De jongens maakten, dat zij op een behoorlijken afstand kwamen, ver

genoeg, om den veldwachter in de duisternis te kunnen ontloopen,

en toch dicht genoeg bij, om te kunnen hooren en zien, wat er

gebeurde. Dik sloop opnieuw den tuin in, en verschool zich tusschen de

besseboompjes, waar hij bijna geheel onder kroop. Nauwelijks zat hij,

of hij trok aan den draad.

"Rikketik, rikketik!" klonk het tegen de vensterruit.

De veldwachter zat aan de tafel te schrijven, en was in die bezigheid

zoo verdiept, dat hij het getik niet hoorde. Maar zijne vrouw, die

kousen zat te stoppen, hoorde het wel.

"Flipsen," zei ze, "ik denk, dat er volk is. Er wordt, geloof ik,

aan de ruiten getikt."

"Zoo? Ik heb er niets van gehoord. Nu, dan moeten ze nog maar eens

tikken."

De veldwachter ging voort met zijn schrijfwerk.

"Rikketik, rikketik!" klonk het opnieuw.

"Hoor je wel?" riep de vrouw.

"Ja, nu hoor ik het ook. Waarom tikt dat volk niet aan de deur, zou je

zeggen?--Is daar iemand?" riep hij, zonder van zijn stoel op te staan.

Er volgde geen antwoord.

"Ik denk, dat het een vogeltje is, vrouw, of een takje van een boom. Ik

krijg ten minste geen antwoord."

De veldwachter schreef verder, en zijne vrouw stak haar arm weer in

de kous, om met stoppen voort te gaan.

"Rikketik, rikketik!"

"Wel, wat drommel, daar heb je het weer! Wie is daar?"

Geen antwoord volgde.

"Kom anders maar binnen, hoor!" riep de veldwachter; maar er kwam

natuurlijk niemand. Dik, die alles duidelijk kon verstaan, lag onder

de besseboomen te lachen, dat zijn dikke buik er van schudde.

"Hij is nogal stoelvast," dacht Dik, "maar ik zal hem wel overeind

krijgen."

"Rikketik, rikketik, rikketik!"

"Duizend bommen en granaten!" riep Flipsen, die vroeger in dienst

was geweest. "Daar heb-je dat getik weer! Vrouw, ga eens kijken,

of er ook iemand is."

De vrouw stond op, en deed de voordeur open.

"Is er volk?" riep ze.

Alweer geen antwoord.

"Is er volk?" riep ze nog eens, met verheffing van stem. Doodelijke

stilte. Ze deed de deur dicht, en ging weer naar binnen.

"Er is niemand," zei ze, "en het is erg donker."

"Zoo, dat dacht ik wel."

Flipsen en zijne vrouw gingen weer aan den arbeid. Maar nauwelijks

waren ze bezig, of.....

"Rikketik, rikketik, rikketik!" klonk het weer.

De veldwachter vloog overeind, greep zijne pet, en stoof naar de

voordeur.

"Wie is hier?" schreeuwde hij. "Kun-je niet behoorlijk aan de deur

tikken, in plaats van aan de ramen? Nu, kom dan voor den dag! Waar

blijf je dan toch? Wat moet je?"

Maar het bleef stil, doodstil, daarbuiten.

"Wat drommel, spreek dan!" schreeuwde de veldwachter, die buiten

zichzelven geraakte van kwaadheid. Doch geen antwoord volgde. Loerend

keek hij in de duisternis rond, maar daar hij niets zag, ging hij weer

naar binnen, en zette zich met een boos gezicht aan 't werk. Hij was

echter nog geen twee minuten aan den gang, of daar ging het weer:

"Rikketik, rikketik, rikketik!"

Fluks tilde hij het gordijn op en drukte zijn gelaat tegen het glas,

om naar buiten te kijken, wat zoo'n dwaas schouwspel opleverde,

dat de jongens het uitgierden van pret. Hij zag natuurlijk niets,

en liet spoedig het gordijn weer vallen.

