweep snorde opnieuw door de lucht, doch Dik zorgde er voor,
zijn paard er niet mede aan te raken. Hij sloeg die beesten nooit,
uitgezonderd als zij koppig waren. Dan alleen achtte hij het noodig.
"Voort, Zwart, nog eventjes, jongen! Kijk, dokter, we hebben hem al
ingehaald. Toe Zwart; laat zien, wat je kunt. Hoera, we zijn voor!"
Dik keek triomfantelijk om en klapte met zijne zweep. Toen hield hij
de teugels in.
"Bedaar maar weer, Zwartje. Je hebt je goed gehouden. Ho maar, m'n
jongen, hij weet al, dat je hem de baas bent. Laat hem nu maar gaan."
Langzamerhand kwam Zwart weer tot bedaren, en Dik en de dokter
zochten ook hun gemak. De laatste ging welbehaaglijk achterover in
zijn koetsje leunen, en Dik zag met ergernis, hoe de veearts zijn
paard bleef voortjagen.
"Flauw, man," mompelde hij, "'t beest kon immers niet harder. Als je
zoo met hem wilt leven, zul-je niet lang pleizier van hem hebben."
Eindelijk kwamen zij, waar zij wezen moesten. De dokter verliet het
rijtuig en Dik ging bij het paard staan, dat hij tevreden op den
glanzenden nek klopte. Nog maar een paar minuten was hij van den bok
af, toen hij in de verte Bruin Boon met zijn ezelwagen zag aankomen. En
hij zag het niet alleen, maar hij hoorde het ook, want Bruin sloeg er
met een dikken stok zoo geducht op los, en hij schreeuwde zoo luid,
om zijn grauwtje vooruit te krijgen, dat men het wel vijf minuten
ver hooren kon. En toch hielp al dat slaan en schreeuwen al bitter
weinig; de ezel liep uiterst langzaam en bleef zelfs nu en dan geheel
stilstaan. Dan had Bruin weer reuzenkracht noodig, om hem vooruit te
doen gaan. Eindelijk, na veel schreeuwen en nog meer slaan, bereikte
hij Dik, maar nu scheen de ezel er ook genoeg van te hebben. Hij bleef
staan en wilde geen poot meer verzetten. Bruin sloeg er onbarmhartig op
los en schreeuwde als een bezetene, maar niets hielp. Grauwtje bleef,
waar hij was, en Dik ergerde zich geweldig.
"Zeg eens, dierenbeul," riep hij eindelijk, "als je dat beest
nu nog langer slaat, krijg je met mij te doen, en dan zal het je
niet meêvallen, geloof dat! Zie je niet, dat het arme dier niet
meer kan. Kijk eens aan, 't is schande: het bloed staat hem op de
huid. Geef het beest liever wat meer te eten; misschien dat hij je
luie lichaam dan wel weer trekken wil. Zijne ribben steken bijna door
zijn vel heen."
"Dat gaat jou toch zeker niet aan, wel?" riep Bruin, die echter toch
te veel ontzag voor Dik had, om met slaan voort te durven gaan. "Hij
krijgt eten genoeg; 't is niet anders dan luiheid."
"Ja, dat geloof ik wel," riep Dik. "Hij is bijna net zoo lui als zijn
baas, ha, ha, en dat is geen klein beetje."
"Vooruit!" riep Bruin, terwijl hij den ezel aan het bit trok. Doch
't was moeite voor niet. Grauwtje zette zijne pooten zoover mogelijk
van elkander en bleef als een standbeeld staan.
"Vooruit!" riep Bruin, terwijl hij nog harder trok. "Vooruit, ezel,
allo!"
Maar jawel, 't hielp niets. Er was geen beweging in het dier te
krijgen, en Bruin werd hoe langer hoe boozer, vooral toen Dik begon
te schateren van lachen. Bruin liet den kop van den ezel los en begon
van achteren tegen den wagen te duwen, al schreeuwende: "Vooruit,
ezel, vooruit!"
