wat snit en kleur betrof, precies op al de voorgaande geleek. Daarna
sneed Moeder hem zulk een dikke boterham, dat het scheen, of ze
bang was, dat Dik anders doodgehongerd weer thuis zou komen. Om het
feestelijke van de gelegenheid legde ze er zelfs plakken snijkoek
op. Dik vond het heerlijk, en viel er met moed op aan. Nu was hij niet
zoo gauw bang voor een boterhammetje, maar deze was toch zoo groot,
dat hij bijna geen raad met haar wist. Doch de aanhouder wint, dat
ondervond hij ook, en eindelijk kwam hij er mede klaar.
"Lust je nog een stukje brood, Dik?"
"Met koek?" vroeg deze.
"Jawel, een stukje koek mag je óók nog wel hebben."
"Dan nog twee boterhammen, moeder," zeide Dik.
"Wat? Nog twee?"
"Ja, moeder."
Dik kreeg, wat hij vroeg, maar in het brood had hij geen trek meer;
het was hem alleen maar om de koek te doen. Die at hij er dus netjes
af, en toen stak hij de boterhammen in zijn zak.
Te kwart voor negen bracht Moeder hem naar het schoolplein, waar de
hoofdonderwijzer zijne nieuwe leerlingen stond op te wachten. Toen
moeder vertrokken was, nam de meester Dik en de andere nieuwelingen
mede naar een lokaal, waar eene buitengewoon lange, magere juffrouw
onderwijzeres was. Ze zag er niet vriendelijk uit, en ze was zoo
bleek en schraal, dat Dik haar, al stond ze hem niet aan, met innig
medelijden aanstaarde. Hij voelde zich vrij wel op zijn gemak, en
was bijzonder goed gemutst. Dat was hij trouwens onder alle mogelijke
omstandigheden des levens, behalve wanneer hij honger had. De juffrouw
zette de kleintjes twee aan twee op eene bank, en liep de klasse eens
door, om een praatje met hen te maken. Weldra kwam ze ook bij Dik, die
haar, hoe meer zij naderde, met des te grooter medelijden beschouwde.
"Wel, jongetje, hoe heet jij?" vroeg ze op korten, doch niet
onvriendelijken toon.
"Dik."
"Dik? Ja, mannetje, dat ben je, maar ik vraag, hoe je heet."
Dik gaf geen antwoord, want hij had het al eenmaal gezegd, en dat
vond hij genoeg.
"Kom, ventje, je kent toch je eigen naam wel? Hoe heet je?"
Gedreven door een gevoel van medelijden zei hij nog eens: "Dik."
"Jawel, jongetje, dat ben je, maar ik wil weten, hoe je heet! Hoe is
je naam?" riep de juffrouw eenigszins ongeduldig.
Diks medelijden werd hoe langer hoe grooter, want hij meende duidelijk
te hooren, dat de juffrouw boos werd, en omdat hij zelf nooit boos
was, dan als hij honger had, begon hij te gelooven, dat ze niet genoeg
gegeten had, in welke meening haar uiterlijk hem wel moest versterken.
"Nu jongen, kun je niet meer spreken? Hoe heet je?" De juffrouw was nu
werkelijk een beetje driftig geworden, en daardoor klonk haar toon zoo
scherp, dat Dik niet langer twijfelde, of ze had grooten honger. Op
eenmaal schoot hem te binnen, dat hij nog twee boterhammen in zijn
broekzak had. Met een tevreden gelaat haalde hij ze voor den dag,
en stak ze de juffrouw toe.
"Daar!" zei hij. "Eet ze maar op, dan zal het wel beter worden!"
Alle kinderen begonnen te lachen, en de juffrouw deed dapper mee.
"Dank-je wel, ventje. Je bent zeer vriendelijk. Och Jan Vos, kom
eens hier, om dat brood op het schoolplein te brengen. Dan kunnen de
vogeltjes het opeten."
