--Ho, 'k ben hier ook thuis; ik wacht hier de schapen, lachte Sjob. Men

kan overal wel zijn waar men 't wel maakt. In den tijde verlangde en

haakte ik om weer te keeren telkens de boel hier áf was, maar da's

allemaal zot: ginder is het lijk hier, overal slecht en kwaad om leven.

--En dat meisje, waarmeê ge hier kaartspeelt? waagde Wies verlegen.

--Ha! da's mijn Aga, mijn kleine Aga. Wies keek dom op en verstond

niet.

--Ha! Sjob was een neerstige wroeter, moet-je weten: een wroeter.--Kent

ge Mele, mijn wijf? wel, ik en Mele, we kweekten elf jongens, elf

jongens die aten lijk wolven en toch bleven ze altijd even mager. Sjob

moest het ook al bijsleuren en 't waren geen vette brokken, hoor. Met

werken alleen ging het niet: 's winters moesten ze wel soms de duimen

zuigen en hout knabbelen om den honger te paaien;--maar 's zomers was

't goed, de jongens scharrelden wat bij op 't land en ik reisde uit

gaan pikken om de groote daghuur: Mele moest dan alleen het nest

bezorgen tot ik weerkeerde..., ho! dan viel er wat overschot voor

een pot schuimend bier! 't Was heel hard gewonnen en gauw verteerd,

maar daarom en waren ze mij thuis niet dankelijk; de jongens staken

den muil op naar vader, en Mele had bij mijn wegzijn kennis gehouden

met Koolie den boomsnoeier,--dat wist ik van de gebuurs--en als ik

het waar vond wat ze mij zegden, ben ik in toorn geschoten, heb haar

duchtig gestampt om haar zondig begaan en ben zonder spreken voor goed

naar hier gekeerd. Hij deed alsof zijn vertelsel uit was, reikte naar

de lantaarn en stond recht, maar eer te vertrekken grommelde hij:

--Dan heb ik gekennist met een nieuw wijf, hier in 't hof--en die is

dood en heeft me Aga achtergelaten. Nu wacht ik hier de schapen in

mijn eenigheid.

Sjob daalde met zijne lantaarn de ladder af en Wies lag alleen in

't donker te zinnen over al het onverwachte dat even een spookzeisel

door zijn hoofd speelde.

's Anderendaags bij 't werk, vervolgden hem gedurig die twee wezens

van den donkeren haverdilte, en over 't hof lonkte hij benieuwd rond

om ievers die wondere Aga te zien. Bij schofttijd doorliep hij de

stallen en hoving en keuken overal waar hij meende meiden te kunnen

ontmoeten, maar nievers vond hij de gezochte. Als 't donker werd

sloop hij weer naar de schuur en klom op den havertas,--daar ook

was nu niemand. Hij lag er en wachtte tot het heel laat werd en nog

moest hij naar zijn strootent zonder Sjob of Aga te zien. Zoo kwam

hij veel avonden kijken, maar de kaartspelers waren voor goed weg. Op

't einde ging hij 's avonds in de andere schuren zoeken en 't gelukte

dat hij hen vond zitten op eenen hooitas achter 't hof.

--Zie, Aga, da's een jongen uit mijne streek, zegde Sjob.

Het meisje draaide de oogen naar hem en daarna deed ze voort met haar

spel zonder iets te zeggen.

Wies merkte dat Aga heur vanavond buitengewoon geweld aandeed om

kalm haar spel te spelen. Sjob was blijgeestig, sloeg de kaarten met

groot geweld en had langen tijd goede kans. Achter dat hij eene rei

schreefjes in zijn voordeel geveegd had, zag Wies hoe Aga heur arm

pakje losdeed en een klein geldbeugelken uithaalde dat op haar borst

gedoken zat; zij telde er eenige stukken uit die Sjob gretig opsnapte

en wegborg. In 't vervolg verloor Aga gestadig en het meisje telde al

heur centen voor den oude uit. Op 't laatst werd zij te beven over

heel haar lijf en heur oogen keken drukkelijk en smeekend naar Sjob

die er niets af merkte en altijd maar met blij geweld zijn gelukkige

kaarten bleef uittamboeren. Wies kreeg medelijden met Aga en zou

haar uit alle macht geholpen hebben, maar hij vreesde heur vader

te misdoen die hem misschien met kwaadheid zou wegjagen. Dien avond

speelden zij zoolang dat Wies erbij in slaap viel en 's morgens eerst

gewaar werd dat hij alleen op den hooidilte lag. Hij vroeg aan de

pikkers naar uitleg over Sjob Subbel maar de kerels die hem kenden,

haalden misachtend de schouders en mommelden op al zijn vragen:

--Wel Subbel is een oude dronkaard.