Doch ook die moeite werd niet beloond. De dokter kwam terug, gevolgd
door de meid en een paar knechts van de boerderij, en nu beproefde men
met vereenigde kracht, den ezel aan het loopen te krijgen. Men duwde
tegen den wagen en trok tegelijkertijd den ezel aan het bit voort,
zoodat het dier wel moest toegeven, doch zoodra men hem losliet,
bleef hij weer staan.
"Nog maar eens geprobeerd!" riep men, en voort ging het weer. Juist
meende men den gang er in te hebben, toen de ezel op den grond ging
liggen en zoo ten duidelijkste een bewijs van het tegendeel gaf.
"Ik denk, dat het beest ziek is," zei de dokter. "Wat is het dier
verschrikkelijk mager."
"Ja, dokter," zei Dik, "hij krijgt meer slaag dan eten."
"Dat zal wel," riepen de omstanders, die elk oogenblik talrijker
werden. "Hij heeft ook een besten baas. Ik geloof, dat de ezel nog
beter is dan hij."
"Ho, hop! Hop!" riep men, doch het dier bleef liggen. Er was geen
verwikken aan.
"Weet je, wat je doen moet, Bruintje?" riep Dik. "Span hem maar gerust
af, want hij trekt toch niet meer vandaag. Dan zullen we je helpen,
om hem op den wagen te leggen, en trek hem dan zelf naar huis; anders
kom je er nooit."
"Ha-ha-ha!" klonk het overal. "Bruin, dan speel jij voor ezel; dat
zal aardig wezen. Dan trekt de eene ezel den anderen!"
"Och, dat gebeurde toch al," zei Dik lachend. "Kom, Bruin, zullen we
je helpen?"
"Hij moet wel," riep het volk. "Die ezel kan hier toch niet blijven
liggen? Pakt maar aan, jongens!"
"Ja, er zit niet anders op," zei de dokter. "Help ook even, Dik,
en dan rijden we gauw naar huis."
Alle man toog aan het werk. De tuigen werden losgemaakt, en de
ezel werd met vereenigde kracht en onder luid gelach op den wagen
gelegd. Dat gelach werd er niet minder op, toen Bruin het lemoen opnam,
en met zijn viervoetigen passagier langzaam dorpwaarts toog.
"Goede reis, met je beiden!" riep de een.
"Wil ik den stuurman je stok geven?" vroeg een ander.
"Dat heeft hij wel verdiend!" meende een derde.
"Kom, Dik, we gaan," zei de dokter lachend, "'t Is een grappig
gezicht."
Dik klom op den bok en reed weg. Hij kon echter niet nalaten, zoo
nu en dan eens met een spottend gezicht om te kijken naar Bruin,
die met dat warme weêr zijne handen vol had aan zijn vrachtje.
Toen hij een paar uur later de paarden naar het land bracht, zag hij
juist, hoe Bruin, door een groot aantal jongens omringd, zijn intocht
in het dorp deed. Het was een gejoel en gelach, zonder ophouden. Bruin
mocht er niet over klagen, dat hij dien avond geen bekijks had,
want het halve dorp keek hem lachend na, en aan grappen ontbrak het
niet. Men gunde het hem, dat zijn grauwtje hem zoo had te pakken
genomen, omdat hij het meer dan dubbel aan het dier had verdiend.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
HOE DIK DE HEKS VOORTHIELP.
Dik zal ongeveer zestien jaar geweest zijn, toen hij op een guren
Novemberdag het huisje van de heks voorbij moest. 't Was vinnig
koud. De wind gierde over de vlakte en joeg hem groote, natte
sneeuwvlokken in het gelaat, die dan dadelijk in water overgingen, dat
hem langs den hals tusschen zijne kleeren droop. Aan elk haartje, dat
van onder zijne muts te voorschijn kwam, hing een druppel water. Zijne
bolle wangen en zijne ooren zagen paars-blauw van de koude.
