Dik spoedde zich weer naar buiten. Ha, hoe genoot hij, toen

Produced by the Online Distributed Proofreading Team at

https://www.pgdp.net/

Uit het leven van

Dik Trom

Door

C. Joh. Kieviet

Zesde druk

Geïllustreerd door

Joh. Braakensiek

Alkmaar--P. Kluitman.

Boekdrukkerij Firma P. Kluitman--Alkmaar.

INHOUD.

Bladz.

Dirk wordt geboren en krijgt een naam 1

Dirk en de baker worden kwade vrienden 7

Dirk begint te kruipen en kattekwaad te doen 11

Dirk wordt in een dubbelen zin dik en gaat op den ingeslagen weg

voort 19

Dik ondergaat eene gedaanteverwisseling en blijft toch dezelfde 31

Hoe Dik uit varen ging 41

Dik gaat naar school 51

Dik en de juffrouw 63

Dik en de heks van den Achterweg 75

Eene eerzame weduwe en een zeldzame ezel 91

Hoe Dik kwaad deed, en Bruin er een pak slaag voor kreeg 105

Flipsen wordt nog boozer 117

Boontje komt om zijn loontje 129

Hoe Dik op vrije voeten geraakte en een goed besluit nam 147

Paarden en ezels 161

Hoe Dik de heks voorthielp 175

Een ongeluk komt zelden alleen 191

Het slot van de geschiedenis 205

EERSTE HOOFDSTUK.

DIRK WORDT GEBOREN EN KRIJGT EEN NAAM.

Moeder was ziek; al sedert vier dagen had zij hevige koortsen,

die haar dwongen het bed te houden. Doch hoe ziek zij ook was, toch

klopte haar hart van blijdschap, want dezen morgen was haar liefste

wensch vervuld; de goede God had haar een zoon geschonken.

Haar man wist nog niet, welk groot geluk hem te beurt was gevallen,

want hij werkte op grooten afstand van zijne woning, zoodat het

gewoonlijk reeds laat in den avond was, als hij thuis kwam. Nu

verwachtte Moeder hem evenwel vroeger, want zij had hem een bode

gezonden, om hem het groote nieuws mede te deelen.

Daar ging de deur open. Zou hij het wezen? Neen, 't was eene buurvrouw,

die eens even naar den kleine kwam zien. De baker nam hem uit de

wieg en hield hem de buurvrouw voor. Doch nauwelijks zag deze hem,

of zij sloeg van verbazing hare handen in elkander, en riep uit:

"Wel, wel, wat een driedubbeldikke jongen is dat! Zoo 'n dikzak

heb ik nog nooit gezien! 't Is zoo waar een natuurwonder! Welke

bolle wangen, en zie me die beenen eens aan! Als die jongen zoo moet

blijven doorgroeien, kan hij later niet meer door de deur. Och, och,

wat een jongen! Nu, moedertje, van harte gefeliciteerd, hoor; ik wed,

dat je genoegen aan dien jongen zult beleven. Hij kan wel voor twee

tellen, en wat ziet hij er lief uit. Ik vind hem een recht lieven

jongen,--maar wat zal hij kunnen eten!"

"Of hij, buurvrouw," viel de baker in, "daar kun je op rekenen! Hij

zal den hollebollen Gijs wel nadoen, die eene koe en een kalf en een

dood paard half opat. Och, m'n lieve mensen, wil je wel gelooven, dat

ik van hem geschrokken ben? Die jongen heeft wangen als oliebollen!"

"Ik zou hem nu maar in de wieg leggen, baker," zei Moeder. "Anders

mocht hij eens kou vatten."

Hij zelf zeide niets; praten kon hij nog niet en schreeuwen scheen hij

niet te willen. Hij blikte voor zijn leeftijd buitengewoon verstandig

in het rond, alsof hij zich aan de vreemde omgeving wilde gewennen,

keek toen gedurende langen tijd zijne moeder aan, die hem, te oordeelen

naar zijn tevreden gelaat, zeer goed scheen te bevallen, en richtte

zijn blik daarna op de baker. Deze viel blijkbaar minder in zijn

smaak, want hij trok een heel vies gezicht, draaide zijn hoofd met

duidelijke teekenen van afkeer om en liet zijn oog op de wieg vallen,

waarvan het gezicht hem, naar het scheen, veel aangenamer aandeed. De

tevreden uitdrukking van straks gleed weer over zijn gelaat, en zijn

mond plooide zich tot een welbehaaglijk glimlachje.

De baker trok hem zijn nachtgoed aan, waarvan wel de helft te klein

bleek te zijn, en legde hem in de wieg, waarin hij zich zeer op zijn

gemak gevoelde. Met een vergenoegd gezicht sliep hij in.

Een poosje later kwam zijn Vader thuis. Deze was timmermansknecht

bij baas Meyer. Dadelijk na het ontvangen van de heuglijke tijding

had hij zich op weg begeven. Vol blijdschap over de geboorte van

zijn zoontje stapte hij de kamer binnen, gaf zijne vrouw een kus en

spoedde zich toen naar de wieg, waarvan de baker het kleed al had

opgeslagen. Hoe groot was ook zijne verbazing bij 't aanschouwen

van zijn welgedanen zoon! Toch uitte hij die niet in een stortvloed

van woorden en uitroepen. Hij spalkte zijne oogen wagenwijd open,

streelde met zijne ruwe hand de dikke wangen van zijn spruitje, keek

de baker eenige seconden wezenloos aan, en.... ging zijn boterham eten.

"Nu, man, vind je het geen bijzonder lief kind?" vroeg zijne vrouw. "En

wat is hij dik, niet waar?"

Vader had juist, onverstandig genoeg, een grooten hap brood genomen,

nog vóór hij den vorigen, even grooten hap had doorgeslikt. Zijn mond

was daardoor zóó vol, dat hij met den besten wil van de wereld geen

woord kon uitbrengen. Het duurde dus eenigen tijd, eer hij in staat

was te antwoorden:

"Dik? Of hij dik is,--dat is-ie."

Nauwelijks waren die gewichtige woorden zijn mond ontgleden, of met

een nog grooteren hap maakte hij zich opnieuw het spreken onmogelijk.

"Maar man," vervolgde zijne vrouw, "hoe zullen we hem nu noemen? Hij

moet zeker naar je vader vernoemd worden? Heette die niet Arie?"

"Hij zal Dirk heeten, dat zal-ie," klonk het uit den vollen mond

van den heer des huizes. "Mijn broer, die naar Amerika is gegaan,

heet ook zoo, dat doet-ie, en daarom, zie je.... hap!"

Het laatste stuk brood verdween in 's mans mond en maakte een einde

aan zijne schitterende redevoering. Toen hij weer spreken kon, draaide

hij zich om, boog zich nog eenmaal over het wiegje, ging bedaard voor

het bed van zijn vrouw staan en zeide:

"Wat zullen we er aan doen, Griet? 't Is een bijzonder kind,--dat

is-ie."

Daarna stapte hij, bedenkelijk zijn hoofd schuddende, naar den

burgemeester, om het bijzondere kind te doen inschrijven onder den

naam van Dirk. En daar hij zelf Jan Trom genoemd werd, zou zijn zoon

later luisteren naar den naam van Dirk Trom.

TWEEDE HOOFDSTUK.

DIRK EN DE BAKER WORDEN KWADE VRIENDEN.