Jan Vos kwam, maar het brood kreeg hij niet, want Dik hield er veel
te veel van, om het zoo maar te laten weggooien. Hij nam er dus een
paar flinke happen van, en stak de rest weer in zijne zakken. Nu had
de juffrouw volstrekt geen lust om het er zelf uit te halen, en daar
Dik even weinig lust had, om het vrijwillig over te geven, besloot ze,
den dikken lummel vooreerst maar aan zijn lot over te laten. Van de
andere kinderen kwam ze te weten, dat hij eigenlijk Dirk Trom heette,
maar gewoonlijk Dik genoemd werd. Ze gaf elk kind eene lei en eene
griffel, om wat te teekenen, en ging toen naar de andere klasse, om
daar te laten lezen. 't Was zeer stil in de school. De nieuwelingen
zaten met een verlegen gezicht rond te kijken, of zoo mooi zij konden,
links en rechts strepen te trekken.
Ook Dik weerde zich dapper. Hij drukte zijne griffel op de lei,
alsof hij daar een gaatje in wilde duwen, en maakte zulk een gekras,
dat de juffrouw rillingen over de magere leden kreeg.
"Jongetje, niet zoo krassen. Ik word er bijna ziek van."
Doch Dik knarste maar door. Hij bemerkte in het geheel niet, dat de
juffrouw het tegen hem had, en bovendien vermaakte hij zich kostelijk.
"Knars!" ging het weer.
"O foei, wat een jongen!" riep de juffrouw. "Dik Trom, kom eens hier."
Dik deed zijn mond dicht, want die stond altijd open, als hij zich
in de eene of andere bezigheid verdiepte, en keek de juffrouw aan
met een paar oogen, waarin te lezen stond: "Wat is er nu weer?"
"Dik Trom, ik zeg, dat je eens hier moet komen!"
Dik legde zijne handen boven op de boterhammen, wierp zijne kromme
beentjes over de bank, en stapte naar de juffrouw, die voor de
klasse stond.
"Dik, je moet gehoorzaam zijn. Alle kinderen hier op school zijn
dat. Als ik je dus iets verbied, moet je het dadelijk laten."
"Zoo," zei Dik.
"Wat zeg je?" vroeg de juffrouw, die zich over dit antwoord verbaasde,
en hare ooren bijna niet gelooven kon.
"Ik zing geen twee liedjes voor één cent," zei Dik, die eene grappige
bui had en er zelf om lachen moest, tot zijne dikke buik er van
schudde.
"Wel, heb ik van mijn leven!" riep de juffrouw. "Wat ben jij een
brutaaltje! Van wien leer je dat?"
"Van Moeder," zei Dik zeer tevreden.
"Zoo! Nu, zulke dingen mag je hier volstrekt niet zeggen. Je blijft
hier maar bij me staan, hoor, en je moet bedaard zijn."
"Ja," zei Dik.
"Je moet zeggen: Ja juffrouw."
"Zoo."
"Nu, doe het dan!"
Dik, die nog altijd zijn medelijden niet overwinnen kon, besloot haar
dat genoegen maar te doen, en zeide:
"Je moet zeggen ja juffrouw."
De juffrouw schudde moedeloos het hoofd, ging met haar werk voort,
en liet Dik maar weer aan zichzelven over. Deze had nu niets meer te
doen, en daarom haalde hij zijn brood weer voor den dag, en begon
het op te peuzelen, tot groot vermaak van de andere kinderen, die
proestten van het lachen. Plotseling kreeg hij Anneke in het oog,
die hij den geheelen morgen nog niet opgemerkt had, en met een vollen
mond riep hij, zoo hard hij kon:
"Dag!--Wil je ook wat?"
Hij liep naar haar toe, en legde zijn brood op hare lei, doch de
juffrouw wist het spoedig te bemachtigen, en liet het buiten brengen
voor de vogeltjes, waardoor Dik zich diep beleedigd gevoelde. Hij
keek haar met groote oogen aan.
"Dik, wil je nu zoet zijn?"
Dik was te boos, om antwoord te geven.
"Dik, beloof me, dat je zoet zult zijn, dan mag je weer gaan zitten."
"Ik ben altijd zoet!" riep Dik, die zich volstrekt van geen kwaad
bewust was.
"Nu, ga dan maar zitten, doch geen leven maken, hoor."
Dik stapte weer naar zijne plaats, maar van teekenen had hij zijn
bekomst. Hij keek een poosje rond, en vestigde toen zijne aandacht
op zijn buurjongen, die zich in de school zoo weinig op zijn gemak
gevoelde, dat het huilen hem nader stond dan het lachen, hetgeen dan
ook duidelijk op zijn gezicht te lezen stond.