"Brrr, wat een weêr!" mompelde hij, zijne handen diep in de
jaszakken stekende en het water van zijne lippen blazende. "Brrr, echt
hondenweer! Wacht, nu komt de regen er ook nog bij, en de sneeuwjacht
wordt er niet minder op. Weet je wat, ik moest maar even bij de heks
gaan schuilen, anders word ik nog doornat."
Dik versnelde zijn pas, en bereikte weldra het hutje. Hij opende de
deur en trad binnen.
"Hè, hè, wat een weêr! Mag ik even schuilen, moedertje?"
"O, Dik, ben jij daar? Kom er gerust in, hoor. Ga zitten, 't Is een
verschrikkelijk weêr."
Dik nam plaats en droogde met zijn zakdoek gelaat en hals af.
"Wat zie ik?" zei hij plotseling, "ligt de oude man weer te bed? Is
hij weer ziek?"
"Ach ja, Dik, 't is weer heelemaal mis met hem. 't Is zijne oude kwaal;
aldoor maar hoesten, hoesten, hoesten."
"Zoo, zoo! Hoe lang ligt hij al?"
"Dat wordt morgen vijf weken, Dik. Ja, ja, 't is een bedroefde tijd."
De oude vrouw wendde het hoofd af en veegde zich een traan uit het
oog. Dik keek haar vol medelijden aan.
"Arme ziel," zeide hij, "dan zal het er wel weer niet breed zitten,
denk ik?"
"Armoê, Dik, armoê. Niets anders dan armoede en ellende. In vijf
weken hebben we nu al geen cent ontvangen, en als er geen hulp komt,
weet ik niet, waar het belanden moet. O, Dik, 't is verschrikkelijk!"
"Ja, zeg dat wel. 't Is verschrikkelijk! Maar waarom vraag je niet
eens hier of daar hulp! Er wonen toch menschen genoeg in het dorp,
die wel wat missen kunnen. Daar heb je bij voorbeeld Mulder, die
alleen is rijk genoeg om...."
"Mulder?" riep de oude vrouw, "Mulder? Praat me niet van Mulder, want
die kent geen medelijden. 't Is mijn eigen huisbaas, en van middag
is hij nog hier geweest, om de huur van vijf weken te halen. Maar
ik kon hem onmogelijk betalen en heb hem om uitstel gevraagd, met
de belofte, dat we zullen betalen, zoo gauw we weer wat verdienen
kunnen. Doch hij wil van geen uitstel hooren, en morgen moeten we
dit huisje verlaten. 't Is verschrikkelijk, Dik, met dien zieken man,
en ik weet nog niet eens, waarheen ik hem brengen moet. Vijfendertig
jaar hebben we hier gewoond...."
De oude vrouw begon luide te snikken.
"Het huisje uit?" riep Dik verontwaardigd. "En dat met een zieken
man? Maar dat is schandelijk! Dat mag niet gebeuren! Hoeveel geld
moet hij van u hebben?"
"We betalen negentig centen in de week, dus dat is vier en een halven
gulden in het geheel. 't Is geen groote som, Dik, maar als men zelfs
geen vier en een halven cent in huis heeft...."
"Hier, pak aan," zei Dik, haar eenig kopergeld toestoppende, "'t is
wel niet veel, maar ik heb niet meer. En als...."
"Dank je wel, Dik, als alle menschen waren, zooals jij...."
"Stil, niet danken, asjeblieft. Ik zal zien, wat ik voor je doen
kan. In elk geval, die huishuur zal wel terecht komen. Bekommer je daar
maar niet over. En nu ga ik verder; de regen is wat minder geworden."
Dik vertrok, en toen 's avonds zijn werk af was, liep hij het dorp
in en ging naar Piet van Dril, die in de smederij aan het werk was.
"Piet, ik heb eene wijde ijzeren of looden pijp noodig, met eene
bocht er in. Heb jij er een voor me te leen tot van avond?"