"Daar begrijp ik niets van, vrouw!" zei hij, en nauwelijks had hij

uitgesproken, of opnieuw vernam hij:

"Rikketik, rikketik, rikketik!"

"Wel heb ik van mijn leven!" riep hij, terwijl hij zich naar buiten

spoedde. "Nu moet ik weten, wat dat beteekent, al zou de nikker er

meê spelen!"

"Wie is hier toch? Wat moet je?" schreeuwde hij zoo hard hij

kon. "Houdt iemand me soms voor den gek, of hoe is het? Kom voor den

dag, als je durft, dan zal ik je mores leeren!"

Maar het bleef nog altijd even stil. Flipsen liep langs de ramen,

maar hij zag niemand, en in den draad had hij geen erg, omdat Dik

dien vlug zoover had afgekluwd, dat hij slap neêrhing. Toen liep

Flipsen den tuin in, en keek overal nauwlettend rond, maar Dik,

die doodbedaard eenige late bessen oppeuzelde, zag hij niet.

"Ik denk, dat ik met den een of anderen kwâjongen te doen heb,"

mompelde hij eindelijk, terwijl hij weer naar binnen ging, "maar ik

zal hem wel krijgen, wacht maar!"

Zoodra hij in huis was, zocht hij een dikken stok, en legde dien bij

zich op de tafel.

"Zie je ook niets?" vroeg zijne vrouw.

"Neen, nog niet, maar ik zal hem wel krijgen!"

Hij bleef bedaard wachten, en het duurde ook niet lang, of het

begon weer.

"Rikketik, rikketik, rikketik!"

Hij greep den stok, en vloog naar buiten. Eerst langs de ramen,

maar daar was niets; toen den tuin door en den weg op.

"Daar is hij! Daar is hij!" klonk het plotseling aan alle kanten,

en zoo hard zij konden, stoven de jongens uit elkaar. De veldwachter

snelde hen na.

"Ha, rakkers," schreeuwde hij, "nu is het mijne beurt!"

Maar de goede man had zich misrekend. In een oogenblik sprongen de

jongens hekken en hagen over, en verborgen zich in alle hoeken en

gaten, en door de duisternis kon Flipsen hen niet vinden. Ze waren

spoorloos verdwenen. Neen, wacht, daar hoorde hij er een heel zacht

aankomen. Snel verborg hij zich achter een boom. Het geluid kwam

al nader, en eindelijk klonk het vlak bij hem. Hij sprong pijlsnel

vooruit, en greep den ondeugd bij den kraag.

"Ha, schelm!" schreeuwde hij, "dat had-je niet gedacht, hé? Wacht,

vriend, ik zal je die grappen eens en voor altijd afleeren!"

"O, neen, neen," huilde de jongen, die niemand anders was dan Bruin

Boon, "ik heb het niet gedaan, echt niet!"

Nu, dat was waar. Bruin had echt niet meêgedaan, want hij durfde

niet. Doch toen de jongens zoo lang wegbleven, was hij langzaam

naderbij gekomen, om te kijken, of ze er nog waren. Maar ongelukkig

geloofde Flipsen er geen woord van, en in zijne kwaadheid legde

hij Bruin over de knie, en begon er met zijn stok geducht op los

te kloppen.

"Daar! daar! daar!" riep hij bij elken slag.

"Au, au, houd op! Au, au, ik heb het niet gedaan! O, o, au, au,

houd toch op!"

"Daar! daar!" riep Flipsen, wiens woede nog niet bekoeld was. Eindelijk

liet hij Bruin los, en riep:

"Probeer het nu nog eens, kwajongen, om me voor den gek te houden,

als je durft!"

"Au, au, o wat doet het zeer, en ik heb het niet eens gedaan!" huilde

Bruin, terwijl hij zich met beide handen op de pijnlijke plaatsen

wreef.