Dirk Trom was geen gewone jongen, dat toonde hij duidelijk. Schreeuwen,

wat andere kinderen blijkbaar voor eene aangename tijdkorting

houden en waarin velen van hen het soms buitengewoon ver brengen,

vond hij volstrekt niet aardig, ja, hij scheen het zelfs beneden

zijne waardigheid te vinden. Hij deed het dan ook nooit, zelfs niet,

toen de baker hem per ongeluk tamelijk diep met eene speld prikte. Hij

gaf geen kik, maar keek haar alleen met een zoo verwijtenden blik aan,

dat zij niet wist, hoe zij het met hem had. Over het geheel scheen hij

met deze goede vrouw weinig op te hebben, en dat verdiende ze toch niet

aan hem, want zij verzorgde hem zoo goed als in haar vermogen was. Ook

zijne zieke moeder verpleegde zij met groote hartelijkheid. Doch

Dirk waardeerde dat niet, integendeel, hij was norsch en stug tegen

haar. Hij wilde uit hare hand zelfs geen voedsel aannemen, hoe

vriendelijk zij hem ook toelachte. Liever was hij in de armen van

zijne moeder. Niet dat hij het dan uitkraaide van pleizier, o neen,

hij was blijkbaar heel kalm van natuur en verre van luidruchtig, maar

als hij bij moeder was, lag er een waas van tevredenheid over zijne

dikke wangen en keek hij haar vriendelijk in de liefdevolle oogen,

terwijl hij met zijne vingertjes op zijn buik trommelde, alsof hij

piano speelde.

Toen hij tien dagen oud was, kwam het tusschen hem en de baker

tot eene bepaalde vredebreuk. De vrouw van Meyer, den timmerman,

die vrouw Trom tijdens hare ziekte had bezocht, stuurde een lekker

soepje, met de boodschap, dat ze spoedig nog eens zou komen zien, hoe

moeder en kind het maakten. De baker zette de soep op een vuurtje,

om die warm te houden, plaatste het comfoortje vóór zich op tafel,

en nam den kleinen Dirk op haar schoot, om hem te verkleeden. Dirks

moeder, die zeer zwak was, lag in een gerusten slaap. Af en toe roerde

de baker eens in de soep, opdat deze niet zou aanbranden, en nam

dan telkens een paar lepels vol, om te proeven, hoe warm ze was. Ze

had er geen erg in, dat die handelwijze den jongeheer volstrekt niet

scheen te bevallen, maar spoedig zou zij het tot haar grooten schrik

bemerken. Toen zij Dirk verkleed had en gereed was, hem in de wieg te

leggen, kwam het haar voor, dat de soep aanbrandde. Dadelijk nam zij

den schotel in de hand en schoof het comfoortje op zijde. Nu nam zij

den lepel in de andere hand, en wilde zich overtuigen, of zij zich

ook bedrogen had. Juist bracht zij den lepel in den mond en bemerkte

ze, dat zij in de haast ook een balletje gehakt had opgeschept, toen

Dirk plotseling de beide beenen met zulk eene kracht omhoog wierp,

dat hij haar den schotel uit de hand schopte, zoodat de inhoud haar

schoone jurk in een ommezien in eene soepjurk veranderde. De goede

vrouw schrikte daar zoo hevig van, dat het lekkere balletje gehakt

haar in het verkeerde keelgat schoot, waardoor zij eene hoestbui

kreeg, die haar het angstzweet deed uitbreken. Dirk Trom keek haar

zegevierend aan. Van dat oogenblik af vreesde de baker hem.

Kort daarna begon Moeder langzamerhand sterker te worden, en toen zij

hare krachten teruggekregen had, vertrok de baker. Bij die gelegenheid

liet Dirk voor 't eerst zijn geluid hooren: hij nam afscheid van haar

met eene langgerekte a!

DERDE HOOFDSTUK.

DIRK BEGINT TE KRUIPEN EN KATTEKWAAD TE DOEN.

Een fatsoenlijke jongen zorgt er voor, op éénjarigen leeftijd te

kunnen loopen. Ook in dit opzicht was Dirk geen gewoon kind. Toen hij

elf maanden oud was, lag hij nog even bedaard en stil in de wieg, als

toen hij elf dagen was. Schreeuwen deed hij nooit, zooals ik reeds

verteld heb. Als iets niet naar zijn zin was, gaf hij alleen door

zijn voorhoofd te fronsen duidelijk zijn ongenoegen te kennen. Gaf

men hem daarentegen reden tot tevredenheid, dan was dat te merken aan

een zacht gesnor, ongeveer gelijk aan het spinnen van eene poes. En

was hij bijzonder in zijne nopjes, dan legde hij zijne handen op zijn

buik en begon zich zoo lang heen en weer te schommelen, tot de wieg

ten slotte ook in beweging kwam. Zoo kon hij zich uren lang vermaken,

en misschien zou dit de eenige lichaamsbeweging gebleven zijn, die

hij nam, indien de kat niet tusschenbeide gekomen ware. Dit beest was

bijzonder groot, en voelde zich zoozeer tot den rustigen wiegbewoner

aangetrokken, dat zij hem soms uren lang gezelschap hield. Toen Dirk

zich weer eens op zoo 'n wonderlijke manier aan het wiegen was, zoodat

zijn dik, rond lichaampje van de eene naar de andere zijde rolde,

sprong plotseling de kat op de wieg, juist toen deze op het punt van

omvallen stond. Wat nu gebeurde, is licht te begrijpen: het gewicht van

de kat was juist voldoende om de wieg te doen kantelen, en Dirk--plofte

op den grond, rolde als een knikker een eind voort en bleef eindelijk

onder de tafel liggen, omdat hij door eene stoof in zijne vaart werd

gestuit. Gedurende de eerste oogenblikken was hij zeer verbaasd over

dit voorval, doch toen hij de kat in het oog kreeg, die te vergeefs

alle pogingen in het werk stelde, om onder het beddegoed vandaan te

kruipen, dat haar bedolven had, begon hij er het vermakelijke van

in te zien, en lachte hij er hartelijk om. Zijne moeder was in den

tuin en had er dus niets van gemerkt. Toen hij genoeg gelachen had,

begreep hij, dat de arme kat toch verlost moest worden, want hij droeg

het beest een zeer goed hart toe. Hij keerde zich om, zoodat hij op

zijn buik kwam te liggen, begon met armen en beenen tegelijk te werken,

en jawel, daar kroop hij vooruit. Die beweging vond hij alleraardigst,

zóó aardig, dat hij de kat stilletjes liet tobben, en doodbedaard door

de kamer bleef rondkruipen. Toen zijne moeder eenige minuten later

binnen kwam, stond ze wat verbaasd te kijken. Ze verloste de kat,

die bijna buiten adem was van inspanning, zette de wieg overeind,

en legde met het beddegoed ook den kleinen kamergymnast er weer

in. Vader moest het bij zijne thuiskomst dadelijk van haar hooren;

zij vertelde hem het voorval in kleuren en geuren. Trom hoorde haar

hoogst ernstig aan, en toen het verhaal ten einde was, keek hij

eenigen tijd peinzend voor zich, haalde zijn zakdoek voor den dag,

stak hem dadelijk weer in den zak, en zeide:

"'t Is een bijzonder kind, Griet,--dat is-ie."