"Wat kijk jij leelijk," zei Dik, "heb je honger?"
De jongen bleef hem even leelijk aanzien, zonder antwoord te geven.
"Ben je ziek?" vroeg Dik, die er het zijne van wilde hebben.
De jongen gaf geen antwoord, maar begon in plaats daarvan hardop te
huilen, tot groote verbazing van Dik.
De juffrouw kwam op den schreienden knaap af, en vroeg:
"Wat scheelt er aan?"
"Hij knijpt me!" schreeuwde de jongen, op Dik wijzende.
Diks verbazing steeg ten top, en ging over in hevige
verontwaardiging. In een oogenblik stond hij boven op de bank,
nam zijne lei, en begon daarmee zoo geweldig op zijn buurman los te
timmeren, dat de scherven in het rond vlogen. Toen stak hij zijne
handen weer in zijne zakken en liep de deur uit, naar huis. 't Was
hem op school volstrekt niet bevallen, en 's middags had zijne moeder
groote moeite, om hem er weer heen te krijgen.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DIK EN DE JUFFROUW.
Het was voor Griet Trom een lastig geval, dat Dik en de juffrouw
elkander zoo slecht bevielen, want als ze hem niet zelf naar school
bracht, kon ze er zeker van zijn, dat Dik er niet heen ging. En
voor de juffrouw was het geval nog veel lastiger, want Dik leerde
volstrekt niets, verscheurde zijne boeken, nog eer hij ze lezen kon,
maakte ieder oogenblik eene lei stuk, kraste met spijkers op muren
en banken, kortom deed niets dan kattekwaad, en was voor de juffrouw
eene onuitputtelijke bron van verdriet. Zijn buurjongen, die Bruin
Boon heette, viel óók volstrekt niet in zijn smaak, hetgeen hij
hem door een groot aantal knepen en stompen ten duidelijkste deed
gevoelen. Bruin was dan ook geen aardige jongen, want vooreerst
was hij niet eerlijk, ten tweede sprak hij nooit de waarheid, ten
derde was hij valsch en ten vierde laf, hoewel hij zich gaarne voor
dapper uitgaf. Van al deze ondeugden bezat Dik er niet één. Dik zou
zich nooit iets toeëigenen, wat van een ander was, ten tweede sprak
hij altoos de waarheid, en ten slotte: vrees kende hij niet en van
bluffen had hij een afkeer. In één woord, Dik was een ondeugende,
maar flinke jongen. Toen hij ongeveer drie jaar had school gegaan,
wist hij nog evenveel, als toen hij er voor het eerst heen ging;
alleen in het bedrijven van kattekwaad was hij merkbaar knapper
en handiger geworden, zoodat er op 't laatst bijna niets meer kon
gebeuren, of Dik kreeg er de schuld van, of hij het gedaan had of
niet. "Die den naam heeft, krijgt ook de daad," zegt het spreekwoord.
Op zekeren morgen vermaakte Dik zich in school met een zeer grooten,
groenen kikvorsch, dien hij 's morgens gevangen en in zijn zak
gestoken had. Hij hield hem aan zijn poot vast, en liet hem dan
allerlei bewegingen maken, wel tot genoegen van Bruin Boon, maar
tevens tot diens grooten angst, want hij was wel een beetje erg bang
van het lieve dier. Door op den kikvorsch te letten, gaf Bruin echter
geen acht op zijne lei, en plotseling viel deze kletterend tegen den
grond. Haastig stak Dik zijn kikvorsch weer in den zak, en toen de
juffrouw bij hen kwam, zat hij dapper te werken.
"Bruin Boon, valt jouw lei daar met zoo 'n gedruisch op den grond?"
"Ja, juffrouw, Dik Trom gooide haar van de bank af."
"Dat is niet waar!" riep Dik.
"'t Is wèl, juffrouw, hij deed het wèl, en hij heeft ook een kikvorsch
in zijn zak," riep Bruin weer.
"Zoo'n leugenaar!" riep Dik.
"'t Is wèl, juffrouw!"
"Wat moet ik weer hooren, Dik? Ben je weer bezig? Eerst eene lei van
de bank gooien, en nog jokken ook? Foei, je moest je schamen. En dan
nog een kikvorsch in je zak? Je weet wel, dat zulke dieren niet in
de school behooren. Laat zien, dat beest!"