"Ja, dat begrijp je!"

"Neen, echt niet, gerust niet! O, wat doet het zeer!"

"Niet gedaan? Nu, wie dan? Zeg jij dan eens, wie het wèl gedaan

heeft. Gauw wat, of...."

"O, o, ik heb het niet gedaan. Dik Trom en de andere jongens deden het,

maar Dik het meest. Ik heb het gerust niet gedaan."

"Zoo, zoo, deed Dik Trom het? Nu, weet je, wat jij dan doen moet? Geef

dat pak slaag dan maar aan hem, en als je niet genoeg hebt, kun-je

nog meer krijgen, begrepen? En dien Dik zal ik het zelf ook nog wel

eens betaald zetten, beloof hem dat maar."

Nu, dat was niet noodig, want Dik had alles gehoord.

"Die lafaard!" zei hij tegen de andere jongens, die, toen de

veldwachter in huis gegaan was, weer uit hunne schuilhoeken te

voorschijn kwamen, "die lafaard!"

"Nu Dik, maar we hebben toch pleizier gehad, en Bruintje heeft zijne

straf al te pakken."

"Dat is zoo!" zei Dik. "Jongens, wat kreeg hij een zeldzaam pak

slaag. Maar nu gaan wij naar huis; ik denk, dat het al laat is."

Een oogenblik later was alles stil op het dorp.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

FLIPSEN WORDT NOG BOOZER.

Den volgenden morgen stapte Flipsen met zijn verkeerde been uit bed. De

man was meer dan knorrig; hij was kwaad, door en door kwaad. Zijne

vrouw zag het hem al aan, zoo gauw hij zijn neus buiten de bedgordijnen

stak en met een verstoord gelaat in de kamer rondkeek.

"O jé," dacht zij, "hij heeft de bokkepruik weer op. Ik zal me maar

doodstil houden."

"Vrouw, heb je ook heele kousen voor me?" vroeg hij gemelijk. "Gauw

een beetje, want ik heb haast. Door die verwenschte jongens heb ik

gisteravond mijn schrijfwerk niet half afgekregen, en aanstonds moet

de burgemeester het al hebben".

"Heele kousen, man, neen, die heb ik niet. Je begrijpt...."

"Niet? Moet ik dan met gaten in mijne kousen loopen? Ik heb je gisteren

toch gezegd, dat ze stuk waren? Of moet ik ze misschien zelf stoppen?"

"Neen, Flipsen, dat weet je wel beter, maar door dat leven van gisteren

tegen de ruiten...."

"Wat drommel, wat hebben die kwâjongens met mijne stukkende kousen

te maken? Je zeurt leelijk, hoor!"

"Zoo?" zei de vrouw, die nu ook boos werd, "en wat hebben dan die

kwâjongens met je schrijfwerk te maken, dat je ook niet afhebt? Je

hebt immers evenmin kunnen werken als ik?"

"Ja, dat is heel wat anders!" bromde Flipsen, uit zijn bed

stappende. Hij trok de kousen van den vorigen dag weer aan, stapte

met zijn rechterbeen in zijn linker-broekspijp, wat hem slecht beviel,

want zoo kon hij zijne broek niet anders dan achterste-voor aankrijgen,

en dat was zijne bedoeling niet,--wiesch en kleedde zich, en zette zich

aan tafel, om te ontbijten. Doch het ontbijt stond nog niet klaar,

want zijne vrouw had zich dadelijk aan het werk gezet, om hem nog

heele kousen te bezorgen, vóór hij de deur uitging.

Flipsen keek gramstorig rond, en zeide:

"Moet het brood nog gebakken worden, of zijn er geen bakkers meer in

het land?"

"Wou je je boterham hebben, Flipsen?" zei zijne vrouw opstaande,

om het noodige daarvoor uit de kast te halen.

"Wel neen, vrouw, ik kan best van den wind leven, net zoo goed ten

minste als jij."

