werd. "Hoor je dat geschreeuw wel?"
Allen stonden stil en luisterden vol spanning.
Weer suisde er wat door de lucht.
"Oe-hoe! Oe-hoe!" klonk het boven hun hoofd.
"Dat is ze!" fluisterde Jan Vos. "Ze heeft zich in een uil
veranderd. St, houdt je stil!"
"Komt jongens, vooruit!" riep Dik. "Of durf je niet?--Ik wel!"
Dik stapte moedig vooruit, en toen de anderen dat zagen, schaamden
zij zich, om achter te blijven. Langzaam volgden zij hem, en weldra
zagen zij het hutje, waarin de oude heks woonde, voor zich. 't Stond
eenzaam aan een achterweg, tamelijk ver van het dorp. De jongens
vertraagden opnieuw hunne schreden en stonden eindelijk geheel stil,
terwijl ze bijna in elkanders zak kropen.
"Er brandt licht," fluisterde Barend Zwart. "Zou ze thuis wezen?"
"Oe-hoe! Oe-hoe! Oe-hoe!" klonk het plotseling boven hun hoofd,
en weer zagen zij een donker voorwerp door de lucht vliegen.
"Daar is ze weer!" fluisterde Jan Vos. "Wie durft nu te gaan kijken?"
Allen zwegen.
"Oe-hoe! Oe-hoe!"
"Hu, hoe akelig!" fluisterde Jan van Bakel, die eerst van plan geweest
was, om hard tegen de deur te schoppen.
"Ze kan je zoo maar in een vleermuis veranderen," fluisterde Jan Vos.
"Oe-hoe! Oe-hoe!" klonk het nogmaals, en het was, of het geluid uit
den ouden schoorsteen van het hutje kwam.
"Komt jongens," zei Dik, "we moeten kiezen of deelen. Wie gaat er meê?"
"Ik niet!" zei de een.
"Ik dank je!" fluisterde een ander.
"Dan ga ik alleen!" zei Dik vastberaden.
Doodsbleek, maar zonder aarzelen, stapte hij op het hutje aan.
"Oe-hoe! Oe-hoe!" vernam hij weer.
Toch liep hij voort, tot hij op weinige schreden na het raam bereikt
had. Hij tuurde door de kleine ruitjes, maar was nog te ver af,
om daarbinnen iets te kunnen onderscheiden.
"Neen," mompelde hij, "zoo gaat het niet. Ik zal er vlak voor gaan
staan. Ik moet weten, wat er gebeurt."
Op de teenen sloop hij, terwijl de anderen hem vol angst, maar tevens
met bewondering nakeken, naar het raam, en gluurde naar binnen.
"Oe-hoe! Oe-hoe!" klonk het boven hem, doch hij stoorde zich daar
niet aan. Ha, nu kon hij goed zien! Daar zat de heks, dat leelijke
wijf, maar--daar achter in het vertrek, wat was dat? Die hoop vodden
moet toch geen bed verbeelden? Ja toch, er ligt zoowaar een mensch
op! Vreeselijk, wat een levend geraamte! Zie, nu richt de gestalte
zich op, en beweegt de lippen. Dik legt zijn oor tegen het raam. Hij
wil hooren, wat er gesproken wordt.
"Kee, goede Kee, ach, wat voel ik me ziek!" hoort hij met zwakke
stem zeggen.
De heks richt zich op, en gaat naar het bed.
"Kom Willem, moed houden, m'n goede Willem, als de nood het hoogst is,
is Gods hulp het meest nabij. Wil je nog eens drinken?"
"Neen, neen, maar ik voel me zoo flauw, zoo wee, en toch, dat harde
roggebrood kan ik niet eten. Had ik maar een kopje melk, Kee."
Dik ziet, hoe de heks haar gelaat met beide handen bedekt, en in
tranen uitbarst.
"Niet huilen, Kee, niet huilen, lieve vrouw. Ik weet wel, dat we het
niet hebben, dat we te arm zijn. Maar ik voel me zoo ziek, zoo zwak."
"Och, Willem, wat is het toch hard, dat ik niets voor je heb," snikt
de heks. "Maar de menschen willen me niet meer borgen en schreeuwen
me na, dat ik eene heks ben. O, Willem, dat we ook zoo arm zijn! Al
in twee dagen heb ik geen kruimel brood geproefd, om de laatste korst
maar voor jou te kunnen bewaren. Toe Willem, toe, beproef het nog
maar eens. Misschien lust je het wel."