"Is eene kachelpijp goed? Hier heb ik er een met een elleboog. Wat
moet je er mede doen, of--is het een geheim?"
"Neen Piet, 't is voor jou geen geheim, maar voor anderen wel. Voor
jou is het dat niet, omdat je me helpen moet, weet je. Die kachelpijp
staat me wel aan. Daar zal het wel mede gelukken."
"Nu, wat moet je dan doen?" vroeg Piet nieuwsgierig. "Eene grap?"
"Ja, zoo ongeveer wel. Luister, ik zal het je vertellen. Je kent toch
de heks wel van den Achterweg?"
"Of ik! Weet je nog wel, Dik, hoe we jaren geleden nog eens op een
avond naar haar huisje gegaan zijn, om haar bang te maken, en wat
waren we toch eigenlijk zelf bang. Nu, ik geloof, dat er nog wel
groote menschen bang voor haar zijn, want nog altoos staat ze in
geen goed blaadje. Niet, dat ik het nog ben, volstrekt niet, hoor;
ik geloof zulke dwaze praatjes niet meer, maar er zijn nog domme
menschen genoeg, die ze wèl gelooven."
"Juist, Piet, dat denk ik ook, en ik wil van avond er de proef eens
van nemen. Die arme vrouw lijdt tegenwoordig weer vreeselijk armoê;
vooreerst is het winter, dus valt er weinig te verdienen, en bovendien
is oude Willem nu al vijf weken ziek. Nu behoef je niet te vragen,
hoe het met hen gesteld is. En tot overmaat van ramp komt daar die
oude Mulder, die vrek, om de huishuur, en nu zij niet betalen kan,
moet zij morgen met haar ouden, zieken man het huis uit. Is dat niet
verregaand onbarmhartig?"
"Dat is het!" riep Piet verontwaardigd uit. "Die vrek! Wie weet,
hoeveel geld hij heeft, en nu zulke arme menschen bij ziekte en kou
op straat te willen zetten. 't Is onmenschelijk!"
"Juist zoo!" zei Dik. "Maar het zal niet gebeuren, Piet. Ik heb al
dikwijls hooren vertellen, dat hij erg bang van aard is, vooral 's
avonds, en op de heks heeft hij het in 't geheel niet begrepen. Nu
ben ik van plan, om hem van avond zoo bang te maken, dat hij het niet
zal durven wagen, haar morgen het huis uit te zetten."
"Maar welk plan heb je dan toch, Dik?"
"Ik ga van avond voor heks spelen, Piet, en als jij me helpt, zal
hem het lachen wel vergaan. Doe je het?"
"Goed zoo; ik doe meê, dat beloof ik je!"
Mulder woonde in een van de kleinste huisjes van het dorp, aan den
eenen kant naast de kerk en aan de andere zijde naast eene groote
schuur. Vroeger was hij boer geweest, doch toen hij, na den dood van
zijne vrouw, in de gelegenheid kwam, zijne boerderij voor veel geld te
verkoopen, had hij dat gedaan, en was in dat huisje gaan wonen. Daar
leefde hij, uit gierigheid, geheel als een kluizenaar. Hij veegde zelf
den vloer aan en kookte zijn eigen potje. Dat het er dientengevolge
tamelijk vuil bij hem uitzag, hinderde hem niet. Het leven was op
deze wijze goedkoop, en dat was bij hem het voornaamste. De ijzeren
geldkist, die onder zijne bedstede stond, was het eenige voorwerp
op de wereld, dat hij liefhad. Zijn geld was zijn afgod. Het had
hem moeite genoeg gekost, zoo 'n schat bij elkander te krijgen, en
menige leelijke daad had hij daarvoor op zijn geweten genomen. Maar
toch had hij het lief, zoo lief, dat hij het voor geen gerust geweten
had willen ruilen. Elken avond, als deuren en vensters goed gesloten
waren, zat hij te tellen, en dan glinsterden zijne oogen van begeerte
en genot. Zoo ook op den avond, waarop Dik en Piet hem een bezoek
zouden brengen. Hij zat voor den haard, waarop eenige glimmende kolen
lagen. De tafel had hij naast zich geschoven. Een klein spaarlampje
verlichtte de armoedige woning. Hij liet het goud door zijne vingers
glijden.