Zijne vrouw koos de verstandigste partij, en zweeg. Flipsen

gebruikte zijn ontbijt zoo haastig mogelijk, en zette zich aan zijn

schrijfwerk. Doch nauwelijks was hij daarmede bezig, of er kwam

eene boodschap van den burgemeester, dat hij dadelijk op het kantoor

moest komen.

"Daar heb je 't nu al, met je getalm en je gezeur. Nu moet ik dadelijk

op het kantoor komen, en mijn werk is nog niet half af. Daar zal

weer wat voor me opzitten, hoewel dat jou zeker wel koud zal laten,

dat kan ik me best begrijpen."

"Maar, Flipsen," zeide zijne vrouw, "is het nu mijne schuld, dat jij

gisteravond je werk niet hebt kunnen afmaken? Neen, man, je weet zelf

wel beter! Maar weet je, wat je doen moet? Zeg maar ronduit tegen

den burgemeester, dat die jongens het je zóó lastig gemaakt hebben,

dat je onmogelijk hebt kunnen werken."

"Wel, nu nog mooier!" riep Flipsen schamper lachende uit. "Zoo onnoozel

heb ik het nog nooit gehoord! Dus ik, de veldwachter, zou aan den

burgemeester moeten vertellen, dat de jongens zóó weinig ontzag voor

me hebben, dat ze me in mijn eigen huis voor den gek komen houden? Ha,

ha, dommer kan het al niet. Neen, dat nooit! Ik zal ze die grappen

wel afleeren, en goed ook, geloof dat maar, en bij den burgemeester

moet ik er me maar doorslaan. Ik ga. Goeden morgen."

Eenige minuten later klopte hij aan de deur van 's burgemeesters

kamer. Hij had zijn schrijfwerk onder den arm.

"Binnen."

"Morgen, burgemeester."

"Goeden morgen. Heb je het schrijfwerk af? Laat eens zien."

"Ja, burgemeester, ziet u...."

"Heb je het niet af? Dan moet je geen "ja, burgemeester" zeggen. Hoe is

't? Heb je het af, of niet?"

"Ja, burgemeester, ziet u...."

"Ja?--Geef dan maar hier."

"Neen, burgemeester, af is het niet, ziet u. Ik...."

"En je zegt van wèl. Houd-je me dan voor den gek?"

"Volstrekt niet, burgemeester, maar...."

"Zeur nu maar niet langer, asjeblief. Dus je hebt het niet af?"

"Neen, burgemeester, af is het niet."

"Zoo, hoe komt dat? Je wist toch, dat er haast bij was?"

"Ja, burgemeester, maar ik ben bijna niet thuis geweest, want de

jongens worden tegenwoordig zoo brutaal, dat het meer dan erg is,

en daarom heb ik ze eens goed nagereden."

"Zoo," zei de burgemeester. "Dat is goed. Daar wilde ik je

juist eens over spreken. En wat hebben ze gisteravond dan zoo al

uitgevoerd? Vertel me dat eens haarfijn."

"Ja, burgemeester," zei Flipsen, die met zijne leugens in de klem

begon te raken, "ziet u...."

"Laat dat "ziet u" nu maar weg, asjeblief. Ik zie nog zeer goed,

dat beloof ik je. Ik zie nu zelfs duidelijk, dat je leelijk staat te

liegen, is 't zoo niet?"

"Ja, burgemeester, ziet u, ik bedoel.... dat.... weet u...."

"Zwijg nu maar verder, Flipsen. Ik merk het al. Je bent eenvoudig

te lui geweest, om te doen, wat ik je opgedragen had; je hebt

waarschijnlijk dood op je gemak hier of daar eene pijp zitten rooken,

en komt me nu met leugens aan boord, om je baantje weer schoon te

vegen. Is 't zoo niet?"

"Neen, burgemeester, waarlijk niet! De jongens..."

"O, dus je hebt toch de jongens achterna gezeten?"