De heks veegt zich de tranen van het gerimpeld gelaat, en gaat
naar eene kast in den hoek van het vertrek. Ze neemt er eene korst
droog roggebrood uit, weekt die in water en geeft haar aan den
zieke. Tevergeefs beproeft deze, het onsmakelijke brood te nuttigen;
hij is te zwak om het te kauwen; het wil hem niet door de keel.
"Toe Kee, eet jij het maar op, toe. Je moet ook wat eten, Kee, anders
val je er nog bij neer."
Kee neemt een paar kleine beten, en zet het overschot dan weer in de
kast, terwijl de tranen haar opnieuw langs de wangen vloeien. Dan vouwt
ze plotseling de handen en slaat de betraande oogen naar boven. De
heks bidt. Ze vraagt God om hulp voor haar ouden, zieken man, want
de nood heeft het toppunt bereikt.
"Kee, kom, ga ook maar te bed," zegt de zieke met zwakke stem. "Och
Kee, dat de goede God ons dezen nacht maar weghaalde, jou en mij
te zamen, Kee. Wat zou dat gelukkig wezen. Samen hebben we geleefd,
samen gewerkt, samen lief en leed gedeeld, och, dat we nu ook maar
samen mochten sterven...."
Dik verliet het raam. Hij had genoeg gezien, en de tranen liepen
hem langs de bolle wangen. "O, welk een droevig lot hebben die oude
menschen," dacht hij. "Maar waar zijn de jongens gebleven?" Hij zag
ze nergens; toen hij naar het raam sloop, hadden zij het hazenpad
gekozen, en wellicht zaten ze nu al hoog en droog thuis. Een goed
kwartier later was ook Dik weer bij zijne ouders.
"Moeder, kan u niet wat wittebrood missen?"
"Waarvoor, m'n jongen?"
Dik vertelde alles, wat hij gezien had, en toen zijn verhaal uit was,
stond zijne moeder met tranen in de oogen op, en ging naar de kast.
Trom zat aan zijne bakkebaardjes te trekken.
Griet nam eene mand, en vulde die met van alles en nog wat: met brood,
een stuk worst, een lestje aardappelen en bloemkool, een hompje zoete
kaas, een fleschje met melk en nog meer kleinigheden.
"Dik, kun-je dit dragen?" vroeg ze.
"Best, Moeder, geef maar hier."
"Griet," zei Jan Trom, "zie je, ik wil maar zeggen en dat wil ik,
dat we nog wel twee kwartjes ook kunnen missen,--dat doen we."
"Ja Jan, dat is goed. Hier Dik, niet verliezen, hoor."
"Neen, Moeder."
Dik ging met zijn vrachtje weer op weg naar de heks, en toen hij goed
en wel buiten was, zeide Jan Trom:
"Griet, die Dik is toch een bijzonder kind,--dat is-ie."
Dik liep zoo hard hij kon. Het was een donkere avond, de regen
sloeg hem in het gezicht, maar Dik stoorde zich aan regen noch
duisternis. Hij sloeg den modderigen Achterweg in, en bereikte voor de
tweede maal het hutje. Nog brandde het lampje, dus de heks was nog op.
"De heks? Neen, de arme ziel zal niemand leed doen," dacht Dik. "'t
Is een goede, oude vrouw."
Hij lichtte de deurklink op, en stapte naar binnen. "Hier," zei hij,
"Moeder stuurt wat voor den zieken man en voor u."
"O, ben jij daar, Dik? Kom, dat is braaf van je, m'n jongen. We hadden
bijna geen kruimel meer in huis. Wel bedankt, mijn lieve jongen,
wel bedankt. Zie eens, Willem, God heeft ons nog niet verlaten. Nu
kun-je wat versterkends krijgen, m'n arme tobberd."
"En jij ook, Kee," zegt de oude man. "Zul-je wel vriendelijk voor
ons bedanken, beste jongen?"
"Dat is niet noodig," zeide Dik. "Hier heb ik nog twee kwartjes;
daarvoor kun-je eieren koopen. Goeden avond."
Dik nam de mand, en was de deur weer uit, vóór de oude menschen er
erg in hadden; zij vouwden de handen en dankten God.