"'t Is eene groote som," mompelde hij, "en zij zal nog grooter
worden. Elk jaar komt er bij, en er gaat maar weinig af. Dat
die leelijke heks me nu niet betalen kan! Maar ik waag het niet
langer. Die man kan wel zoo lang ziek blijven en misschien wel
sterven ook. Dan betaalt ze in het geheel niet meer, en word ik het
kind van de rekening. Jawel, dat begrijp-je, daarvoor moet ze net
bij Mulder wezen. Morgen zal ze het huis uit, ziek of niet ziek,
daar geef ik niet om; wil hij doodgaan, dat moet hij weten. Zou ze
waarlijk eene heks wezen? Brrr, dat zou akelig zijn! Ze kan me soms
zoo vreemd aankijken, net of... Als ze nu eens plotseling door den
schoorsteen kwam, hu, 't is om je dood te schrikken! Maar neen,
't is toch ook eigenlijk te mal, om er van te praten. Heksen! Wie
gelooft er nog aan heksen? Maar er moet toch wel wat van waar wezen,
want hoe komen zulke praatjes anders in de wereld? Ik heb er mijn
vader zoo dikwijls over hooren spreken, vroeger; neen, 't is toch
niet heelemaal weg te redeneeren. Als er vroeger heksen waren, zie
ik niet in, waarom ze er nu niet meer zouden zijn. Verbeeld je, dat
zoo 'n heks nu eens op een bezemstok door de lucht kwam aanvliegen,
en hier door den schoorsteen...."
Op eenmaal werd Mulder doodsbleek en keek hij met strakke oogen naar
het vuur. Langzaam zag hij wat naar beneden vallen, en plotseling
werden de geel-roode vlammetjes van het haardvuur onnatuurlijk groot,
en wat hem nog het meest deed schrikken, helderblauw. Tegelijkertijd
klonk er zulk een schrille kreet door den schoorsteen, dat hij op
zijn stoel zat te beven.
"O, o," kermde hij, "daar is ze al, o, o, wat moet ik beginnen.--Hu!"
Opnieuw klonk er een akelige kreet uit den schoorsteen, en een
geweldige slag tegen de achterdeur deed hem het bloed in de aderen
stollen. De blauwe vlammen in den haard, die langzamerhand kleiner
geworden waren, flikkerden opnieuw hoog op. Het vuur siste.
"O, o, genade!" kermde de vrek.
"Hier is de heks,--de heks,--de heks!" gilde eene hooge stem, als
van eene vrouw, door den schoorsteen. "Ze moet haar huis uit, de
heks,--de heks,--de heks!"
"Ssss!" siste het, en nu zagen de vlammen groen.
"Vreeselijk!" kermde Mulder, "wat zal me nu overkomen? Genade,
genade! O, je behoeft het huis niet uit; je moogt er wel altoos in
blijven wonen, voor niemendal wel. Genade!"
"Hier is de heks, de heks op den bezem!" gilde het daar boven, en er
werd geweldig tegen de luiken gebonsd. "Hier is de heks met zwavel
en salpeter! De heks op den bezem! Hi-i-i-i!"
De vrek viel kermende op de knieën. In doodsangst keek hij naar den
schoorsteen, waardoor, naar hij vreesde, de heks zou binnenkomen.
"O, heb medelijden, genade!" kermde hij. "Ach, ach, kom toch niet hier;
ik zal het je nooit weer lastig maken!"
Plotseling flikkerden de vlammen, die blauw en groen zagen, weer
hoog op, het gebulder werd heviger en het gegil in den schoorsteen
klonk in één woord ontzettend. Het angstzweet brak den vrek uit. Hij
was radeloos. Daar zag hij, hoe een ijzeren bak, waaruit ook kleine
blauwe vlammetjes opstegen, langzaam aan een ketting naar beneden
zakte, en boven het vuur bleef hangen.