"Jawel, burgemeester."

"Zoo.--Zeg me dan maar eens kort en goed, waar ze het meest geweest

zijn. Zonder omwegen, versta-je?"

"Eerst, burgemeester,--eerst zaten ze,--ziet u, hm, hm, ziet u,--in

den boom op de markt, en dat had ik ze al zoo dikwijls verboden,

dat, dat...."

"Zoo.--Eerst in den boom op de markt. En toen?"

"En toen.... en toen.... ziet u, toen later waren ze.... hm, hm,

later waren ze bij de kerk, burgemeester."

"O.--En wat deden ze daar?"

"Bij de kerk, burgemeester?"

"Ja, daar waren ze immers, zeg je?"

"Jawel, burgemeester. Daar deden ze, hm, hm, ziet u, daar deden

ze.... hm, hm, niets, burgemeester."

"Zoo, dat is een beetje.--En toen?"

"Toen zijn ze, hm, hm.... ik ben er verkouden van geworden, ziet u."

"Och kom,--en wat deden ze toen?"

"Toen zijn ze, ziet u, toen.... toen gingen ze naar huis."

"En welk kwaad hebben ze dus gedaan?"

"Eerst in de boom, ziet u, en later.... later niets meer."

"Zoo, zoo, Flipsen, je bent er daar leelijk ingeloopen, hoor, want ze

hebben wel degelijk kwaad gedaan, en niet zoo heel weinig ook. Maar

ik merk wel, dat jij er niets van weet, en dat je nog liegt op den

koop toe. Dat gaat me slecht naar den zin, vriendje, dat kan zoo

niet langer. 't Is een schandaal, zooals die kwade bengels hebben

huisgehouden, en daar jij het niet gemerkt hebt, zal ik een veldwachter

zien te krijgen, die wèl opmerkt, wat er voorvalt. 't Spijt me voor

jou, maar...."

"Ach, burgemeester," viel Flipsen plotseling in, daar hij begon te

vreezen, dat de burgemeester hem zijne betrekking zou ontnemen, "ach

burgemeester! neem me niet kwalijk, dat ik het u niet dadelijk gezegd

heb, maar waarlijk, ik weet maar al te wel, hoever de brutaliteit van

die bengels gaat, en als ik me er niet zoo voor schaamde, zou ik het

u wel dadelijk gezegd hebben."

"Wel, wel, is het zoo erg? Nu, vertel dan maar op, en zonder omwegen

of leugens, versta-je?"

"Jawel, burgemeester. Die rakkers ontzien zich zelfs niet, ons,

autoriteiten en gezaghebbers, tot mikpunten voor hunne aardigheden

te kiezen."

De burgemeester begon onbedaarlijk te lachen, zeer tot verbazing

van Flipsen.

"Zoo, wat hebben ze dan gedaan?"

"Wel burgemeester, ik zat pas te schrijven, of daar begonnen die

deugnieten bij me aan de ruiten te tikken, zonder ophouden, en zoo

brutaal mogelijk. En als ik buiten kwam, was er geen jongen meer te

zien. Dat heeft, tot mijne groote ergernis, den geheelen avond geduurd,

zoodat ik bijna uit mijn vel sprong, mijn schrijfwerk niet heb kunnen

afmaken, en ten slotte nog een onschuldige, die toevallig voorbijliep,

een geducht pak slaag heb gegeven."

"Ha-ha-ha-ha!" lachte de burgemeester. "Die grap is in elk geval niet

onaardig! En durfde je dat niet vertellen? 'k Vind het toch waarlijk

zoo erg niet, dat ze jou ook eens in 't ootje nemen, of beschouw jij

dat als majesteitsschennis?"

"Dat nu juist niet, burgemeester, maar dat ze zelfs bij autoriteiten

en gezaghe...."