"Ik heb de lei niet op den grond laten vallen, juffrouw, hij deed
het zelf, want hij zat te spelen."
"'t Is niet waar, juffrouw, Dik duwde haar van de bank, en toen
viel ze."
"Zoo, Dik, jok nu maar niet langer. Ik hoor het al, jij hebt de lei op
den grond geworpen, en bovendien zit je met een kikker te spelen. Laat
zien, dat beestje."
De juffrouw, die er volstrekt geen begrip van had, wat de zakken van
een flinken jongen zooal bevatten kunnen, was in de meening, dat het
een klein, dood kikkertje zou zijn, doch wie beschrijft haar schrik,
toen Dik haar plotseling een grooten, groenen kikvorsch toestak,
die springlevend was. Ze werd doodsbleek, en sprong wel twee passen
op zijde, terwijl ze riep:
"O foei, doe weg, dat akelige dier!"
Dik zag met leedvermaak, dat de juffrouw doodelijk bang van het
dier was, en daarom gaf hij het dadelijk de vrijheid, waarvan het
gebruik maakte, om met groote sprongen regelrecht op de juffrouw aan
te wippen. De juffrouw sprong radeloos in het rond en ging eindelijk
op de vlucht. In de algemeene verwarring gaf Dik zijn buurman een
pak slaag, zooals deze nog maar zelden van een kameraad gehad had.
"Leelijke bruine boon," beet hij hem toe, "dat klikken zal ik je
later nog wel eens beter betaald zetten!"
Intusschen was de juffrouw wat van den schrik bekomen, en herstelde
zij de orde. Zij liet den kikvorsch grijpen en naar buiten brengen,
en Dikje moest voor straf in het portaal staan. Daar gaf hij echter
niet veel om, want de verbolgenheid van de juffrouw liet hem geheel
onverschillig, daar hij volstrekt niet van haar hield, en in het
portaal kon hij zich vermaken, zooveel hij maar wilde. Hij begon met
de klompen, die netjes twee aan twee stonden, door elkander te zetten;
toen verhing hij alle petten en hoeden, en stak zelfs sommige er van
in de jaszakken. Den hoed van Bruin Boon liet hij zinken in den emmer,
waaruit de schoolkinderen mochten drinken. Daar viel zijn oog op den
hoed en den mantel van de juffrouw, die aan den binnenkant van de
portaaldeur aan een kapstok hingen. Fluks maakte hij er zich meester
van, zette den hoed, die hem veel te klein was, op, en trok den mantel,
die hem nog meer te groot was, aan. Zoo uitgedost wandelde hij deftig
het schoolplein op en neer, terwijl de mooie mantel over den grond
sleepte, die door den regen nat en morsig was. Hij vermaakte zich
kostelijk, en misschien zou hij ten slotte nog wel het schoolplein
af en het dorp ingewandeld zijn, indien de juffrouw niet toevallig
door het raam gekeken en den kleinen deugniet bemerkt had. Zij stoof
naar buiten en trok hem aan den arm de school binnen, waar de overige
kinderen niet weinig pret hadden met Diks nieuwe pak. Wat was de
juffrouw boos!
"Wel jou brutale, kwade jongen! Trek uit, gauw wat! Hoe durf je mijne
kleêren aan te trekken! Trek uit, zeg ik, of....!"
Dik begon met een vergenoegd gezicht te doen, wat de juffrouw, bevend
van boosheid, hem beval. In hare verbolgenheid trok deze aan eene mouw
van den mantel, om te helpen, doch zij deed dit zoo driftig, dat de
mouw scheurde, waardoor hare boosheid nog heviger werd. Eindelijk stond
Dikje, doodkalm en bedaard, weer in zijne gewone plunje voor haar.
"Voort, de school uit, en je kunt vandaag wel wegblijven ook. Je
moogt er niet weer in, begrepen?"
"Ja, juffrouw, maar Bruin heeft gejokt."
Dik trok zijne klompen aan, en ging naar huis.
Een poosje later sloeg de dorpsklok twaalf uur en ging de school uit,
maar nu kwam de drukte voor de juffrouw pas goed aan. Geen enkel kind
kon zijne klompen vinden; bijna allen trokken verkeerde aan. Hoeden
en petten waren zoek, en de jassen hingen op verkeerde plaatsen.
"Juffrouw, mijne klompen zijn weg!"