Van dien dag af kon moeder den kleinen Dirk niet meer in de wieg

houden. Zoo gauw het liggen hem verveelde, liet hij zich bedaard

op den grond zakken en kroop hij vergenoegd rond. Dan wist hij zich

met allerlei kleinigheden uitstekend te vermaken. Hij schoof nu eens

de stoof zijner moeder tamelijk onzacht over den vloer, zoodat het

er veel van had of er asch in de kamer gezaaid was, dan weer dronk

hij de melk uit het kattenschoteltje op, of wel, hij legde zich heel

bedaard in de broodkast neder, om zijn middagdutje te doen. Toen hij

dat voor de eerste maal deed, zocht zijne moeder tevergeefs de geheele

kamer rond, liep in haar angst zelfs den tuin in, om te zien, of hij

daar ook was, en zag hem eindelijk doodkalm uit de kast te voorschijn

kruipen. Als hij later weer eens zoek was, kon ze er staat op maken,

dat hij onder de laagste kastplank lag.

Eens had Moeder eenige buurvrouwen op de thee genoodigd. Dirk kreeg

zijne witte jurk aan, die alleen des Zondags zijne schoonheid mocht

verhoogen; zijne dikke beenen werden in hagelwitte kousjes en zijne

voeten in glimmende schoentjes gestoken. Toen hij zoo op zijn mooist

was uitgedost, legde Moeder hem in de wieg en spoedde zich naar de

andere kamer, om zich ook wat op te knappen. Nog was ze niet geheel

gereed, toen zij reeds de buurvrouwen hoorde binnenkomen, zoodat

ze in allerijl de laatste hand aan haar toilet legde en zich naar

binnen begaf, waar zij met luid gelach ontvangen werd. Verbeeld u

haar schrik! In plaats van ordentelijk in de wieg te blijven liggen,

was de ondeugd over den vloer naar den steenkolenbak gekropen. Zijn

eerste werk was geweest, er zijne beide handen in te begraven, en toen

daar het nieuwtje wat af was, had hij zich eens goed met het zwarte

gruis ingesmeerd en er zijn mond mee volgepropt. Hij zag zoo zwart

als roet, en hij niet alleen, maar óók zijne jurk, zijne kousen, ja,

zelfs de vloer. De buurvrouwtjes lachten er smakelijk om, maar Moeder

vond het niet aardig. Doch toen Dirk haar met de meeste gulheid ook

een paar handjes steenkolen aanbood, en daarbij zijn zwart gezicht

tot een vriendelijk lachje plooide, proestte ook zij het uit en noemde

zij hem toch haar lieveling.

De kat en zijne moeder had hij het meest van alles lief. Aan

wie van die twee hij echter de voorkeur gaf, wist hij, geloof ik,

langen tijd zelf niet, totdat het pleit ten laatste in het voordeel

der kat beslist werd. Het beest kreeg namelijk drie jongen, over

welke gebeurtenis ons jongmensch zoo verrukt was, dat hij poes den

geheelen dag gezelschap hield. Moeder was volstrekt niet van plan,

al die beesten den kost te geven en wilde er twee van verdrinken,

doch ze vond dat zoo 'n akelig werk, dat ze alleen bij de gedachte

daaraan reeds kippevel kreeg. Ze besloot dus, die operatie tot den

volgenden dag uit te stellen. Toen was ze echter niet meer noodig. Ze

ging 's morgens een paar boodschappen doen en vond, terugkomende,

de kat in een zeer zenuwachtigen toestand. Dirk zat doodbedaard en

met een hoogst ernstig gezicht bij den doofpot, terwijl poes driftig

heen en weer liep en voortdurend een klagend gemauw deed hooren.

"Toe poes, ga naar je mandje, anders worden je kindertjes koud,"

zeide vrouw Trom.

Maar jawel, de kat bleef onrustig rondloopen, snuffelde in alle hoeken

en gaten, en sprong ten slotte tegen den doofpot op. Nu ging der moeder

een licht op. Haastig liep ze naar den pot, tilde het deksel er af,

en, och arme, daar vond ze de beestjes, boven op de doovekoolen,

alle drie dood. Dirk had ze er ingestopt, zeker in de meening, dat ze

het daar beter naar hun zin zouden hebben, en hij keek heel treurig,

toen hij bemerkte, dat ze zich niet meer verroerden.

Op een anderen keer was vader bezig zich te kleeden voor eene treurige

plechtigheid. Er was in de buurt iemand gestorven, en Trom was op de

begrafenis genoodigd. Hij trok zijne beste kleeren aan en legde zijn

hoogen hoed op een stoel, terwijl zijne vrouw hem eene zijden das om

den hals knoopte. De hooge hoed trok weldra Dirks aandacht. Hij kroop

er heen, richtte zich aan den stoel overeind, bemachtigde zijne prooi,

en rolde er heel genoeglijk mede over den vloer, om er ten slotte

doodbedaard op te gaan zitten.

"Vrouw, waar is m'n hoed,--waar is-ie?" vroeg Trom.

"Je hebt hem zelf ergens neergelegd, Jan."

"Ja, op dezen stoel, en nu zie ik hem niet meer, Griet,--dat doe ik."

"O, o, kijk zoo 'n ondeugd nu toch eens! Kijk eens Jan, hij zit er

zoo waar boven op!"

Oogenblikkelijk bevrijdde Moeder den hoed uit zijn gedrukten toestand,

maar helaas, hij was in elkaar gevouwen als eene harmonica. Dirks

Moeder was radeloos. Vader stak er echter zijne vuist in, duwde hem

weer in de hoogte, en zette hem op, terwijl hij zeide:

"Wat zal ik er aan doen? Hij is een bijzonder kind,--dat is-ie."

Toen ging hij naar de begrafenis.

VIERDE HOOFDSTUK.

DIRK WORDT IN EEN DUBBELEN ZIN DIK EN GAAT OP DEN INGESLAGEN WEG VOORT.

Dirk was ongeveer anderhalf jaar oud, toen hij begon te loopen en te

praten. Het laatste deed hij zeer weinig, hoewel geen enkele letter,

behalve de r, hem veel moeite opleverde. Sommigen zijner kennissen

waren van meening, dat hij geen gedachten had en daarom gewoonlijk

zweeg, doch die hem goed kenden, wisten wel beter. Hij had eenvoudig

een hekel aan praten; een ander geheim schuilde er niet achter. Sprak

hij dus weinig, loopen deed hij zooveel te meer, en al spoedig,

nadat hij die kunst machtig geworden was, begaf hij zich in alle weer

en wind naar buiten, zeer tot ongerief van zijne moeder, die aldoor

vreesde, dat hij in het water zou loopen. Spoedig trok hij door twee

eigenaardigheden de aandacht zijner medeburgers. Ten eerste door zijne

buitengewone dikte, en ten tweede door het zeldzaam stel beenen,

dat hij er op nahield. Zijn lichaampje was voor zijne onderdanen

wat al te zwaar geweest, zoodat zij geheel uit hun fatsoen geraakt

waren en langzamerhand den vorm van eene o hadden aangenomen. Dirk

was dus in het gelukkige bezit geraakt, van wat men wel eens een

paar varkensvangertjes noemt. Nu, een flink biggetje kon dan ook wel

tusschen zijne beentjes door, zonder dat hij zijne voeten van elkaar

behoefde te zetten. De meeste menschen maakten wel eens een praatje

met hem, of liever, zij trachtten dat te doen, want omdat hij nooit

antwoord gaf, bleef het gewoonlijk bij eene alleenspraak. Slechts als

men hem vroeg, hoe hij heette, gaf hij antwoord, doch de r sloeg hij

dan maar over, omdat hij die wat moeilijk uit te spreken vond. Zijn

antwoord luidde dus altijd "Dik", waarvan het gevolg was, dat hij nooit

meer anders genoemd werd. Die naam werd zoo algemeen, dat hij eindelijk

zelf geloofde zoo te heeten, en ten slotte noemden zelfs zijne ouders

hem zoo. Hij was dus nu dik geworden in eene dubbele beteekenis.