Dik keerde naar het dorp terug, en liep eerst bij den molenaar aan,
om hem alles te vertellen.
"Zoo, zoo, Dik," zei deze, "dat is erg. Gelukkig, dat ik armvoogd ben;
ik zal wel zorgen, dat die menschen geholpen worden."
Dik ging naar huis en naar bed, waar hij spoedig in slaap viel. En
de beide oudjes in het hutje droomden, dat er een engel in huis
geweest was, die aan hunne armoede en hun kommer voor goed een einde
had gemaakt.
TIENDE HOOFDSTUK.
EEN EERZAME WEDUWE EN EEN ZELDZAME EZEL.
Het was een geluk voor Dik, dat niet iedereen zoo weinig ophad
met de schooljuffrouw als hij, want dan zou hij stellig nooit iets
geleerd hebben, en altijd een dikke domoor gebleven zijn. Er waren
gelukkig ook menschen, die van haar hielden, en het meest deed dit
de gemeente-ontvanger, een zeer lange, magere man. Deze vond haar
zóó lief, dat hij zich met haar verloofde en weldra met haar in het
huwelijk trad. Dik's blijdschap over deze gebeurtenis was zoo groot,
dat de juffrouw zelve ten slotte dacht: "Dik is toch nog zoo kwaad
niet; hij is wel een hartelijke jongen." Maar had de juffrouw geweten,
dat Dik zich meer verheugde in het vooruitzicht, dat hij van haar
ontslagen zou worden, dan wel over het blijde feest, dat zij ging
vieren, dan zou haar oordeel over Dik een weinig minder vleiënd
zijn geweest.
Hare opvolgster was een klein dametje met een vroolijk en prettig
gezicht, dat alle kinderen aantrok, en wat Dik nog het meest beviel,
was hare buitengewone dikte. Met deze stal zij al dadelijk zijn hart,
terwijl zij van haar kant zich ook tot den kleinen dikzak voelde
aangetrokken. Zoodra ze hem zag, ging ze naar hem toe, en zei ze met
haar heldere stem en haar vroolijken lach:
"Ha, ha, daar zie ik een kleinen lotgenoot. Wel dikkerd, hoe heet jij?"
"Dik, juffrouw."
"Dik? Zoo, dat is een eigenaardige naam. Kom, geef mij de hand eens. Ik
geloof, dat wij wel gauw dikke vrienden zullen worden."
En zoo gebeurde het ook. Dik begon al spoedig dolveel van de juffrouw
te houden, en het gevolg daarvan was, dat hij beter zijn best ging
doen en hard begon te leeren.
Met Bruin Boon lag hij nog altijd overhoop. Hij had een geduchten hekel
aan hem, en als hij hem te pakken kon nemen, zou hij het niet laten.
Op zekeren dag begaf Dik zich na schooltijd naar de markt, om
zijne speelmakkers te zoeken, toen hij Anneke huilend op den weg zag
staan. Een eindje verder stond Bruin Boon aan den kant van het kanaal
te hengelen.
"Wat scheelt er aan, Anneke?" vroeg Dik.
"Bruin heeft mijn appel afgenomen, en nu staat hij hem op te eten,"
snikte Anneke.
Dik liep zonder spreken op zijn vijand aan. Hij had ook nog een ander
appeltje met hem te schillen, want Bruin had hem 's middags eenige
knikkers ontkaapt en er zich snel mee uit de voeten gemaakt. Zoodra
Dik bij hem was, gaf hij hem een duw, dat hij voorover in het water
plompte, kopje-onder.
"Hè, hè, pfff," snikte Bruin hijgend. "Help, help!"
"Schreeuw maar zoo leelijk niet, bruine boon," zei Dik, die hem
den hengelstok toestak. "Daar, houd vast, dan zal ik je er weer
uittrekken. Één, twee, drie, hoepla!"
Daar stond Bruin, druipnat. Hij schreeuwde erbarmelijk.
"Hier, dief, neem je hengel, en ga het maar gauw aan je moeder
vertellen. Als ze me spreken wil, kan ze me op de markt vinden."
Dik draaide zich om en ging heen, en Bruin liep huilend naar huis,
waar hij dadelijk zijn nood begon te klagen.
Het duurde niet heel lang, of Dik, die met de andere jongens
haasje-over deed, zag Bruin's moeder aankomen.