"Juffrouw, ik zie mijne jas niet!"
"Juffrouw, ik kan mijn mantel niet vinden!"
Het was een tieren en schreeuwen, dat de juffrouw hooren en zien
verging, en wat nog het ergste was: ze wist volstrekt geen raad,
om aan die algemeene verwarring een einde te maken.
"Hier heb ik mijne jas!" riep Jan Vos. "Zij hing op eene verkeerde
plaats!"
"Jij hebt mijne klompen aan!" riep Bruin Boon. "Zie je mijn hoed
nergens?"
"Dat heeft die nare Dik gedaan," zuchtte de juffrouw. "Kinderen,"
riep zij met krachtige stem, "allen weer naar binnen."
De kinderen gehoorzaamden.
"Zie zoo, nu één voor één naar buiten. Jan Vos, jij eerst!"
"Ik ben klaar, juffrouw."
"Goed. Nu jij, Bruin Boon."
Bruin ging. Zijne klompen en zijne jas vond hij al spoedig, maar hoe
hij ook zocht, zijn hoed was nergens te zien. "Juffrouw, mijn hoed
is weg!"
"Nu, dan moet je maar zoeken, tot je hem gevonden hebt. Nu jij,
Jansje Slooten."
Zoo ging de geheele klasse een voor een naar buiten.
Na lang zoeken vond ieder het zijne, behalve Bruin Boon. Huilend keek
hij overal rond, maar zijn hoed was nergens te ontdekken. Eindelijk
zag de juffrouw den emmer staan, en dadelijk vermoedde zij, dat de
verlorene dáár wel gezocht zou moeten worden.
"Kijk eens hier, Bruin, in dien emmer. Is daar je hoed niet?"
Bruin keek, en jawel, daar lag zijn hoofddeksel te weeken in het
water. Bruintje vischte hem op, maar wijl hij niet veel lust had,
dat natte voorwerp op zijn hoofd, te zetten, was hij verplicht
blootshoofds naar huis te gaan.
De juffrouw zag hem met genoegen vertrekken. "Goddank,
eindelijk!" zuchtte ze. Ze kleedde zich haastig aan en
vertrok. Onderweg kwam ze Diks vader tegen, en ze besloot, hem eens
goed te vertellen, hoe ondeugend zijn zoontje was.
"Trom, ik wil u wel eens eventjes spreken."
"Zoo juffrouw, ziet u, dat kan, en dat doet het."
"Ja Trom, het spijt me wel, dat ik het zeggen moet, maar ik heb zoo
vreeselijk veel last van uw jongen, dat het meer dan noodig is, om
hem eens voorbeeldig te straffen. Van morgen heb ik hem naar huis
moeten zenden."
"Zoo juffrouw, dat is erg, ziet u,--dat is het."
"Ja, 't is heel erg. Eerst jokt hij me wat voor, daarna gooit hij me
een grooten, groenen kikvorsch bijna in het gezicht, zoodat de schrik
me nog in de beenen zit, en eindelijk werpt hij al de kleeren van de
kinderen door elkander, en loopt met mijn mantel aan en mijn hoed
op over het schoolplein. Zoo brutaal heb ik het nog nooit gezien,
en het wordt hoog tijd, dat u hem eens flink onder handen neemt."
Trom keek de juffrouw verlegen en verbaasd aan, en toen zij aanstalten
maakte, om haar weg te vervolgen, zeide hij:
"Ja juffrouw, 't is een bijzonder kind, ziet u,--dat is-ie."
NEGENDE HOOFDSTUK.
DIK EN DE HEKS VAN DEN ACHTERWEG.
Om half vier, 's middags, toen de school uitging, liep Dik, die
zijn vrijen tijd genoeglijk bij den molenaar had doorgebracht, de
schoolkinderen tegemoet, met het vaste plan, Bruin Boon een goed pak
slaag te geven.
"Jongens, daar is Dik!--Heb je niet gehad, toen je thuis kwam?"
"Wel neen, wat denk je wel? Moeder moest er braaf om lachen, toen
ze het hoorde, en Vader schudde zijn hoofd maar even. Ha, daar komt
bruine boon aan. Kom eens hier, boontje, klikspaan, kom jij eens om
je loontje, als je durft?"
