"Ik hoor of zie niets," antwoordden de anderen even zacht.

"Dan er maar over," zei Dik.

Een oogenblik later stonden ze alle vier aan de overzijde van de

sloot en dus in den boomgaard.

"Jongens," zei Jan Vos, "Dik moet maar beneden blijven, want hij

kan het slechtst klimmen. Als wij in de boomen klauteren, kan hij de

appels oprapen, en meteen een oogje in het zeil houden."

"Dat is goed."

Dik hielp hen met zijne krachtige armen vlug in een prachtigen

appelboom, en al spoedig rolden de appels bij tientallen op den

grond. Dik raapte, wat hij kon, maar nauwelijks had hij er acht in

zijne diepe zakken geladen, of daar klonk de stem van Geurs.

"Ha!" schreeuwde deze. "Daar heb ik ze eindelijk, die appeldieven,

die schelmen! Wacht, die kunsten zal ik je wel afleeren! Trijn,

mijn geweer! Gauw!"

Doch Geurs wachtte de komst van de meid niet eens af.

Hij stoof naar binnen, en kwam met een geweer in de hand vloekend op

de jongens af.

Maar dezen hadden gebruik gemaakt van het oogenblik, dat Geurs naar

binnen ging. Dik wachtte de anderen op, tot ze weer in het gras

stonden, want hij liet nooit een kameraad in den steek, al kon hij

ook nog zoo gemakkelijk ontkomen, en als de wind repte het viertal

zich naar het elzenboschje. Maar nog voor zij de sloot overgesprongen

waren, hoorden zij Geurs al razend en tierend aankomen.

"O, hij zal schieten," steende Jan van Bakel, die de bangste was van

de vier.

"Vooruit, niet zeuren!" riep Dik. "Er over!"

Wip! Jan Vos was aan den overkant. Wip! Wip! Dik en Piet van Dril waren

er ook. Jan van Bakel sprong niet. Hij scheen verbouwereerd te zijn.

"Spring dan toch!" riep Dik.

Daar sprong hij; maar in zijn angst keek hij eerst nog even om, of

Geurs al dicht achter hem was, en dat was zijn ongeluk. Hij nam nu

zijn sprong te kort, en kwam midden in de moddersloot terecht.

"Paf!" Daar viel een schot. "Paf!" Nog een.

------

FIGURE

------

"O, o, ik ben getroffen!" kermde Jan, die naar den kant kroop.

"Geef me eene hand, dan zal ik je er uittrekken!" riep Dik, die

hem zelfs niet voor een gouden tientje aan zijn lot zou hebben

overgelaten. "Hier, gauw!"

"Wacht, jullie schelmen!" schreeuwde Geurs aan den anderen kant van

de sloot. "Daar heb ik je eindelijk!"

Maar zoo ver was het nog niet. Dik en de anderen trokken Jan van

Bakel uit de modder, en snelden het boschje in. Dik trok Jan met

geweld voort, in de stellige meening, dat deze getroffen was. Achter

de school hielden zij stand.

"Jan, waar doet het je pijn?" vroeg Dik.

"O, dat weet ik niet," huilde Jan, terwijl de modder hem van de

kleeren droop.

"Maar als je getroffen bent, moet het je toch ergens pijn doen?" zeiden

de andere jongens.

"Och ja, dat weet ik wel, maar ik ben zoo geschrokken," kreunde Jan.

"Dat is niet erg, als je maar niet getroffen bent. Je bent anders lang

geen held, dat verzeker ik je. Dus hij heeft je echt niet geraakt?"

"Neen, geraakt niet, maar de kogels vlogen me toch om de ooren."

"Zoo," zei Dik. "Weet je wat, ga maar naar huis; dat is in elk geval

het beste voor je."

Jan van Bakel droop in een dubbelen zin af, en de andere jongens

wandelden het dorp weer in. Plotseling zei Dik:

"Ik begin te gelooven, dat we ons leelijk bang hebben laten maken

door niemendal."

"Hoe dan?" vroegen zijne makkers.

"Wel, je begrijpt toch, dat Geurs geen hagel op ons durft afschieten;

hij zal wel los kruit gebruikt hebben."

"Jongen, Dik, dat weet ik nog zoo net niet. Als hij nuchter was,

dan wel, maar een dronken mensch doet wel meer dingen, daar hij later

spijt van heeft, en Geurs is niet dikwijls nuchter."