"Dik, daar komt vrouw Boon! Maak, dat je wegkomt!"
"Stilletjes laten komen, jongens, ik ben er ook," zei Dik bedaard.
Daar kwam vrouw Boon aan, zoo groot en zoo plomp als ze was. Ze
zwaaide met hare armen en nam stappen als een dragonder, 't Was een
leelijk, grof mensch, met een grooten mond, brutale oogen en een dikken
stompneus, die paars-blauw zag van de vele brandewijntjes, welke zij
in haar leven al had geslikt. Ze was weduwe; haar man was vijf jaar
geleden gestorven, waarschijnlijk van verdriet, want de brave man had
sedert zijn huwelijk geen gelukkigen dag meer gehad. Bruin's moeder
stond op het geheele dorp te slechter naam en faam bekend; ieder
fatsoenlijk mensch schuwde en vermeed haar. Dik stak zijne handen
in zijne zakken, en wachtte bedaard af, wat er volgen zou. Daar had
de eerzame weduwe hem bereikt. Zij hield hem de gebalde vuist vlak
voor het gezicht, en schreeuwde, terwijl ze van haar mond bijna een
hooischuur maakte:
"Kwade bengel van een jongen, durf jij mijn Bruin in het water te
gooien? Je kunt het arme kind nooit met rust laten, het schaap, hij
doet jou toch immers ook niets? Leelijke, brutale deugniet, wat denk
je wel? Geloof je soms, dat iedereen naar jouw pijpen moet dansen,
zeg, en dat je maar doen moogt, wat je wilt? Raak hem nog eens aan,
als je durft, dan zal ik je de oogen uit je hoofd krabben, versta-je
dat, uilskuiken opgeblazen luchtbol?"
Dik knikte zeer vriendelijk van ja; hij vermaakte zich kostelijk.
"Raak hem nog eens met een vinger aan, als je het hart hebt, en dan
zul-je met mij te doen krijgen, versta-je, met mij, en dan verzeker
ik je, dat je van eene koude kermis zult thuiskomen. Wat verbeeld jij
je wel? Denk je soms, dat iedereen bang is voor je galgentronie? Ik
niet, dat beloof ik je. Je loopt voor schandaal langs den weg! Je
vader en je moeder zullen nog pleizier van je beleven, let op, wat
ik je zeg! In 't spinhuis wachten ze je al, of op 't oorlogsschip,
jou straatslender, gauwdief, galgenaas....!"
Ze stikte bijna van woede, en zeker zouden nog tal van lieve woordjes
haar lieven mond ontgleden zijn, indien Dik niet met groote waardigheid
haar gewenkt had te zwijgen. Doodkalm en deftig zeide hij:
"Vrouw Boon, een oogenblikje asjeblieft."
Even kalm en bedaard draaide hij zich om, legde beide handen op een
paal, nam een sprong, en wipte er op.
Toen wees hij met vriendelijk gebaar naar een anderen paal, en zei:
"Zie zoo, ga nu maar door, asjeblieft; wilt u liever ook niet gaan
zitten? Geneer u niet."
Een algemeen gelach overtuigde vrouw Boon, dat zij de eenige was,
die Dik niet aardig vond. Zoo verwonderd als ze eerst geweest was
over Diks plechtig gebaar en indrukwekkende kalmte, zoo woedend werd
ze nu, vooral toen eenige omstanders, die nieuwsgierig waren komen
toeloopen, riepen:
"Ga maar naar huis, vrouw Boon, die jongen is je toch de baas!"
"Je moest gaan zitten, vrouw Boon, het aanbod is te vriendelijk,
om het af te wijzen."
"Willen we je helpen, vrouw Boon?"
Die spotternij was te veel. Met tien scherpe nagels liep ze op Dik toe,
vast van plan, om hem zoo te tatoueeren, dat een Papoea er jaloersch
op kon zijn, maar in hare drift stapte ze in een greppel, die ze niet
gezien had, en viel met haar hoofd zoo hard tegen den paal van Dik,
dat het bonsde.
Een schaterend gelach was haar troost. Ze koos nu echter de
verstandigste partij, stond op en ging naar huis, doch--met een neus,
die tweemaal zoo groot was, als toen ze kwam.