Maar Bruin durfde niet. Zoo gauw hij Dik in het oog kreeg, zette hij
het op een loopen, en daarin was hij Dik de baas. Dik kon niet hard
loopen, wat hem genoeg speet. Zijn dikke buik belette het hem.
"Ha, ha," riepen de jongens. "Die lafaard! Daar gaat hij loopen."
"Nu," zeide Dik, "laat hem maar gaan. "Ik zal hem wel krijgen, dat
beloof ik hem. Willen we op de markt wat gaan spelen?"
"Ja, aanstonds. Eerst moeten we even naar huis."
Een uurtje later waren de jongens op het marktplein bijeen, waar zij
zich met allerlei spelletjes vermaakten. Nu, de markt bood er dan
ook uitstekende gelegenheid voor. Het was een groot vierkant plein,
waarop in het midden een prachtige, dikke eikeboom prijkte, en dat
als bezaaid was met palen, waaraan het vee op de marktdagen werd
vastgebonden. Eerst sprongen de jongens op eene rij achter elkander
over de palen heen, waar Dikje even zoo goed slag van had als de
grootste jongen, en daarna klom de heele troep in den boom. Dik
moest geholpen worden, want alléén kon hij het niet, omdat zoowel
hij als de boom er te dik voor waren. Daar bleven zij zitten, tot
de veldwachter op hen afkwam en hun dat boompje-klimmen eens en voor
altijd verbood, met de bedreiging, dat hij hen zou bekeuren, als ze
het weer deden. Toen vermaakten zij zich met boompje-verwisselen,
bij welk spelletje zij de palen voor boomen namen, tot het donker
begon te worden. Sommige jongens waren al naar huis gegaan, en er
waren er nog maar acht over, toen Jan Vos plotseling zeide:
"Kijkt eens, jongens, daar gaat de heks van den Achterweg!"
Alle jongens zwegen en vestigden hunne blikken op een oud vrouwtje,
dat langzaam kwam aanstrompelen, en wier uiterlijk wel in staat was,
om de aandacht te trekken. Ze was mogelijk niet ouder dan zestig
jaar, maar ze zag er uit, alsof ze wel al tachtig was. Haar gelaat
was doorploegd van diepe rimpels, en haar mond was zoo ingevallen,
dat haar kromme neus bijna in hare vooruitstekende kin prikte. Ze
liep erg gebogen, en moest zich bij het gaan ondersteunen met een
stokje. Ze had een ouden, versleten doek om het hoofd; een paars
jak bedekte hare magere leden, en om haar hals droeg zij een rooden
zakdoek, waarvan de punten haar op den rug neerhingen. Een oude rok,
die vroeger zwart geweest was, doch nu nog slechts eene twijfelachtige,
vale kleur had, kwam van onder haar jak te voorschijn, terwijl hare
voeten in schoenen staken, die haar veel te groot waren en daardoor
aan de punten geheel opkrulden. In zichzelve mompelend en zonder
groeten ging zij de jongens voorbij, en toen zij uit het gezicht was,
zei Jan Vos:
"Die leelijke heks! Ze moesten haar in de gevangenis zetten! Dat
leelijke wijf heeft al heel wat kwaad gedaan!"
"Wat dan? Wat dan?" riepen de jongens nieuwsgierig.
"Wat dan? Wel, weet je dat dan niet? Vader vertelde gisteren nog,
hoe zij iedereen betooveren kan, die niet doet, wat zij wil. Ze heeft
laatst nog al de kippen van onzen buurman ziek gemaakt, alleen omdat
hij haar geene eieren wou geven voor haar zieken man, zooals ze zei,
en ze zou ze later wel betalen; ja, dat begrijp je! Buurman bedankte
daar hartelijk voor, en liet haar door den hond van het erf jagen. Maar
een paar weken later had hij er spijt genoeg van, want al zijne kippen
werden ziek, en de eene na de andere ging dood. Dat had die leelijke
heks gedaan!"
"Bij wien was dat dan? Bij Mulder?"
"Ja, bij Mulder. Als hij het wijf nu in de verte maar ziet aankomen,
gaat hij al naar binnen. Hij is bang van haar geworden."
"Nu, die rijke boer had ook licht een paar eieren kunnen geven,"
zei Piet van Dril, "maar hij is zoo gierig als wat. En dan nog wel
voor een ziek mensch!"