Het was de achtste Februari, Diks tweede verjaardag. Het had den

geheelen morgen verbazend hard geregend, zoo hard, dat de goten al het

water niet bergen konden en overliepen. Dik mocht van zijne moeder niet

naar buiten, wat hij erg vervelend vond, vooral nu er zooveel water

viel. Toch wist hij nog eventjes te ontsnappen, van welk oogenblik

hij gebruik maakte om met een zeer tevreden en vergenoegd gezicht

juist op de plaats te gaan staan, waar de overstrooming het hevigst

was. Moeder haalde hem echter gauw weer binnen, waar hij verdrietig

voor het raam ging zitten. 's Middags hield de regen gelukkig op,

en nu was Dik ook niet meer in huis te houden. De tuin en het erf

waren geheel in een modderpoel herschapen, doch dat was juist naar

zijn zin. Hij plompte met zijne klompjes door de plassen heen, zoodat

de modder hem om de ooren spatte, maakte met een stokje kanalen en

meertjes en liet die vol water loopen, rolde driemaal midden in een

plas, en vermaakte zich onder al die bedrijven kostelijk. Daar zag

hij iemand het erf opstappen, en die iemand herkende hij dadelijk

als de baker. Deze goede vrouw had de gewoonte, al de verjaardagen

te onthouden van de kindertjes, die zij gebakerd had, en aan hunne

ouders op dien dag een bezoek te brengen. Zij wist wel, dat die zich

daardoor gestreeld gevoelden en uit dankbaarheid gewoonlijk op een

likeurtje en een koekje trakteerden.

Zij kwam regelrecht op den jarige af, en zeide:

"Wel, wel, m'n kleine Dikje-lief, mag jij zoo door de modder

loopen? Kind, kind, wat zie je er vreeselijk uit. Kom, ga mee naar

je moe."

"Neen."

"Niet? Waarom niet? Toe, ga maar met baker meê. Ken je me nog wel?"

"Jawel!"

"Nu, wie ben ik dan? Toe Dik, zeg eens, wie ik ben?"

Dik bewaarde een plechtig stilzwijgen en keek haar zoo stug mogelijk

aan.

De baker meende, dat hij een beetje verlegen was; ze boog zich daarom

vriendelijk lachend naar hem over, tikte hem aanmoedigend op de bolle

wangen, die rood zagen van de kou, en hernam:

"Kom Dikje, kijk me eens goed aan. Zeg nu eens zoet, wie ik ben?"

"Leelijk!" zei Dik kortaf, terwijl hij zich omdraaide.

"O foei, wat een akelig kind! 't Is altijd al zoo 'n nare jongen

geweest!" zei de baker, aan den soepschotel denkende. Ze keek Dik

verstoord aan en ging naar de achterdeur. Daar trok ze hare klompen

uit, want om de morsigheid van den weg had ze niet op hare geliefkoosde

pantoffeltjes kunnen komen, en stapte naar binnen. Nog half boos

féliciteerde ze Diks moeder met den verjaardag van haar zoontje,

maar weldra vergat zij hare boosheid geheel onder het genot van een

glaasje anisette.

Dik bleef buiten rondplassen. Hij zag er ontoonbaar uit, maar vermaakte

zich onuitsprekelijk. Hij had een stok gevonden en zat er nu mede in

het water te slaan, dat de droppels in het rond vlogen. De modder

zat hem tot in de haren. Een poosje later liep hij het keukentje

binnen en kwam weldra met een tinnen lepel terug. Nu kende zijn genot

geene grenzen meer. Hij schepte het water van den eenen plas in den

anderen, stak af en toe een lepel vol in den mond, en zag ten slotte

de klompen van de baker staan. Vol moed toog hij aan het werk. Hij

schepte een lepel vol water, droeg dat voorzichtig naar de deur en

goot het in een van de klompen. Hij herhaalde dit zoo dikwijls, tot

de klompen geheel vol waren, wat hem heel veel inspanning en heel wat

tijd kostte. Hij was er juist mede klaar, toen de baker het tijd vond,

om een einde aan hare visite te maken. Moeder deed haar uitgeleide tot

aan de achterdeur, waar Dik nog met groote voldoening naar de klompen

stond te kijken. De baker nam afscheid, bedankte voor de vriendelijke

ontvangst, en zeide, terwijl zij hare voeten in de klompen en dus

ook in het water stak:

"Kom Dikje, wees nu zoet en geef baker eens gauw een zoe.... O jakkes,

wat is dat? Mijne voeten worden nat! Zie eens, mijne klompen zijn vol

water! Dat heeft me die akelige jongen gedaan, die rakker, die schelm!"

Sneller dan ooit trok ze de klompen weer uit, maar--het was te

laat. Hare voeten waren sliknat, en Dikje-lief stond haar doodbedaard,

smerig en wel, met groote oogen en bolle wangen aan te staren, alsof

hij haar een groot pleizier had aangedaan. Zij vertrok zonder groeten,

met een gezicht, dat rood was van gramschap, en met kousen, waar bij

elken voetstap het water uitsijpelde.

Een paar dagen later had het gesneeuwd, en geen beetje ook. De

sneeuw lag wel een voet dik, en was hier en daar tot heele bergen

opgewaaid. Dik vond het prachtig. Zoodra hij gekleed was en ontbeten

had, ging hij naar buiten, wreef zich danig in, en sprong pardoes in

een van de grootste sneeuwhoopen, om daar eens naar hartelust in rond

te buitelen. Toen stond hij op, nam de beide handjes vol sneeuw,

ging naar binnen en legde den geheelen voorraad op de boterham,

die zijn vader bezig was op te eten.

"Daar!" zeide hij met verheugd gelaat.

"Wel, heb ik van mijn leven!" riep zijn vader. "'t Is toch een

bijzonder kind,--dat is-ie!" Hij schudde de sneeuw van zijn brood en

ging voort met eten.