"Ha, ha, neem maar een brandewijntje voor den schrik!" riep het volk
haar na, en ging lachend uiteen.
Dat de jongens pret hadden, is licht te begrijpen, en dat Dik de
held van den dag was, spreekt ook van zelf. Ze bleven nog eenigen
tijd spelen, tot Jan van Bakel plotseling zeide:
"Zou Bertels al thuis zijn? Dik moet op den ezel!"
"Misschien wel. Komt jongens, laten we gaan kijken!"
Bertels was een manufacturier, en iemand, die er uitstekend slag
van had, met jongens om te gaan. Doch dat was de eenige reden niet,
waarom zij elken avond zoo graag naar hem toegingen. De grootste
aantrekkingskracht van den vroolijken koopman schuilde in den ezel,
die hem en zijn wagen elken morgen het dorp uit trok, als hij zijne
waren aan de boerinnetjes ging verkoopen, en hem 's avonds onder
vroolijk gebalk thuisbracht. Van dien ezel hielden de jongens nog meer
dan van zijn baas. En geen wonder. 't Was een alleraardigst dier, dat
hard kon loopen niet alleen, maar het deed ook. Nooit liep hij echter
harder, dan wanneer hij 's avonds naar het land ging. Dan was hij in
den letterlijken zin van het woord niet te houden. Nauwelijks waren
de strengen losgemaakt en de tuigen afgenomen, of hij stak den kop
naar omlaag en zijn staart als een vlaggestok in de hoogte, en rende,
zonder op of om te zien, alles omverwerpende wat niet tijdig uitweek,
als een dolle naar het land, terwijl hij dien woesten galop opluisterde
door een vervaarlijk gebalk, dat over het geheele dorp weergalmde. Als
hij het land bereikt had, bleef hij bedaard voor het hek staan wachten,
tot zijn baas hem ingehaald had en hem in de weide hielp.
Nu kenden de dorpsjongens bijna geen grooter genoegen, dan dien ezel
's avonds naar het land te brengen, en gewoonlijk stonden zij dan
ook Bertels op te wachten, als hij thuiskwam.
Bertels had er evenveel pret in als de jongens, en hij niet alleen,
maar ook ieder, die den ezel zag gaan, want allen wisten, dat het
nog aan niemand gelukt was, tot aan het land toe op den ezel te
blijven zitten. De weide lag aan de overzijde van het kanaal, op tien
minuten afstands van het huis van Bertels. Tot aan de brug ging het
gewoonlijk goed, maar daar vloog het het dier zoo woest met een korten
draai op, dat zijn berijder meestal zandruiter werd. Gebeurde dat
evenwel niet, dan bleef grauwtje midden op de brug plotseling staan,
zette de voorpooten vooruit, stak zijn kop er tusschen, wierp zijne
achterpooten in de hoogte en zijn berijder netjes over zich heen,
om daarna in galop zijn weg te vervolgen.
Dat was nu al verscheidene malen gebeurd, en nog niemand was het
gelukt om den weerbarstigen ezel te temmen. Dik had iederen keer
zijne kameraden uitgelachen en hun gezegd, dat ze stumpers waren,
die maar liever op een hobbelpaard moesten rijden.
"Ha, ha," lachten de jongens. "Wat heeft die Dik een praats. Omdat
hij 's avonds de paarden van den molenaar naar het land brengt,
denkt hij zeker, dat hij beter kan rijden dan wij. Maar het is een
groot verschil, of je een paard naar het land brengt of dien wilden
ezel. Geloof maar gerust, dat je er evenmin op kunt blijven zitten
als wij. Ik wed, dat je niet eens durft!"
"Niet durven!" riep Dik. "Ik durf bijna alles, en ik wil wedden,
dat hij mij er niet afgooit."
"Ja, dat begrijp je. Als hij zijn kop naar beneden en zijne
achterpooten in de hoogte werpt, is het onmogelijk, om er op te
blijven. Je tuimelt er netjes voorover af."
"Wedden, dat ik er op blijf?" riep Dik.
"Goed. We willen er jou ook wel eens af zien tuimelen."
Pas hadden de jongens het huis van Bertels bereikt, of daar kwam hij
al aan.
"Dag Bertels!" riepen ze hem toe.
"Zoo jongens, kom-je weer eens een arm of een been breken? Dat doet
me pleizier. Wie moet er van avond op?"