"Dat is waar," zei Dik. "Doch hoe het ook zij, aan zijne appeltjes

zullen we ons niet ziek eten. Hier heb ik ze; er zijn er acht. Dat

is voor ieder twee."

"Dan schieten er twee over, Dik," zei Piet, "wie moet die dan

hebben? We zijn immers met ons drieën."

"En Jan van Bakel dan?" vroeg Dik.

"O, die is er niet, en bovendien zal zijn vader nu wel een ander

appeltje met hem schillen. Ik wed, dat hij er geen eens trek meer

in heeft."

"Ja, dat geloof ik ook wel, maar toch, eerlijk is eerlijk. Ik vind,

dat we ze voor hem moeten bewaren. Ze komen hem eerlijk toe."

"Je hebt gelijk, Dik, die appels zijn van hem. Laten we ze hier bij

dezen boom neêrleggen, met een weinig zand er over, dan kunnen we ze

hem morgenochtend geven."

"Goed," zeiden Piet en Dik.

Zij begroeven de twee appels op de aangeduide plaats en wandelden

weer verder, terwijl ze de geroofde waar met ijver naar binnen werkten.

"Nu, smaken ze niet goed?" vroeg Dik op den toon van iemand, die er

trotsch op is, anderen eene weldaad te hebben bewezen.

"Of ze!" zei Piet van Dril. "Ik wou, dat ik er nog maar een stuk of

wat had."

"En ik!" riep Jan Vos. "Hoewel, ik moet eerlijk zeggen, dat ze toch

lang zoo lekker niet zijn, als de perziken van den burgemeester."

"Perziken?" vroeg Dik. "Heeft de burgemeester dan een perzikboom? Dat

wist ik niet."

"Een mooien, hoor. Ik geloof zeker, dat er wel meer dan tweehonderd

aanzitten," zei Jan.

"Hoe weet je dat?"

"Wel, toen we laatst den veldwachter zoo geplaagd hadden, ben ik

bij den burgemeester nog even in den tuin gaan kijken, en zoo heb

ik het gemerkt. Jongen, jongen, wat waren ze lekker; ik heb er drie

opgepeuzeld."

"Dus je weet er goed den weg, hè?" vroeg Dik.

"Ja, waarom?"

"Wel, dan moesten we er, dunkt me, ook eens van proeven. Het zou toch

al wonder toevallig zijn, als we daar weer gesnapt werden."

"Mij goed," zei Jan Vos, "ik durf wel."

"Ik weet het niet; 't lijkt wel, of de schrik er bij mij een beetje

in zit," sprak Piet van Dril.

"Den moed niet zoo gauw opgeven, Piet," zei Dik. "Willen we het doen?"

"Nu, vooruit dan maar weer!"

"Vooral voorzichtig wezen, jongens," zei Dik, "want we komen nu in

het hol van den leeuw."

"Ik zou ten minste niet graag gesnapt worden, Dik,--en jij?"

"Dank je hartelijk!"

Spoedig bereikten de jongens het raadhuis. Daar naast woonde de

burgemeester. Tusschen de beide gebouwen in lag een grasveld, dat met

boomen beplant was. Dat veld overstekende, kwamen ze aan eene breede,

dichte haag, welker scherpe dorens hun het doordringen onmogelijk

maakte.

"Gaat maar meê, jongens," fluisterde Jan Vos. "Achteraan is een gat,

waar we gemakkelijk doorheen kunnen kruipen."

De jongens liepen de haag langs, tot aan de achterzijde van den tuin.

"Hier is het," fluisterde Jan. "Ik zal er wel het eerst doorgaan;

volgt me maar."

Jan kroop er door, toen Dik, en daarna Piet. Nu stonden ze in den

tuin van den burgemeester, 't Was pikdonker geworden, zoodat Dik en

Piet bijna niet konden zien, waar Jan liep. Niemand had er ook erg in,

dat Flipsen aan den anderen kant van de haag langzaam naderbij sloop.

"Blijft maar dicht achter me," zei Jan Vos zacht. "Hier is een smal

pad. Je merkt toch geen onraad?"

"Ik zie niets," zei Dik. "Maar waar staat nu die boom?"

"Tegen den muur van het huis, vlak bij den regenbak."