"Och wat, vent, jij met je autoriteiten en gezaghebbers. Ik vind

de grap kostelijk, onbetaalbaar, dat moet ik zeggen, hoewel ik toch

dacht, dat jij er den schrik beter in hadt. Maar ik heb je nog wat

anders te vertellen. Er zijn klachten bij me ingekomen."

"Klachten, burgemeester?"

"Ja zeker, klachten, dat dacht je niet, hè? Eerst heb ik Geurs

bij me gehad, en die klaagde steen en been, dat de jongens zijn

boomgaard zoo plunderen. De man was door en door kwaad en vroeg, of

er geen veldwachter op het dorp was, om te zorgen, dat ieder in het

rustige bezit kon blijven van hetgeen zijn eigendom is. Hij wilde

eene aanklacht tegen je indienen wegens plichtsverzuim, en dat is

geen kleinigheid, Flipsen."

Flipsen vond dat ook, en daar hij er weinig tegen kon inbrengen,

begon hij zich verlegen achter het oor te krabben.

"En dan is Mulder ook nog hier geweest met dezelfde boodschap. Die was

ook al uit zijn humeur, en had heel wat noten op zijn zang. Dus je

begrijpt, dat er een einde aan moet komen. Dergelijke klachten zijn

voor mij zeer onaangenaam, vooral wanneer men ze voorkomen kan. Het

dorp is zoo groot niet, of je kunt er wel voor zorgen, dat de jongens

niet al te baldadig worden, begrepen? Dan moet je je maar wat meer

moeite getroosten. Als het niet anders kan, moet je maar eens een

van die knapen onder het raadhuis opsluiten, dan zal de schrik er

wel voor een geruimen tijd inzitten. Liefst een van de belhamels,

dat spreekt van zelf. Wie is de ergste?"

"De ergste, burgemeester? Dat is Dik Trom," zei de veldwachter,

die blijde was, dat hij er toch nog wat van kon zeggen. "Dat is een

door en door brutale jongen, die alles durft en de andere jongens

tot allerlei kattekwaad overhaalt, maar hij is haantje de voorste."

"Zoo? Ik vind dien Dik anders zoo onaardig niet, maar dat doet er

niet toe. Die kwaad doet, moet maar straf hebben, onverschillig wie

het is. Je kunt nu je schrijfwerk gaan afmaken, en zorg dan verder,

dat ik geene klachten meer ontvang. Maar daar valt me nog iets in:

als je er nu toch achterheen zit, let dan wat op mijn tuin ook,

want we hebben van morgen eenige perziken gemist, die gisteren nog

aan den boom hingen."

"Jawel, burgemeester."

Flipsen ging in een ander vertrek zijn schrijfwerk afmaken. Hij was

nu nog veel meer uit zijn humeur, dan toen hij opstond; dat standje

van den burgemeester had er geen goed aan gedaan.

"Die verwenschte jongens!" mompelde hij. "Wacht maar, dat zal me geen

tweemaal gebeuren. Snappen zal ik ze, al zou ik er drie nachten voor

moeten opblijven. En die Dik Trom zal spoediger onder het raadhuis

zitten, dan hij denkt. Dat beloof ik hem. Van avond zal ik me in alle

stilte in een van die boomgaarden verschuilen, en als dan de vos niet

in de val loopt, is mijn naam geen Flipsen. Daar kunnen ze op rekenen!"

DERTIENDE HOOFDSTUK.

BOONTJE KOMT OM ZIJN LOONTJE.

Toen het 's avonds donker geworden was, begaf Flipsen zich naar den

tuin van Geurs, en verborg zich daar achter eenig kreupelhout. Het

regende hard, doch daaraan stoorde hij zich niet.

"Die deugnieten zal ik snappen, al gaat het ook keisteenen regenen,"

mompelde hij, terwijl hij den kraag van zijne jas opsloeg.

Geduldig als eene kat, die op een muisje loert, bleef Flipsen drie

uren lang in zijne schuilplaats. Hij had toen geen drogen draad meer

aan het lijf. Daarom, en ook omdat de jongens nu wel niet meer zouden

komen, besloot hij, naar huis te gaan.