"Dik moet er op, Bertels. Hij zegt, dat de ezel hem er niet af kan
krijgen. Ha, ha, wat zullen wij lachen, aanstonds op de brug!"
"Wat Dik, moet jij er op, jongen? Zou jij niet te zwaar wezen? Pas
maar op, dat je niet door hem heenzakt, want dan kom je op den harden
grond terecht."
"Dat is niet eens noodig, Bertels, daar zal hij toch wel op terecht
komen!" riepen de jongens. "Houdt den ezel vast, hoor, anders ontsnapt
hij, en dan kunnen we Dik niet zien rollen."
Bertels wierp de tuigen in de kar. De ezel werd al onrustig, maar de
jongens hielden hem goed vast.
"Nu, Dik, bedenk je je niet?" vroeg Bertels. "Ik waarschuw je, dat
hij niet pluis is, hoor."
"Dat ben ik ook niet, Bertels. Wil u me even een beentje geven?"
"Jawel. Moet je er maar overheen?" vroeg hij lachend. "Of je nu valt
of aanstonds, dat komt op hetzelfde neer."
"'t Liefst er op, Bertels. Asjeblieft!"
"Jongen, dat is je verkeerde been!"
"Neen, het goede. Toe maar!"
"Het goede?" vroeg Bertels, schaterend van 't lachen. "Dan kom je er
achterste-voor op. Maar 't is mij goed.--Hoepla!"
Wip! Daar zat Dik, maar met zijn rug naar den kop van den ezel. Zoodra
het beest voelde, dat er iemand op hem zat, stak hij zijn staart in
de hoogte, zoodat Dik dien grijpen kon, hield zijn kop naar omlaag,
en....--
"Los maar!" riep Bertels.
Daar vloog het er op los. De ezel, die wel merkte, dat het niet
geheel in den haak was op zijn rug, maakte allerlei malle sprongen,
en balkte en liep nog harder dan gewoonlijk. Jongens, wat ging er
dat door! Het schemerde Dik voor de oogen, maar hij hield zich goed;
hij had niet voor niets zoo dikwijls te paard gezeten. Hij sloeg
zooals hij daar zat, een allergekst figuur, en de voorbijgangers,
die zich haastig uit de voeten maakten, schaterden het uit, maar dat
was Dik onverschillig. Evenmin stoorde hij zich aan de sprongen van
zijn viervoet, die alles in het werk stelde, om zich van zijn berijder
te ontdoen. Dik bleef bedaard zitten, waar hij zat.
Nu naderde hij de brug, en zoowel hij als de ezel waren vast besloten,
hun uiterste best te doen. Grauwtje liep in vliedenden galop rechtuit
tot bij de brug, en sloeg toen plotseling rechtsom, in de vaste
meening, dat hij zijn vrachtje dan wel kwijt zou raken. Doch het
was mis. Veel scheelde het wel niet, of Dikje was er af geslingerd,
maar hij bleef toch zitten. Voort ging het weer, zoo hard het maar
kon, tot midden op de brug de ezel plotseling zijn vaart stuitte,
zijn voorpooten vooruitstak, en zijne achterpooten in de hoogte
wierp. Hij deed het met zoo'n vaart, dat het weinig scheelde, of hij
buitelde zelf over den kop. Dik drukte zijne knieën krachtig tegen den
ezel aan, en hield met beide handen den staart vast, zoodat, wat nog
nooit gebeurd was, de ezel in vliegenden galop zijn weg vervolgde,
zonder zijn berijder afgeworpen te hebben. Dikje had het gewonnen,
en toen hij de jongens aan den overkant van het kanaal zag, zwaaide
hij vroolijk met zijn hoed, en riep uit alle macht:
"Hoera! Hoera!"
Van dat oogenblik af erkenden zijne kameraden hem stilzwijgend als
hun meerdere.
ELFDE HOOFDSTUK.
HOE DIK KWAAD DEED, EN BRUIN ER EEN PAK SLAAG VOOR KREEG.
Op een herfstavond was Dik, die toen ongeveer twaalf jaar oud zal
geweest zijn, met zijne makkers op de markt aan het spelen, tot het
donker werd.
"Jongens," riep Bruin Boon, die ook meêdeed, "willen we vrouw van
Aken eens voor den gek gaan houden?"