Dik spoedde zich weer naar buiten. Ha, hoe genoot hij, toen hij

een twintigtal jongens elkander met sneeuwballen zag gooien, dat de

haren er bijna afvlogen; toen hij zag, hoe ze elkander in de sneeuw

wierpen en inwreven, en hoe ze hem met hunne sleetjes in dolle vaart

voorbijgleden. Fluks maakte hij zich van de kat meester en volgde

het voorbeeld der knapen, totdat poes in allerijl de vlucht nam,

wat hem zeer speet, vooral omdat hij er de reden niet van begrijpen

kon. Daar hij echter zag, dat het beest niet terug kwam, besloot hij

eene slede te maken. Hij vroeg Moeder om een touw, bond het eene einde

aan een plankje, nam het andere einde in de hand, en liep er zoo snel

als zijne kromme beentjes en zijn dikke buik hem dat veroorloofden,

het huis mede om. Die bezigheid beviel hem vrij goed, maar toen hij

na een poosje in de keuken kwam en daar een pasgeverfden kleerbak

zag staan, was de aardigheid van het plankje af. Dien bak vond hij

veel mooier en geschikter. Hij sleepte hem naar buiten, bond zijn

touwtje aan een der ooren, en--daar viel plotseling zijne aandacht

op een buitengewoon grooten hond, die doodbedaard vóór het huis op

den weg lag, met zijn neus in de sneeuw. Dik trok zijn bak er heen,

stak het touw door een lusje aan het losse einde, en deed het om den

staart van het groote beest, dat nog altoos rustig bleef liggen. Toen

ging hij zeer voldaan op den bak zitten, en riep:

"Huup paard!"

De hond hief bedaard zijn kop op en keek om, ten einde te zien, wie

zoo brutaal was, zijne rust te durven storen, doch ziende, dat hij

slechts met een klein kereltje te doen had, vond hij het geval niet

de moeite waard, om er zich voor op te richten. Hij legde daarom

zijn kop weer stilletjes in de sneeuw en kneep opnieuw zijne oogen

dicht. Dat was echter volstrekt de bedoeling van onzen Dik niet. Deze

wilde hem overeind en aan het loopen hebben; daarom schopte hij met

zijne kromme beentjes zoo hard hij kon tegen den bak, en riep nog eens:

"Huup paard!"

Doch de hond verroerde zich in het geheel niet. Hij bleef kalm

doorslapen. Nu nam Dik, die een eens gevormd plan niet gauw opgaf,

het touw en begon er aan te trekken, nogmaals roepende:

"Huup paard!"

Dat trekken beviel den hond bitter slecht, want daardoor werd de strik,

die om zijn staart zat, aangehaald en veroorzaakte hem tamelijk

veel pijn. Het dier stond op en begon te brommen. Dik liet zich

niet afschrikken. Hij rukte opnieuw aan het touw, en wel zoo hard,

dat de hond opsprong en het één, twee, drie op een loopen zette,

met den kleerbak achter zich. Dik sloeg van den schok achterover,

doch richtte zich dadelijk weer overeind en hield zich met beide

handen aan de kanten van den bak vast.

"Huup paard!" riep hij, terwijl hij vergenoegd naar den staart van

den hond keek, waar het touwtje al vaster en vaster omheen klemde. De

arme hond, die volstrekt niet begreep, wat dat vreemde toestel achter

hem beteekenen moest en maar al te goed bemerkte, dat het hem pijn

deed, vloog als een razende langs den weg, tot groot genoegen van

den kleinen Dik.

"Huup paard! Huup paard!"

Voort vloog het! De menschen, die het zonderlinge voertuig en den

kleinen koetsier met verbazing aangaapten, moesten in allerijl op zijde

springen, wilden zij den bak niet tegen de beenen krijgen. Plotseling

sprong er een man midden op den weg, om den hond tot staan te

brengen. Het was Diks vader, die vol angst over den afloop van dit

avontuur zijn zoontje had zien aankomen. Doch de hond, door den bak

en Dik gevolgd, kwam met zooveel kracht tegen hem aan, dat hij wel

twee meters ver door de sneeuw rolde. Het ging hoe langer hoe harder,

want de hond werd steeds angstiger, en trachtte door een snellen

loop dat wonderlijke gevaarte achter zich te ontvluchten. Dik vond

het heerlijk, zoo heerlijk dat hij het uitgierde van de pret. Toch

liep hij gevaar, dat het slecht met hem zou afloopen, want de bak

slingerde geducht heen en weer, en kon elk oogenblik tegen een boom

of een paal terecht komen. Maar Dik zag geen gevaar.

"Huup paard! Vooruit!" schreeuwde hij.

En voort ging het, in dollen galop. Daar stoof het de brug over,

nu den hoek om, en... krak, daar brak het touwtje! De hond vloog

vooruit, zonder dat hij zelf wist waarheen, en Dik bonsde met zijn

hoofd tegen een boom, dat hij er een blauwe plek van kreeg, zoo groot

als een stuiter.

Zijn vader was hem nagesneld en bereikte hem spoedig. Dik stond

teleurgesteld bij den bak, en keek met treurigen blik overal naar

den hond rond. Toen zijn vader bij hem kwam, zei Dik:

"Wat ging dat mooi. Waar is de hond?"

"Heb-je je niet bezeerd, Dik,--heb-je niet?"

Dik gaf geen antwoord. Daarom nam zijn vader hem en den bak op,

ging naar huis en zei tegen zijne vrouw, toen hij binnen kwam:

"'t Is toch een bijzonder kind, Griet,--dat is-ie."

VIJFDE HOOFDSTUK.

DIK ONDERGAAT EENE GEDAANTEVERWISSELING EN BLIJFT TOCH DEZELFDE.

Toen Dik ruim drie jaren oud was, achtte zijne moeder het oogenblik

gekomen, waarop hij de jurk uit- en de broek moest aantrekken. Bij

die gedaante-verwisseling liet hij dat eigenaardige gesnor hooren,

dat steeds getuigde van zijne bijzondere tevredenheid. Moeder, die

door hare liefde voor den kleinen dikzak niet zoo verblind was,

om te meenen, dat zijne kromme beentjes geschikt waren om zijne

schoonheid te verhoogen, had, om ze wat rechter te doen schijnen,

de pijpen heel wijd gemaakt, zoo wijd, dat een Volendammer visscher

er mede in zijn schik zou zijn geweest. Twee draagbanden, of galgen,

zooals Moeder ze noemde, zorgden er voor, dat hij zijne broek niet zou

verliezen. Een lakensche jas, gesneden uit een afdankertje van Vader,

bedekte dat gedeelte van zijn lichaam, dat tusschen hals en middel

gelegen was, terwijl twee korte slipjes, elk van een knoop voorzien,

van achteren nog eventjes over zijne broek neerhingen. Onder dat jasje

droeg hij een blauw geruit boezeroentje, en op zijn hoofd eene pet,

waarvan de klep gewoonlijk naar zijn rug wees.

Dik was met zijn nieuwe pak bijzonder in zijn schik. Zoodra hij het

aan had, stak hij zijne vuisten in zijne broekzakken, duwde ze zoover

mogelijk van zijne beenen af, om er maar erg breed uit te zien, trok

zijne klompen aan en stapte naar buiten. Hij was op dat oogenblik

uitermate trotsch. Onophoudelijk keek hij naar beneden, om zichzelf

te bewonderen, en daarbij nam hij stappen als een dragonder. Dat had

hij niet moeten doen, want daardoor merkte hij niet, voor het te

laat was, dat hij tegen een muur liep. Bom! Het kwam geducht aan;

hij kreeg er sterretjes van voor zijne oogen en eene blauwe plek,

die zijne schoonheid sterk verminderde, onder zijne pet. Gelukkig was

er niet dikwijls wat van te zien, want hij zette zijne pet nooit af,

dan als hij naar bed ging. Hij stond eenige oogenblikken beteuterd

te kijken, zette zijne pet weer goed, dat wil zeggen, met de klep

naar achteren, en wandelde toen den weg op. Daar stond bij een boom

een meisje, dat ongeveer van denzelfden leeftijd was als hij. Dik

liep naar haar toe en keek haar geruimen tijd strak aan, wat zij op

dezelfde wijze beantwoordde. Toen draaide hij met de handen in de

zakken langzaam om haar heen, ten einde haar goed aan alle zijden te

bekijken. De uitslag scheen bevredigend te zijn, want hij bleef weer

vóór haar stilstaan, zweeg nog eenigen tijd, en zeide toen:

"Dag."