"Geld! Geld!" klonk het daarboven gillend. "Hier is de heks met
salpeter en zwavel, geld, geld, de heks met den bezem, de vleermuizen
en de hagedis! Geld, geld, hi-i-i-i!"
"O, geld!" kermde de oude gierigaard, met een wanhopigen blik op zijn
schat. "Ook dat nog! Genade, genade!"
"Hier is de heks, de heks met den bezem! Wat moet zij maken van den
ouden woekeraar? Moet hij eene vleermuis worden, of..."
"O, neen, neen, genade, geen vleermuis!" kreunde Mulder, terwijl hij
in doodsangst twee handen met geldstukken in den bak wierp, waaruit
opnieuw groote blauwe vlammen opstegen.
".... Of moet hij een nachtuil worden, die over het kerkhof vliegt?"
"Neen, neen, o neen, geen nachtuil, o, goede heks, vergeef het
mij!" riep Mulder, terwijl hij opnieuw een aantal geldstukken in den
bak wierp.
".... Of een slang met giftige tanden, of een draak met zeven
koppen? Ja, een draak, een draak! Hij wordt een draak! Hier is de heks,
ze komt om het geld, om het geld van den vrek! Ze komt, ze komt met
zwavel en salpeter! Waar is de woekeraar? Hi-i-i-i!"
"Help, help, o genade! Hier is mijn geld, dáár, dáár!" En de oude man
wierp sidderend handenvol geld in den bak. "Ach, genade! Laat me toch
asjeblieft geen draak worden! O, o!"
Plotseling werd het gegil nog heviger en akeliger, en groote blauwe
en groene vlammen stegen van het haardvuur op. Het gebulder tegen
de luiken duurde onophoudelijk voort. Vol ontzetting bedekte Mulder
zijne oogen met beide handen en kroop in den donkersten hoek onder
de tafel, waar hij voorover op den grond ging liggen. Elk oogenblik
verwachtte hij de heks te hooren binnenkomen.
Doch neen, langzamerhand werd het stiller; eindelijk hoorde hij nog een
gil, en toen niets meer. Toch durfde hij nog niet opkijken, maar toen
hij eindelijk gedurende een geruimen tijd geen verdacht geluid meer
hoorde, kwam hij voorzichtig uit zijn schuilhoek te voorschijn en keek
in de kamer rond. Gelukkig, er was niets geheimzinnigs meer te zien;
het vuur was weer gewoon, zelfs bijna uitgedoofd, en geen verdacht
geluid trof zijne ooren. Hij bekeek en betastte zich aan alle zijden,
om te onderzoeken, of hij ook betooverd was, doch dat onderzoek stelde
hem gerust. Hij bevond zich nog onveranderd en ongedeerd.
"Maar het heeft me geld genoeg gekost," zuchtte hij, met een treurigen
blik op zijn geldkist. "Laten de menschen me nu nooit weer zeggen,
dat er geen heksen zijn, hu, hoe akelig! Ik weet er nu alles van!"
Nog over al zijne leden bevende, borg hij zijn schat weer weg en
legde zich te bed, waar hij den ganschen nacht door akelige droomen
werd gekweld.
Had de man geweten, dat de heks niemand anders was geweest dan Dik,
die door de kachelpijp heen al dien onzin naar beneden had getoeterd,
terwijl zijn makker Piet de deur en de vensters beukte, dan zeker zou
hij niet zoo gemakkelijk afstand hebben gedaan van zijne geliefde
goudstukken. Den volgenden morgen keek hij telkens naar den haard,
om te zien, of er nog blauwe en groene vlammen uit opstegen, doch de
stukjes zwavel en salpeter, die Dik uit de apotheek had meegenomen
en op het vuur geworpen, waren al lang verbrand.