"Ja, ja, dat is goed," klonk het van alle kanten. "We zullen de deur
opengooien, dan komt ze weer naar buiten met den bezem. Zeg, Dik,
daar had je verleden week bij moeten zijn! Jongen, jongen, wat was
ze kwaad!"
"Of ze!" riep Bruin. "Op 't laatst kwam ze met de tang. Ik dacht,
dat ik me ziek zou lachen. Komt jongens, ga-je meê?"
"Ja, vooruit.--Kom Dik, ga jij niet meê?"
"Ik niet," zei Dik. "Ik dank je."
"Wat, ga jij niet meê? Durf je soms niet?" riepen zijne kameraden.
Dik begon te lachen.
"Niet durven!" zei hij. "'t Is ook nog al eene heldendaad, om zoo
'n oude vrouw kwaad te maken, vooral als je vooruit weet, dat ze je
toch niet krijgen kan. Dank je, die grap is me te gewaagd."
"Nu, wat zou jij dan willen?"
"Wat ik wil? In elk geval, zoo 'n flauwe aardigheid niet. Neen, ik weet
wat beters. Wie kan me eene speld en een klos zwart garen brengen?"
"Ik wel!" riep Jan Vos, en hij voegde de daad bij het woord. Een
oogenblik later was Dik al in het bezit van hetgeen hij gevraagd had.
"En wat wil je nu doen, Dik?" vroeg hij.
"Wel jongens, dat zal ik je zeggen. Die speld steken we bij den een of
den ander tegen een vensterruit in de stopverf, en den draad garen,
met een steentje er aan, binden we er aan vast. We winden den draad
zoover af, als we willen, en gaan er dan aan trekken. Jongens, dat
is zoo aardig, want dan tikt het steentje telkens tegen het glas aan,
en dan komen de menschen naar buiten, om te kijken, of er volk is."
"Ha, ja, die is mooi! Bij wien zullen we het doen?"
"Bij vrouw van Aken!" riep Bruin.
"Dank je!" zei Dik. "Weet je, bij wien? Bij den veldwachter. Dan
hebben we er eer van. Dat is in elk geval geen oude vrouw."
"Maar dan ga ik niet meê," zei Bruin.
"Dat dacht ik wel!" riep Dik. "Jij plaagt liever oude menschen, niet
waar? Ga jij maar naar huis, Boontje, jij hoort er ook eigenlijk niet
bij.--Komt, wie gaat er meê?"
Dik ging vooruit, en alle jongens, behalve Bruin, volgden hem. Weldra
waren zij, waar zij wezen moesten. Ze hielden zich doodstil, want
voor den veldwachter hadden zij niet weinig ontzag. Hij was dan ook
lang geen gemakkelijk heer. Kruipend voor zijn meerderen, was hij ruw
tegen zijne minderen. In plaats van de menschen te waarschuwen tegen
overtredingen, die zij uit onkunde of onnadenkendheid zouden begaan,
spitste hij zich er op, om iemand te kunnen bekeuren. En door zijn
leedvermaak, als hij daarin geslaagd was, had hij zich de minachting
van zijn dorpsgenooten op den hals gehaald.
"Nu vooral doodstil zijn, hoor!" fluisterde Dik. Hij bond den draad
met het steentje aan de speld vast, en sloop onhoorbaar zacht den
tuin in. Er brandde al licht binnen, dus vandaar kon men hem niet
zien. Hij naderde het raam, en stak de speld, zonder gedruisch,
stevig in de stopverf. Toen rolde hij den draad af, en keerde even
zacht weer naar zijne kameraden terug.
"Zeg jongens, nu moet je allen op een flinken afstand gaan staan,
zoodat je dadelijk de vlucht kunt nemen, als de veldwachter buiten
komt. Wanneer hij je dan hoort loopen, denkt hij natuurlijk, dat
een van jelui de dader is. Op die manier heeft hij in mij geen erg,
en jelui kan hij toch niet krijgen. Wat zal hij dan kwaad worden!"
"Goed, uitstekend! Maar waar blijf jij dan, Dik?"
"Ja, dat is het mooiste van de grap, jongens. Ik blijf doodbedaard
in zijn eigen tuin tusschen de aalbesseboomen zitten, en zoo gauw
hij weer binnen is, begin ik opnieuw te trekken. Vooruit nu!"