"Jongens, wat is het hier donker; zouden we maar niet

terugkeeren?" vroeg Piet van Dril, die zich niet op zijn gemak

gevoelde.

"Wel neen, Piet," zei Dik. "We zijn er nu zeker dadelijk, is 't

niet, Jan?"

"Ja, zoo aanstonds! Nu dezen kant op. Hier hebben we hem!"

"Ha, wat een prachtige boom! Hier heb ik al wat!" fluisterde Dik in

verrukking. "Plukken, hoor, haast je je niet, dan heb-je niet!"

Nu, de drie jongens deden hun best. In een oogenblik waren Dik's zakken

meer dan vol; de perziken vielen er haast uit. Bij Jan en Piet evenzoo.

"Ben je klaar?" fluisterde Dik.

"Dadelijk, wacht nog heel eventjes," zei Piet, wiens moed begon te

herleven, en die er het zijne nu eens goed van wilde nemen.

Doch dat oogenblik wachten werd hun noodlottig, want achter het huis

kwam de veldwachter op de teenen aansluipen. Behoedzaam verborg hij

zich achter den regenbak.

"Hoor ik daar niets?" vroeg Jan Vos.

"Ik meende ook iets te hooren," zei Dik. "Laten we ons in elk geval

uit de voeten maken."

Zacht namen zij den terugtocht aan, maar toen zij langs den regenbak

kwamen, sprong plotseling Flipsen uit zijn schuilhoek te voorschijn.

"Wacht, deugnieten, nu heb ik...."

Pof, daar viel hij, zoo lang als hij was, voorover op den grond. Zijn

voet was in den ketting van het akertje verward geraakt.

"Au!" riep hij. "Verwenschte jongens!"

Hij krabbelde overeind, en snelde de knapen na, die al bijna het

gat in de haag hadden bereikt. Jan Vos en Piet van Dril, die vlugger

konden loopen dan hun makker, kropen er het eerst door, waarvan het

gevolg was, dat Dik een oogenblik moest wachten, en zich door den

veldwachter bij den kraag voelde grijpen.

"Ha, hier heb ik er een! Wie ben jij? Wacht, ik zie het al, net de

rechte! Nu is het mijn beurt, manneke!" Maar vóór Flipsen er erg in

had, rukte Dik zich onverwachts los, en zette het op een loopen. De

veldwachter hem na! Dik liep den tuin door, het huis om en den weg op,

in de richting van zijn ouderlijk huis, maar ongelukkig kon hij niet

snel genoeg uit de voeten, en weldra hoorde hij Flipsen weer achter

zich. Al meer en meer won deze op hem, en eindelijk werd Dik voor de

tweede maal gegrepen.

"Nu zal je me niet meer ontsnappen, baasje. Allo, meê, onder het

raadhuis! Voort! Daar mag-je appels en peren stelen, zooveel je maar

wilt, en aan de ruiten tikken ook! Sla ze maar niet stuk, ha-ha-ha!"

Dik sprak geen woord, en liet zich gewillig meêvoeren. Spoedig hadden

zij de deur der zoogenaamde gevangenis bereikt. Flipsen opende haar,

en duwde zijn gevangene naar binnen. Flap, de deur sloeg dicht,--en

Dik was alleen.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

HOE DIK OP VRIJE VOETEN GERAAKTE EN EEN GOED BESLUIT NAM.

Het was daarbinnen pikdonker. Dik kon geen hand voor oogen zien. Hij

bleef eerst een oogenblik bij de deur staan, en deed toen een paar

stappen vooruit. Weldra bemerkte hij, dat hij nog niet in de eigenlijke

cel aangekomen was, maar eerst nog eene trap moest afdalen. Nu, dat

afdalen was nog al te doen want de trap, die geheel van steen was,

telde maar vijf treden. Dik ging op den tast naar beneden, en kwam nu

in een duf hok, waarin slechts een enkel venster was, maar natuurlijk

zonder glas. Het was een vierkant gat met een dikken, ijzeren bout er

voor, die hem alle hoop benam, om te ontvluchten. In den hoek stond

een steenen bankje. Een paar bossen stroo op den grond verspreidden

een muffen geur en konden Dik volstrekt niet verleiden, zijne dikke

ledematen er op uit te strekken. Hij ging op de steenen bank zitten.