Het kind gaf geen antwoord, maar stak den vinger in den mond en bleef

hem onbeweeglijk aankijken.

"'k Heb eene broek aan!" vervolgde Dik met trots.

"En ik heb suikerballetjes. Die heb jij niet, lekkertjes," was het

antwoord van de jonge dame, terwijl ze haar hoofd langzaam op en

neer bewoog.

"Laat eens zien? Zijn ze lekker?" vroeg Dik, die een liefhebber was

van alles, wat goed smaakte.

"Neen, ik houd ze zelf. Hoe heet jij?"

"Dik."

"Ik niet, ik ben Anneke."

"En waar zijn de suikerballetjes?" vroeg Dik, die er grooten trek

in had.

"In mijn zak, maar je krijgt ze niet."

"Laat ze eens zien? Ze zijn toch niet eens lekker," meende Dik.

Anneke tastte in den zak en liet den schat zien. Diks oogen blonken

van begeerigheid, en terwijl hij de hand uitstak, zeide hij:

"Ik wil ze hebben. Toe, dan mag je met me spelen."

Anneke vond dat aanbod nog al aannemelijk. Ze stak een balletje in

den mond, beet het in twee stukken, en gaf een ervan aan Dik, die

het dadelijk opat.

"Van wien heb je ze?" vroeg hij.

"Gekocht, dààr, voor een cent."

Dik volgde met zijne oogen de richting van haar vinger. Daarop stak hij

de handen weer in zijne zakken en ging regelrecht op den winkel af. Hij

stapte naar binnen, en zei tegen de vrouw, die achter de toonbank kwam:

"Voor twee centen suikerballetjes."

De vrouw nam een blikken trommel, deed het deksel eraf en legde een

tiental balletjes op de toonbank. Dik nam ze op, deed zijn mond zoover

open, alsof die nooit weer dicht moest, stak er eenige balletjes in, en

wilde met de rest doodbedaard den winkel verlaten, toen de vrouw zeide:

"Ho, ho, ventje, waar zijn de centen?"

"Centen?" vroeg Dik met een vollen mond en een tevreden uiterlijk.

"Ja, waar zijn je centen?"

"Ik heb geen centen, wel balletjes," zei Dik, die niet recht begreep,

wat zij bedoelde.

"Geef ze dan maar weer gauw terug, kwâjongen. Dat gaat zoo niet! Als

je wat koopen wilt, moet je centen meebrengen."

"O," zeide Dik, die haar nog maar half begreep.

Hij legde de rest van de balletjes weer op de toonbank en ging met

een vollen mond naar buiten, waar Anneke op hem stond te wachten. Uit

dankbaarheid nam hij een balletje uit zijn mond en gaf het haar. Van

toen af waren zij vriendjes en speelden altoos met elkander.

Een dag of wat later kwam Vader thuis met een paar groote snoeken. Hij

hielp aan het leggen van eene brug, en had met andere werklieden

een gedeelte van het breede kanaal, dat midden door het dorp liep,

droog gemaakt, bij welke gelegenheid de arbeiders vrij wat visch

hadden gevangen. Zoo was hij aan snoek gekomen. Hij legde ze in de

keuken neer en ging naar binnen. Dik vond de dieren heel mooi. Hij

streek er met zijne vingers over, trok aan hunne vinnen, en stak

ten slotte zijn wijsvinger in een van de wijdgeopende bekken. Maar

och, wat beviel hem dat slecht. Pas zat zijn vinger er in, of de bek

sloot zich en de tanden van het dier drongen hem aan alle kanten in

het vleesch. Hij schrikte er geducht van; zijne dikke wangen werden

zelfs bleek, en zeer zeker zou hij het op een schreeuwen gezet hebben,

indien hij van die bezigheid niet zoo 'n onoverwinnelijken afkeer had

gehad. Intusschen zat hij geducht in de knel. Hij begon het dier met

zijne vrije hand op den kop te slaan, in de meening, dat het hem dan

wel zou loslaten, doch het hielp niets, want he beest was al sedert

een paar uur dood, en voelde er dus bitter weinig van. Dik was ten

einde raad. Bewegen durfde hij zich niet, want elke beweging deed

hem pijn, zoodat hij er stellig nog zou gestaan hebben, indien zijne

ouders het niet bemerkt en hem verlost hadden.

"Waar wonen de snoeken?" vroeg hij, toen de eerste schrik wat

voorbij was.

"Waar de snoeken wonen, jongen," zei zijne moeder, "wel, ze zwemmen

in het water."

Dik stapte de deur uit, en ging Anneke halen.

"Ga-je meê snoeken vangen?"

"Ja, waar zijn ze?"

"In de sloot, achter het huis."

Welgemoed ging het tweetal op weg. Ze liepen den tuin door en kwamen

aan eene sloot, die ongeveer 2 meter breed was.

"Hier zijn ze," zei Dik, op het water wijzende. "Geef me eene hand."

"Ik niet. Vang jij ze maar, dan zal ik er op passen."

"Goed. Daar ga ik."

Dik zette één been vooruit, en stapte pardoes te water. Hij zakte

dadelijk een eind in de modder, zoodat het water hem tot aan de borst

kwam en in de ademhaling belemmerde.

"I-i-ik z-zie-ze ni-niet," stotterde hij.

"Ik ook niet," zei Anneke.

Dik stapte heen en weer, en greep met beide handen links en rechts

in het water, maar snoeken ving hij niet. Juist wilde hij zich wat

verder in de sloot begeven, toen zijn vader hem kwam zoeken, om te

komen eten. Toen hij Dik daar door de sloot zag wandelen, kon hij

van schrik bijna niet spreken. Hij liep naar den kant, zwaaide met

beide armen wanhopig in het rond, en riep:

"Dik, wat-wat doe je, w-wa-wat moet dat? Kom h-hi-hier, jongen,

je-zult-je verdrinken--dat zul-je. Kom gauw!"

"Ik vang snoeken!" zei Dik, naar den kant stappende. Vader greep hem

bij de hand en hielp hem op het droge. Toen trok hij hem voort naar

huis, en riep tegen zijne vrouw:

"Griet, 't is toch een bijzonder kind,--dat is-ie." Dik werd uitgekleed

en te bed gelegd.

ZESDE HOOFDSTUK.

HOE DIK UIT VAREN GING.

Dik werd met den dag ouder, dikker en ondeugender. Dat hij ouder werd,

kon niemand helpen; dat hij dikker werd, was de schuld van zijne

moeder, die hem altoos reusachtig groote boterhammen liet opeten,

en dat hij ondeugender werd, was de schuld van zijn vader en moeder

samen. De laatste hield dolveel van haar dikken jongen, zoo veel,

dat zij hem in alles toegaf, hem nooit iets verbood, en, pakte een of

ander verkeerd met hem uit, hem nog voorsprak en beklaagde op den koop

toe. 't Was dus geen wonder, dat hij met den dag ondeugender werd en,

zooals de menschen zeiden, opgroeide voor galg en rad. Zijn vader

hield ook veel van hem, maar de man sprak geen tien woorden op een

dag en vond alles, wat Dik deed, heel mooi. Waarschuwden de menschen

hem er soms al eens voor, dat het nooit goed met Dik zou afloopen,

dan haalde hij de schouders slechts op, en zeide:

"Och ja, wat zal ik er al aan doen; 't is een bijzonder kind,--dat

is-ie."