Den volgenden avond vatte hij post in den tuin van Mulder, doch ook

daar bereikte hij zijn doel niet.

Den derden avond verschool hij zich achter het huis van den

burgemeester,--maar hij moest weer onverrichter zake naar huis

terugkeeren.

De reden hiervan was, dat de jongens hun aanvoerder misten. Dik Trom

had zich al drie dagen lang niet in het dorp vertoond. Hij had er geen

lust in, want zijne moeder, die hij zoo innig liefhad, was ernstig

ziek. Zij had eene longontsteking. Lang zweefde zij tusschen leven

en dood. Zij leed vreeselijk. Dik verzorgde haar nacht en dag met

de teederste liefde. Hij ontzegde zich zelfs de noodige rust, om te

kunnen waken aan hare sponde. Hoe vreesde hij, dat hij zijne lieve

moeder zou verliezen. Hoe zorgvol waakte hij over haar, met welk een

angst bespiedde hij haar bleek gelaat, en met welk eene teederheid

sprak hij haar aan. Doch zij hoorde hem niet; zij kende haar kind niet

meer. Wat was het Dik bang om het hart! O, als hij haar eens moest

verliezen! Bij die gedachte welden hem telkens de tranen in de oogen,

en gaf zijn geprangde boezem zich lucht in een hevig snikken.

Doch dat vreeselijk lot trof hem niet; hij mocht zijne lieve moeder

behouden. Na negen bange dagen en nachten zei de dokter, dat het

gevaar geweken was.

"Dat heb je naast God aan je braven jongen te danken, moedertje," zei

hij tegen vrouw Trom, terwijl hij Dik op den schouder klopte. "Hij

heeft je onverbeterlijk opgepast en verzorgd. Maar nu moet hij zelf

wat rust nemen en morgen maar weer eens flink met zijne makkers gaan

spelen. Dat zal hem opfrisschen."

Toen de dokter vertrokken was, viel Dik zijn moedertje om den hals.

"O, Moeder, wat ben ik blij!" fluisterde hij aan haar oor.

Zijne moeder kuste hem.

"Je bent mijn lieve jongen," zei ze met zwakke stem, terwijl haar de

tranen in de oogen kwamen. "Als je vader straks thuis komt, moet je

naar bed gaan, mijn lieveling, anders word je misschien ook ziek."

Wat sliep Dik dien nacht heerlijk. In langen tijd had hij den nacht

niet zoo rustig doorgebracht. Toch was hij 's morgens al weer vroeg

bij de hand, want daar zijn vader naar de werkplaats moest, zou Moeder

anders zonder oppassing geweest zijn. Doch toen Vader 's avonds van

den arbeid teruggekeerd was, begaf Dik zich voor het eerst sedert de

ziekte van zijne moeder naar zijne kameraden.

"Wel Dik, hoe is het thuis?" vroeg Jan Vos.

"Gelukkig veel beter, maar Moeder is nog erg zwak, Jan."

"Ze is zwaar ziek geweest, niet waar?"

"Ja, ernstig ziek, maar zeg, jongens, we moesten nu eens een of ander

spelletje doen. Eigenlijk heb ik net een gevoel, of ik...."

"Of je ook ziek bent?" viel Jan Vos hem in de rede.

"Ha, ha!" lachte Piet van Dril, "Dik ziek? Dat kun-je aan zijn dikken

buik wel beter zien!"

"Hij heeft de eetkoorts!" riep Jan van Bakel.

"Neen, jongens," zei Dik, "ziek ben ik gelukkig niet, nooit geweest

zelfs, maar toch heb ik een gevoel, of ik...."

"Nu, of je...."

"Of ik wel een appeltje zou lusten."

"Ha-ha-ha!" lachten de anderen. "Die is goed! Zoo 'n gevoel heb ik

ook wel. Ik geloof, dat ik er zelfs wel twee zou lusten."