"Jongen, Dik," zei hij, "die Flipsen is toch handiger, dan je dacht,

't Is een leelijk geval. Wat zal Moeder schrikken, als ze merkt, dat ik

niet thuis kom. 't Zou me wat waard zijn, als ik hier goed en wel weer

uit was. En Moeder is nog zoo zwak; het is best mogelijk, dat zij weer

zieker wordt, als zij hoort, dat ik hier opgesloten zit. Ik hoop maar,

dat Jan en Piet het bij mij thuis verteld hebben, en dat Vader het voor

Moeder verzwijgt. Doch neen, dat zal wel niet kunnen, want Moeder zal

wel geen rust hebben, voor zij het naadje van de kous weet. 't Is een

leelijk geval. 'k Wou, dat ik die heele historie maar niet begonnen

was, dan zat ik nu misschien kalm en wel thuis. Als het nu met Moeder

erger wordt, heb ik het op mijn geweten. Zouden ze nog proces-verb...."

"Dik, zit je hier?" hoorde hij plotseling heel zacht vragen. Het

geluid kwam door het venstergat.

"Ja! Ben jij daar, Jan?"

"Ja, Piet ook. Ben je niet bang?"

"Neen, bang niet, maar wel ongerust, over Moeder, weet je. Ze is

nog zoo zwak, en zal zeker hevig ontstellen, als zij het hoort. Ik

ben erg blij, dat je me niet in den steek laat. Heb-je het bij me

thuis verteld?"

"Neen, nog niet. We hebben gewacht, tot Flipsen naar huis ging,

en zijn toen dadelijk hierheen gekomen."

Jan en Piet lagen plat op den grond, met hun hoofd voor de

tralie. Het venster was laag bij den grond, ongeveer zoo lag als

een keldervenster. De gevangenis was trouwens niet veel meer dan een

kelder, en diende alleen, om bedelaars of dronkaards voor ten hoogste

één nacht op te sluiten.

"Ik zit hier leelijk, hè? Hoe laat zou het al wezen?"

"'t Is half negen. De klok heeft pas geslagen," zei Piet.

"Zeg Dik," zei Jan, "als die tralie er maar niet was, dan kon je best

door dit gat kruipen, en naar huis gaan."

"Ja," zei Dik, "maar die tralie is er."

Piet van Dril, wiens vader smid was, vatte het ijzer aan, en begon

er met kracht aan te trekken.

"'t IJzertje zit goed vast, hè Piet?" vroeg Dik.

"Niet erg!" antwoordde deze. "Ik kan het gemakkelijk heen en weer

bewegen. De bout is sterk genoeg, maar het kozijn niet. Dat is al

tamelijk vermolmd. Heb-je geen mes?"

"Of ik," zei Dik, wiens moed begon te herleven, "en een goed

ook. Hier! Zou je het los kunnen krijgen?"

"Dat zullen we probeeren, Piet!" riep Jan Vos vol vuur. "'t Zou me

wat waard zijn, om je er uit te krijgen, jô! Wacht, ik heb ook nog

een mes. Kijk, het wordt lichter ook. De maan komt op."

Jan en Piet togen met moed aan het werk. Dik volgde met de grootste

belangstelling al hunne bewegingen, en begon onderwijl eene perzik

op te eten.

"Ik geloof, dat jelui prachtig opschiet," zei hij, terwijl hij het

sap van zijne kin veegde. "Dat maantje komt ons nog bij tijds een

handje helpen."

"'t Gaat best, Dik, 't gaat uitstekend!" riep Piet van Dril op

gedempten toon. "Kijk maar, de stang zit al losser. Over tien minuten

kunnen we haar er uit halen."

"Hoera!" riep Dik, terwijl hij van pleizier in het rond sprong. "Wat

ben ik daar blij om, vooral om Moeder, en wat zal die Flipsen morgen

raar kijken, als de vogel gevlogen is!"

"Dat begrijp je!" lachte Jan Vos. "Hij zal razend wezen!"

"Toe, Jan, niet babbelen," riep Piet, "voortwerken, zoo hard we

kunnen. Kijk ik al eens een grooten hoop molm hebben, 't Lijkt wel

turf. Zeg, Dik, je opvolger zal zoo gemakkelijk niet ontsnappen,

want ze zullen het morgen wel wat sterker maken, denk ik."