Toen Dikje vier jaar oud was, had hij wel al tienmaal in het water

gelegen, en tweemaal was hij er zelfs bewusteloos uitgehaald. Eénmaal

was hij van het dak gevallen, waarop hij geklommen was om vogeltjes te

vangen. Hij had een beetje zout in de hand, om hun dat op den staart te

leggen en ze dan te grijpen. Dat had de molenaar hem wijs gemaakt. Bij

die gelegenheid had hij een beentje en een ribje gebroken. Tweemaal had

hij een steentje in zijn neus gestopt, en wel zoo diep, dat hij het

er niet meer uit kon krijgen. Hij had er niets van gezegd, maar toen

zijn neus begon op te zetten en eindelijk zelfs eene onrustbarende

grootte kreeg, zoodat de dokter bijna niet wist, wat hij er aan doen

zou, en alle drankjes en pillen niet hielpen, zei hij:

"Er zit een steen in."

En het was maar goed ook, dat hij het zeide, want anders zou hij

zijn neus waarschijnlijk kwijt geraakt zijn, daar de dokter al over

eene operatie begon te spreken. Nu was die gelukkig niet noodig. De

dokter haalde met een tangetje het steentje er uit, en weldra was de

neus weer tot zijne gewone grootte teruggekeerd.

Driemaal was hij overreden geworden. Eens door een gewoon rijtuig,

waarvan een wiel hem over den linkerarm ging, hetgeen hem veel pijn

deed en ten gevolge had, dat hij dien arm drie weken lang in een

doek moest dragen,--eens door eene hondenkar, waar hij lachend onder

vandaan kroop, en eens door een draaiorgel, waaronder hij was gaan

liggen om het beest te zien, dat er, naar zijne meening, inzat en dat

zoo verbazend schreeuwen kon, als de man aan zijn poot draaide. Hij

zag namelijk den slinger van het orgel voor den poot van een dier aan,

dat er in opgesloten was.

Dikje was dus een tamelijk woelige jongen, die zijne goede moeder

dikwijls veel last veroorzaakte en haar soms door zijne gevaarlijke

ondernemingen het angstzweet deed uitbreken.

Op zekeren dag had zij het verbazend druk, want zij moest de groote

wasch doen. Het liep haar echter volstrekt niet mede. Eerst kon ze,

wat ze ook deed, geen groot vuur krijgen. De schoorsteen wilde in

het geheel maar niet trekken, en toen daar verbetering in kwam, en ze

gauw de kopjes ging wasschen, terwijl het water dan vast aan de kook

kon gaan, brak zij door te groote haast haar mooien koffiepot, wat

haar zeer speet. Eindelijk was haar werk af en kon ze aan de wasch

beginnen. Ze spoedde zich naar de keuken, maar, o wee, het water

was nog maar ternauwernood warm. Dikje was binnen gekomen, en toen

hij het groote vuur had gezien, was hij er telkens een kopje water

op gaan gooien, omdat het dan zoo mooi siste. Maar daardoor was het

groote vuur al kleiner geworden en eindelijk geheel uitgedoofd. Dik

zat op eene stoof vóór den haard trouw te wachten, tot het weer aan

zou gaan, om dan zijn spelletje voort te zetten.

"Akelige jongen," riep zijne moeder, met tranen van spijt in de oogen,

"wat heb je nu weer gedaan? Nu kan ik nog in geen uur aan de wasch

beginnen!"

"'t Ging sss-sss-sss," zei Dik. "'t Ging mooi."

"Zoo, ging het mooi! Ga maar gauw naar buiten; je komt vooreerst niet

weer binnen, hoor je. Voort, gauw!"

Dik stapte naar buiten. De goede jongen begreep zeer goed, dat hij

het verbruid had, en toch had hij het niet met eene kwade bedoeling

gedaan. Daarvoor hield hij te veel van zijne moeder.

Een beetje mistroostig ging hij naar Anneke, die een paar huizen

verder woonde, en toen hij vijf minuten met haar gespeeld had, was

hij het geval al weer vergeten. Hij bleef bij haar, tot zijne maag hem

niet onduidelijk te kennen gaf, dat het tijd was, om zijn middagmaal

te gaan gebruiken. Hij nam daarom op zijne gewone wijze afscheid,

dat wil zeggen, zonder groeten, en begaf zich op weg naar huis. Toch

duurde het nog een geruimen tijd, eer hij werkelijk thuis kwam. Langs

den weg, dien hij volgde, liep een breed kanaal, dat evenwel niet

zoo diep was als de breedte wel deed vermoeden. Vóór Diks huis was

aan den oever eene houten stoep getimmerd, waarvan Moeder gebruik

maakte, als zij wat te spoelen of te wasschen had. Dik zag nu, dat

eene groote waschtobbe met een touwtje aan die stoep vastgemaakt was

en in het water dreef. Waartoe dat diende, begreep hij niet, maar hij

zag wel, dat het de tobbe van zijne moeder was. Hij besloot, de tobbe

van naderbij te gaan bekijken, doch dat was gemakkelijker gezegd dan

gedaan, want het water stond vrij laag en de kant was zeer steil. Nu

was niets moeielijker voor onzen Dik, dan in een boom klimmen of van

eene helling afklauteren, want bij het klimmen zat zijn dikke buik

hem in den weg, en voor het dalen was hij te topzwaar. Hij deed dan

ook nauwelijks een paar stappen naar beneden, of hij verloor zijn

evenwicht en tuimelde hals over kop naar beneden, terwijl hij zich

al vallende verdiepte in allerlei gissingen, waar hij nu toch wel

terecht zou komen. Dat pakte echter beter uit, dan hij had kunnen

denken. Drie vierde van zijn lichaam viel op de stoep, en de rest,

zijn linkerbeen, in het water. Hij was dan ook uitermate tevreden over

den afloop en haastte zich, het natte vierdepartje ook op de stoep te

trekken. Toen rolde hij zich op zijn buik en begon zich met de tobbe te

vermaken. Het touwtje, waaraan deze bevestigd was, was tamelijk lang,

zoodat Dik haar beurtelings van den kant duwen en naar zich toehalen

kon. Soms pakte hij haar bij het oor en drukte haar met kracht naar

beneden, zoodat zij bijna water schepte. Eindelijk trok hij haar zoo

dicht mogelijk naar de stoep, en liet zich er in glijden. De vracht

was wel wat zwaar voor de tobbe, zoodat zij eerst een poos geweldig

heen en weer schommelde, maar zij bleef toch drijven. Nu had Dik

eerst recht veel pleizier. Wel twintigmaal stuurde hij het kanaal in,

zoover het touwtje reikte, en dan trok hij zich bedaard naar de stoep

terug, om een oogenblik later weer van wal te steken. Dat spelletje

duurde zoo lang, tot het touwtje brak, en Dikje met zijne tobbe,

zonder dralen, naar het midden van het kanaal dreef. De wind had

juist dezelfde richting als het kanaal, zoodat hij ongeveer in het

midden van het water bleef voortdrijven. Zijn breed bovenlijf en

zijne dikke wangen deden dienst als zeilen. Vlug ging het wel niet,

maar Dik vond het toch alleraardigst. Dit onverwachte zeiltochtje

was een buitenkansje, waarop hij niet had durven hopen, en zijne

oogen straalden dan ook van genot. Hij bleef gelukkig rustig zitten,

want had hij dat niet gedaan, dan zou zijn vaartuig zeker omgeslagen

en hijzelf, zoo dik als hij was, verdronken zijn.