"Hé, dat is vreemd," lachte Dik. "Ik zou er ook wel twee lusten, als

ze bijzonder lekker waren. Zeg, jongens, zouden die bellefleurtjes

van Geurs al goed zijn? Verleden week waren ze nog een beetje wrang."

"Hoe weet jij dat, Dik?" vroeg Jan Vos lachend.

"Ben je bij Geurs op visite geweest?"

"Ja, en ik moet zeggen, dat ik er een prettig tijdje heb doorgebracht,"

zei Dik met een onnoozel gezicht.

"En was Geurs vriendelijk?" vroeg Jan van Bakel.

"Dat weet ik niet, Jan, ik heb Geurs zelf niet gezien, maar het beviel

me er toch zeer goed."

"Er was zeker niemand van de familie thuis, is 't wel?"

"Asjeblieft, ze waren allemaal thuis, maar dat hinderde niet."

"Zoo.--Ben je nog binnen geweest?"

"Neen, man, ik ben alleen maar in den boomgaard geweest. Eene andere

boodschap had ik er niet."

"En hebben ze er niets van gemerkt?"

"Dat denk ik wel, want ik heb er goed mijn best gedaan, dat verzeker

ik je, doch zoolang ik er was, heb ik niemand gezien. Ze bleven allen

binnen, wat ik heel vriendelijk van hen vond. Willen we er nog eens

heengaan, want ik heb wonder veel trek in zoo 'n bellefleurtje."

"Dat is goed; ik ga meê!" zei Jan Vos.

"Ik ook!" riep Piet van Dril.

"En jij, Jan?"

"Jongens, dat weet ik niet," zei Jan van Bakel met een bedenkelijk

gezicht. "Geurs is lang niet pluis, dat beloof ik je, en ik weet

zeker, dat hij tegenwoordig op de loer staat. Ik heb zelfs gehoord,

dat hij bij den burgemeester geweest is, om over ons te klagen."

"Och kom, Jan, laat je niet bang maken. Geurs zal ons gerust niet

opeten; wij zijn geen appelen. Nu, ga je meê, of durf je niet?"

"Niet durven? Je moet niet denken, dat ik bang ben, in 't geheel niet,

hoor, maar als je nu vooruit weet, dat ze staan te loeren, dan...."

"Och, kom, gebruik je verstand toch," riep Dik. "Denk je dan, dat die

man daar avond aan avond in den boomgaard staat? Hij zal wel wijzer

wezen. En bovendien, 't is geen diefstal. We nemen enkel maar een

paar appelen weg."

Dik verkeerde werkelijk in de dwaling, dat het ontvreemden van eenige

vruchten geen diefstal was. Hij zou het ver beneden zich geacht hebben

een gevonden halven cent, waarvan hij den eigenaar kende, voor zichzelf

te behouden, en een onrechtmatig verkregen knikker brandde hem in zijn

zak, maar hij zag er volstrekt geen kwaad in, zoo hier en daar, als

hij er trek in had, uit een boomgaard wat appelen of peren te kapen.

"Dik heeft gelijk," zei Jan Vos. "Kom, zeg, ga maar gerust meê. Je

bent in goed gezelschap, hoor."

"Nu, vooruit dan maar," zei Jan van Bakel.

Daar ging het viertal, de brug over en naar het schoolplein. Hier keken

ze eerst behoedzaam rond, om te zien, of er ook onraad was, staken

toen het plein over, en verdwenen in een elzenboschje. Dat liepen ze

dwars door, en nu waren ze nog alleen door eene sloot van den boomgaard

gescheiden, 't Was intusschen vrij donker geworden, en vooral daar,

onder de boomen, was het moeilijk, om voor zich uit te zien.

"Zeg, jongens, er is immers geen kou aan de lucht?" fluisterde Dik.

Uit het leven van Dik Trom · 第 4 / 8 段