"Ja, maar ik ben er ook nog niet uit! Zou het echt gelukken?"

"Wacht nog maar een oogenblik. Kijk, de stang zit al los."

Jan schudde haar nu al met gemak heen en weer, wat Dik zoo 'n pleizier

deed, dat hij opnieuw begon te springen. De jongens werkten ijverig

voort. De hoop molm werd voortdurend grooter, en eindelijk zei Piet:

"Laten we 't nu eens probeeren, Jan. Eerst zoo hoog

mogelijk opschuiven, en dan het ondereinde uit de gleuf

lichten. Een--twee--drie!"

Zij spanden al hunne krachten in, en krak!....

"Hoera, Dik, 't is gelukt! Kom er nu maar gezwind uit!"

"Prachtig, heerlijk!" riep Dik. "Maar zeg, ik ben er nog niet

uit. Mijne armen en mijn hoofd kan ik er wel doorsteken, maar meer

niet. Ik heb hier niets, waarop ik staan kan."

"Kom maar, we zullen er je wel uittrekken, maar 't zal wel pijn doen,

vrees ik."

"Dat hindert niet; voor een paar schrammen ben ik niet bang."

Dik stak zijne armen en zijn hoofd door de opening. Jan en Piet pakten

hem stevig beet, en trokken hem naar boven, 't Was een tamelijk zwaar

vrachtje, en de opening bleek nauwelijks groot genoeg. Dik vulde haar

geheel met zijn lichaam.

"Hè-hè! Dat is zwaar! Ik moet even rusten," zei Jan.

Dik hing nu halverwege buiten het kozijn. Zijne beenen hingen nog in

de donkere ruimte achter hem.

"Kom Piet, vooruit maar weer!"

"Trekt maar, zoo hard je kunt," riep Dik. "Doet maar gerust, of je

thuis bent; je behoeft me niet te ontzien."

De jongens trokken uit alle macht, maar toch ging het den

slakkengang. Dik was te dik, en daarbij zaten zijne zakken zoo vol

perziken, dat hij nog dikker was dan gewoonlijk.

"Trekken, trekken!" riep hij.

"Daar komt volk aan!" riep Jan Vos plotseling, "'t Is Flipsen. Maak,

dat je wegkomt, Piet!"

In een oogenblik waren zij verdwenen. Ze kropen achter eene haag, dicht

bij het raadhuis, vanwaar ze alles konden hooren en zien. Flipsen kwam

naderbij met nog een bos stroo en eene kan water. Daar viel zijn oog

op Dik, die niet achter- of vooruit kon. De andere jongens had hij

niet gezien.

"Ha-ha!" riep hij lachend. "Daar kom ik juist van pas. Wou je me

ontsnappen, m'n jongen? Wacht, ik zal je helpen. Ik ben zoo kwaad

nog niet, als je wel denkt."

Hij pakte Dik beet en trok zoo hard hij kon, maar de perziken hielden

den gevangene tegen. Hij kon er Dik onmogelijk doorkrijgen.

"Zoo, baasje, je hebt je daar leelijk vastgewerkt. Die tralie was voor

jou niet noodig, merk ik wel. Je kunt er toch niet uit. Ha-ha-ha! Dat

is grappig! Wacht, m'n beste jongen, ik kom bij je; dan zal ik je

aan den anderen kant wel helpen. Hier heb ik meteen een bed voor

je. Ha-ha-ha!"

De veldwachter nam het stroo weer op, ontsloot de deur en trad het

hok binnen. Nauwelijks was hij daar, of Jan Vos sprong voor den dag,

en zei:

"Kom Piet, we moeten Dik niet aan zijn lot overlaten. Laten we

probeeren, wie het hardst trekken kan, Flipsen of wij."

Jan en Piet pakten Dik opnieuw beet, en trokken wat zij konden. De

veldwachter nam hem bij de beenen, en trok ook uit alle macht. Het

gevolg was, dat Dik bleef, waar hij was, en het mooiste was nog,

dat Flipsen niet eens merkte, dat Dik daarbuiten helpers had. Hij

zette zijne beide beenen tegen den muur, en trok met geweld aan Diks

broekspijpen, die nog altijd bijzonder wijd waren.

"Laat me eventjes los, jongens," fluisterde Dik, die een nieuwen

inval kreeg, en niet zoodra had hij zijne handen vrij, of hij maakte

met groote behendigheid de draagbanden los, waaraan zijne broek

was bevestigd.