Intusschen zaten zijne ouders op hem te wachten met het middagmaal,

want, hoe uithuizig hij anders ook was, met het eten zorgde hij

altoos binnen te zijn. Hij begon gewoonlijk het eerst en hield het

laatst op. Ditmaal liet hij zich, vreemd genoeg, wachten, zoodat

zijne moeder ten laatste zei:

"Waar zou onze Dik toch zitten?"

"Ik weet het niet, vrouw,--dat doe ik."

"Hij komt anders altoos om twaalf uur thuis. Ik begrijp er niets

van. Ik zal eens eventjes op den weg gaan zien."

Vlug liep ze de deur uit en keek overal rond, behalve naar het

water. Ze zag hem dus nergens.

"Dik, eten!" riep ze, zoo hard als haar mogelijk was. Geen antwoord

volgde.

"Dik! Di-i-i-k! Waar zou die jongen nu toch weer zitten? Hij zal toch

niet in het water liggen?"

Haastig liep ze naar de stoep, en ze verschoot van kleur, toen ze zag,

dat de tobbe verdwenen was, welk feit ze dadelijk met het wegblijven

van Dik in verband bracht. Pijlsnel volgden hare oogen de richting

van het water, en--daar ontwaarde ze tot hare groote ontzetting de

verloren tobbe en daarin haar verloren zoon. Ze stak beide armen in

de hoogte en gaf een schreeuw, die haar man deed opspringen en naar

buiten snellen. Ook de buren kwamen toeschieten.

"Griet, wat doe-je? Wat is er?" vroeg Jan Trom.

"O, dáár! Kijk eens, midden in het kanaal!"

Aller oogen vestigden zich op den kleinen deugniet, die voortging

met zich uitstekend te vermaken.

"Jan, blijf daar toch niet staan! Aanstonds slaat de tobbe om, en

dan verdrinkt hij. Gauw, ga hem halen!"

"Ja vrouw, zie je, ik wil wel, zie je, maar...."

"Allo Jan, zeur nu niet, maar haal hem. Gauw wat!"

"Ja Griet, zie je, maar hoe? Ik wil hem wel halen,--dat wil ik,

maar...."

"Nu, doe het dan, schielijk! Haal gauw het bootje van Teun, den

visscher. Toe, maak voort, want aanstonds drijft hij onder de brug,

en dan is het te laat."

"Teun is niet thuis, vrouw Trom, en zijn bootje ook niet," zeiden

de buren.

"O, hemel!" schreeuwde Griet opeens, "daar gaat hij nog schommelen

ook! Jan, te water, toe dan toch, ga hem halen. Gauw wat, er

in! Vooruit dan!"

"Ja vrouw, zie je, maar het water is zoo nat,--dat is het, weet je."

"Nat? Vooruit, te water, ga hem halen! Kijk me nu dien bengel

eens. Jan, zul-je gaan?"

Griet nam een kort besluit. Ze greep Jan bij den arm en duwde hem

rechtuit het water in, en toen hij er eenmaal in was, stapte hij

hijgende en hikkende op de tobbe los. Daar had hij haar bereikt. Hij

nam Dik er uit, gaf de tobbe een duw, die haar naar den kant deed

drijven, en sukkelde weer naar den oever. Bijna had hij dien bereikt,

toen hij onverwachts in een gat trapte, en plotseling met Dik onder

water verdween.

"O, hemel!" gilde Griet. "Ze verdrinken!"

Doch neen, na enkele oogenblikken kwam Jan, met Dik in zijne armen,

weer boven, terwijl ze beiden voortdurend de oogen dichtknepen van

het water, dat van hun hoofd afstroomde. Jan reikte zijn zoon over aan

zijne vrouw, en zeide hikkende, terwijl hij den hoogen kant opkroop:

"Grie-iet, (hik), 't is to-toch (hik) een bij-bijzonder (hik)

kind,--dat (hik) dat is-ie!"

ZEVENDE HOOFDSTUK.

DIK GAAT NAAR SCHOOL.

Op den achtsten Februari was Dik zes jaar geworden, en op den

eenendertigsten Maart daaraanvolgende stapte Jan Trom de kamer van

den hoofdonderwijzer binnen, om dien te vragen, of zijn zoon den

volgenden morgen op school zou kunnen komen.

"Goeden avond, meester."

"Goeden avond, Trom. Hoe gaat het? Ga zitten."

Jan Trom nam plaats op de punt van een stoel, en begon verlegen aan

zijne vlassige bakkebaardjes te plukken.

"'t Is mooi weertje, niet waar?" vervolgde de meester.

"Ja meester, 't is mooi weertje,--dat is het," zeide Trom.

"En wat is er van uw dienst?"

"Van mijn dienst? Niets, niemendal, meester. Ik wou u maar komen

vragen, en dat wou ik, ziet u, of.... affijn, ziet u, of Dik morgen

op school mag komen, ziet u."

"Dik? Wie is dat?"

"Jawel, hij is dik, ziet u,--dat is-ie."

"Zoo, dat doet me genoegen. Maar ik bedoel eigenlijk, of het een kind

van u is?"

"Jawel, ziet u, 't is onze Dik,--dat is-ie."

"Mooi, nu begrijp ik het. Dus zijn naam is Dik Trom?"

"Jawel, meester, hij heet Dik Trom,--dat doet-ie."

"U hebt den jongen toch een zonderlingen naam gegeven, dunkt me. Is

hij zoo gedoopt ook?"

"Neen meester, dat niet. Hij is Dirk gedoopt--dat is-ie."

"O, dus hij heet eigenlijk Dirk Trom? Nu ben ik er."

"Ja, meester."

"En is hij gevaccineerd?"

"Neen meester, gevekseleerd, dat geloof ik niet, maar hij is anders

een bijzonder kind,--dat is-ie."

"Is hij niet gevaccineerd? Maar Trom, dan kan hij niet op school

komen. Dan mag ik hem niet aannemen."

"Zoo meester, dat is een gekke boel,--dat is het. Het zal Griet ook

erg spijten,--dat zal het."

"Ja, het spijt mij ook. Of heeft hij soms de pokken gehad?"

"Ja, meester, dat wel, koepokken, en groote ook. Hij had er op elken

arm drie, dat had-ie."

"O, dus hij is wèl ingeënt?" riep de meester, die moeite had om niet

in lachen uit te barsten.

"Ja meester, dat is hij wel en dat is-ie. Hier heb ik zijn

pokkenbriefje."

"Zoo Trom, dan is het geheel in orde. Stuur hem dan morgen maar."

"Goed meester, asjeblief."

Uit het leven van Dik Trom · 第 1 / 8 段