"Denk je dan waarlijk, dat haar man ziek was? Dat was maar een
praatje van die leelijke heks, om in huis te kunnen komen, en als
je haar eenmaal binnenlaat, betoovert ze je, zonder dat je het zelf
weet, maar later merk je het wel. Vader vertelde ook nog, hoe ze het
kindje van vrouw Smul, je weet wel, van die baker, behekst heeft,
zoodat het binnen drie dagen dood was. En dat was toch maar bij eene
arme vrouw, zie-je. Neen, die heks moesten ze maar gevangen zetten,
dat zou mooi opruimen."
"En hoe wist vrouw Smul dan, dat haar kind betooverd was?" vroeg een
der jongens.
"Wel, dat is gemakkelijk genoeg te zien. Je tornt het kussen, waarop
het gelegen heeft, open, en als dan de veertjes in den vorm van een
krans liggen, geloof dan maar gerust, dat het niet zuiver is. Dat
was bij vrouw Smul ook het geval."
"Maar dan zou eigenlijk niemand zijn leven zeker zijn," riep Piet van
Dril, "want dan kan zoo 'n wijf je betooveren, zooveel ze maar wil."
"Ja zeker, dat is ook zoo. Vader heeft zelf gezien, dat zij zoo maar
op een bezemsteel door de lucht vloog, of het niets was. Dat gebeurde
op een Oudejaarsavond. Vader had bij een kennis, onder een stevig glas
pons, het oude in het nieuwe gevierd. Om één uur ging hij naar huis,
maar vlak bij het kerkhof hoorde hij wat door de lucht vliegen, en
toen hij goed keek, zag hij duidelijk, dat het die heks was. Ze dreigde
hem nog met hare vuist, maar ze deed hem gelukkig toch geen kwaad."
"Nu," riepen de jongens, "dan weet ik wel, dat ik haar voortaan uit
den weg zal blijven. Ik ben bang voor zulk volk."
"Ik ook," zei Jan Vos, "maar toch zou ik graag eens bij haar door de
ramen willen gluren. Wie weet, welke kunsten ze nu al weer uithaalt."
"Laten we gaan kijken," zei Dik opeens, "dan weten we het."
"Ik zou je danken!" riep Jan Vos. "Als ze je ziet, is het met je
gedaan, want ze verandert je zoo maar in een spinnekop of zoo iets. Ik
ga niet meê!"
Alle jongens zwegen, want hetgeen Jan Vos verteld had, was erg genoeg
geweest, om zelfs den dapperste eenigszins vreesachtig te maken. Dik
was ook onder den indruk van het gehoorde, maar toch besloot hij om
te gaan kijken. De heks mocht dan doen, wat zij niet laten kon. Hij
stak zijne handen in zijne zakken, en zei:
"Toch ga ik kijken. Wie gaat er meê?"
Die uitdaging vonden de jongens toch wel wat beschamend, want Dik was
de kleinste en ook de jongste van allen. De meesten van hen riepen
dan ook:
"Ik ga meê! Wat Dik durft, durf ik ook. Vooruit maar!"
Daar gingen ze, Dik voorop. Ze hadden allen een tak van den eikeboom
in de hand, en stapten er moedig en zelfs tamelijk luidruchtig op los.
"Jongens, we zullen aan de ramen tikken!" riep Piet van Dril.
"Ja, en tegen de deur schoppen, zoo hard, dat zelfs eene heks er bang
van wordt!" schreeuwde Jan van Bakel.
Dik zeide niets, maar stapte flink door, en aan zijn gezicht was
duidelijk te zien, dat hij vast besloten was, de heks eens goed op
te nemen. De jongens liepen de dorpsstraat uit en sloegen een zijweg
in. Vreemd! De luidruchtige troep werd hoe langer hoe bedaarder,
en eindelijk was Dik zijne kameraden zelfs een aardig eindje vooruit
geraakt.
"Waar blijf jullie toch?" riep hij, toen hij dat bemerkte. Langzaam
kwamen de anderen nader, en zonder spreken vervolgden zij hun weg.
't Was intusschen geheel donker geworden, en de najaarswind gierde
door de takken der boomen. Op eenigen afstand brandde een lichtje. Dáár
woonde de heks.
"Zeg, nu moesten we haar eens onverwachts tegenkomen," fluisterde
Piet van Dril. "Wat zou je dan doen?"