"Trekt nu!" zei hij, zijne handen uitstekende.

Dat geschiedde, en wel met het zotte gevolg, dat Flipsen met Diks

broek in de hand achterover tegen den muur bonsde, en Dik zonder

broek naar buiten gleed.

"Hoera!" riep hij. "Nu zit de oude rat zelf in de val!"

Vlug liep hij naar de deur, en vóór Flipsen zich nog goed van den

schrik hersteld had, trok Dik de deur op slot, en maakte zich met

zijne trouwe helpers uit de voeten.

"Nu naar huis toe, jongens!" riep hij, "voor we ten derden male

gesnapt worden!"

Vijf minuten later stond hij voor zijne woning. Toch scheen hij nog

geene lust te hebben, om naar binnen te gaan, althans, hij opende de

deur niet.

"Zou Moeder niet schrikken, als ik zoo half gekleed thuis

kom?" mompelde hij. "Als ze gezond was, zou ze zeker om het

voorgevallene lachen, maar nu--neen, nu gaat het niet. En dien Flipsen

kan ik daar toch ook niet laten zitten. Ik weet nu bij ondervinding,

hoe onaangenaam het er is. Neen, dat gun ik den man toch niet, al is

hij een beetje lastig. Ik zal hem er weer uitlaten. Zijne vrouw maakt

zich anders misschien ook nog ongerust, en zij is een goed mensch. Zij

heeft Moeder in de laatste dagen dikwijls hare belangstelling

getoond. Alleen reeds daarom zou ik Flipsen er uitlaten."

Dik keerde naar het raadhuis terug. In de verte hoorde hij Flipsen

al om hulp roepen.

"Help, help!" klonk het. "O! die rakkers! Die schelmen! Help!"

"Hier ben ik al, Flipsen!" zei Dik, zich voor het gat plaatsende. "Als

je mij belooft, dat ik vrij naar huis mag gaan, zal ik je verlossen."

"Vrij?" schreeuwde Flipsen. "Dat nooit, nooit, versta-je? Jou

aartsschelm! Wacht maar, ik zal je wel krijgen!"

"Nu, Flipsen, dan blijf je er in, dat begrijp je. 't Spijt me

wel, want ik zou je graag vrijlaten. Ik ben met dat doel alleen

teruggekomen. Maar als je niet wilt, moet je het zelf weten. Goeden

avond."

Dik keerde zich om, en wilde vertrekken.

"Ho, ho, Dik, zoo bedoel ik het niet!" riep Flipsen, die nu begreep,

dat het Dik ernst was. "Ik dacht, dat je gekomen waart, om den spot

met me te drijven, maar als je het werkelijk meent, is het wat anders."

"Ik meen het," zei Dik ernstig. "Ik weet nu bij ondervinding, hoe

onaangenaam het daarbinnen is, en zie je, ik kan het niet van me

verkrijgen, om je hier den geheelen nacht te laten zitten. Maar eerst

moet ik mijne broek hebben."

"Hier is ze, Dik," zei Flipsen, haar door het gat stekende. Dik trok

haar dadelijk aan.

"Laat mij er nu uit, Dik," vroeg Flipsen.

"Maar wie waarborgt mij dan, dat je me niet dadelijk weer zult

opsluiten? Je kunt veel harder loopen dan ik."

"Ik beloof het je, Dik. Een anderen waarborg kan ik je niet geven. Toe,

laat mij er nu uit."

"Kun-je de deur van binnen openen, als ik je den sleutel geef?"

"Ja, geef maar hier."

Dik haalde den sleutel uit het slot, en wond er een dun touwtje om,

dat hij stevig vastknoopte.

"Hier heb-je hem, Flipsen. Eer je het touwtje er af hebt, ben ik

thuis."

"Je behoeft me anders niet te wantrouwen, Dik, want eene belofte

breek ik nooit. Maar zoo is het ook goed."

Dik gaf den sleutel en ging naar huis.

Toen hij binnentrad, lag Moeder in eene lichte sluimering, en Vader

zat met de handen onder het hoofd bij de tafel te dommelen. Beiden

ontwaakten door zijne komst. Dik ging naar het bed zijner moeder.

"Hoe is het nu met u?" vroeg hij.

"Veel beter, Dik, veel beter, maar nog zwak."

"O, dat zal elken dag wel wat beter worden. Wil u niet wat eten,

voor we naar bed gaan?"

"Neen kind, dank-je, ik heb volstrekt geen eetlust. Alleen heb ik trek

in een lekker, zacht peertje. Zouden de onze nog niet rijp zijn? Of

zijn ze al opgegeten?"

"Neen, Moeder, zeker niet. We hebben ze juist voor u aan den boom

gelaten. Wil ik er een paar halen? Er zitten er twaalf aan; ik heb

ze van middag nog geteld."

"Ja, Dik, dat is goed. Ik heb er veel trek in. Mijn mond is zoo droog."

Dik ging naar buiten. In den tuin, achter het huis, stond een klein

pereboompje, dat zijn vader daar een paar jaar geleden geplant

had. Meer vruchtboomen bezaten zij niet. Het vorige jaar had het

boompje nog geene vrucht gedragen, maar dezen zomer waren er twaalf

heerlijke peren aan gegroeid. Dik had er al menigmaal een begeerigen

blik op geworpen, maar hij had er toch geen van opgegeten, waar hij

thans dubbel blijde om was, omdat zijne zieke moeder er nu zooveel

genot van hebben kon.

Hij liep het huis om, en kwam in den tuin. Doch plotseling bleef hij

staan. Hoorde hij daar geen geritsel in den tuin? Ja, zie, daar vlogen

donkere gedaanten langs hem heen. Het waren jongens, die bij zijne

komst de vlucht namen. Weldra waren ze in de duisternis verdwenen.

Dik vloog naar het pereboompje. Zouden de jongens die heerlijke

peren gestolen hebben, juist nu zijne moeder er zulk eene behoefte

aan had? Ja waarlijk, zij waren verdwenen. Hoe hij ook zocht, hij

kon er geen enkele vinden.

Tranen van spijt kwamen hem in de oogen. Zoo gaarne zou hij Moeder

die versnapering hebben aangeboden, en nu waren zij gestolen.

"'t Is gemeen!" riep hij met gebalde vuisten, "'t Is slecht, maar ik

zal...." Doch plotseling zweeg hij, en het schaamrood bedekte hem

de kaken. "Ik heb het zelf ook gedaan," mompelde hij. "Ik ben even

slecht als zij, ik ben ook--een dief, een leelijke dief! O, ik gevoel

nu eerst goed, hoe slecht het van mij was, en ik weet nu, dat stelen

stelen is, onverschillig of het een gulden betreft of een appel. Maar

het zal mij nooit weer gebeuren; een dief wil ik niet wezen!"

Met loome schreden ging hij naar binnen, en met neergeslagen oogen

zeide hij, wat er gebeurd was. Voor de eerste maal van zijn leven

durfde hij Moeder niet in de eerlijke oogen te zien, en hij gevoelde

zich, alsof hij zelf haar de peren ontstolen had. Hij had zooveel

berouw over hetgeen dien avond gebeurd was, dat hij er bijna den

geheelen nacht niet van slapen kon. Na dien tijd stal hij nooit weer.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

PAARDEN EN EZELS.

In het volgende voorjaar ging Dik van school, en niet hij alleen,

maar ook bijna alle kinderen, die gelijk met hem op school gekomen

waren. Piet van Dril kwam bij zijn vader in de smederij, waar hij

gewoonlijk met een zwart gezicht aan de blaasbalg stond te trekken,

of zóó lustig met een zwaren hamer op het gloeiende ijzer sloeg,

dat de vonken door de smidse spatten. Zijn vader beweerde, dat er

een flinke smid van hem zou groeien.

Jan Vos kwam in de leer bij Langerijs, den metselaar. Zijn voornaamste

werk bestond gedurende het eerste jaar in steenen aandragen en kalk

maken. Deze bezigheid werd de oorzaak, dat hij altoos net zoo wit zag,

als Piet van Dril zwart, 't Was dan ook een mal gezicht, als die twee

soms samen over den weg liepen.

"Precies de dag en de nacht, die elkaar een handje geven," zei Dik

dan, als hij hen tegenkwam. Doch hoe ze er ook mochten uitzien,

zij waren degelijke jongens, die flinke mannen beloofden te worden.

Uit het leven van Dik Trom · 第 5 / 8 段