Van Aga durfde Wies hun niet spreken.

Door het vlugge handwerk groeiden de schelven hoog en stonden weldra in

zware, ronde strootorens, machtig, groot, in vierdubbele rei gedreefd

van 't veld tot aan de hofstede toe, elk met een meitak in top.

Wat Wies ook al zocht de volgende dagen, hij vond Sjob of zijn

dochter nievers meer kaarten 's avonds. Binst het werk zag hij Aga

twee drie keeren van ver, dat ze traag, droomend over 't hof ging,

maar hij kon er niet bij geraken.

--Ik ben een subbedut me met dat spel op te houden, besloot hij

eindelijk, en bleef bij de makkers en dacht aan de zaak niet meer.

--'t Werk is afgekort, zegde Krauwel tegen de pikkers, we kunnen al

stil ons goed opkramen. We zullen vroeg ons dorp weerzien dees jaar.

Als de laatste schelf volbouwd was riep de meesterknecht hen in de

groote kamer bij Quélin en daar kwamen de groote gasten aan eene

tafel die glad vol opengetelde zilvermunt lag. De boer drukte hen éen

voor éen de hand lijk oude vrienden en wenschte hen geluk en blijde

thuiskomst met hun geld.

Ze waren nu rijk, onzeggelijk rijk! en zij liepen als verblijde jongens

naar buiten vlug over 't hof, staken de armen in de lucht en gingen

welgemoed aan 't poetsen van kleeren en alm. Zij zetten zich neer,

bijeen, in hunne tent en telden de groote zilverstukken in den schoot,

lieten ze rinkelend door de handen glijden en bespraken onder malkaar

wat ze met al hun geld zouden koopen thuis.

Tegen den middag stonden zij weer in hun wijde vloeren broek en

blauwen kiel en gingen voor de leute, een laatsten keer gaan vieren

naar 't dorp. Ze zouden eerst 's anderendaags in de vroegte vertrekken.

Wies wilde nu ook van 't verzet en hij trok welgezind mede met de

bende. Zijn groote wensch stond nu om voldaan te worden: als de zon

weer uit zat zou hij op weg zijn naar huis; dat overweldigde hem van

vreugde. Onderweg zong en loech hij met de vrienden.

't Was maar zelden--tusschen eene vlaag van genot--dat hij het wee

voelde om den armen Rik en de herinnering aan de zachtzinnige Aga. Om

die twee dingen zou het hem wel spijten hier weg te gaan;--maar

Rommelaere's orgel trok weer lustig en de pikkers waren verheugd

van zin: leve de goede wijn! de leute droegen zij in groote, ronde

zilverpenningen op het hert.

--Daar was geen opmaken of verteren aan, zoo dachten zij. Al de

kroegjes liepen zij af, ze mieken er blijde kennis met andere pikkers

die ook den aftocht vierden, zongen overal hun liedjes en hieven de

glazen hoog. Al de menschen waren hun goede vrienden.

--Baas, schenk de glazen vol. Elkendeen moest meedrinken op hunne

gezondheid.

--Tikt de roemers dat ze bersten! hoeveel is de schuld?! Daar is geld,

moet g'er nog meer hebben? Rijker dan de koning zijn we! en we laten

't rollen!

't Koorn is af! 't koorn is af!

Al het koorn is af!

De huizen begonnen te draaien in de straten waar zij doorgingen

en al de menschen die voorbij kwamen hadden den waggelstap. 't Was

donkernacht als z'er aan dachten naar 't hof te keeren.

Zij hielden malkaar recht bij het lijf, lieten het hoofd wellustig

achterover vallen, sloegen de beenen op en stampten met de zware

schoenen om de straatsteenen te gruizelen.

Wij zijn gezworen kameraden....

. . . . . . . . . . . . .

zongen zij hier in een bende;

Jongens jongens, jongens,

We zijn nog niet dood,

bijlange nog niet dood,

't en is geen nood,

Ja, we zijn nog niet dood!

ging het verder; en ginder in een ander straat, de achterblijvers:

't Koorn is af, 't koorn is àf!

Al het koorn is àf!

en daar tusschenin het zoefzagen op alle tonen van Rommelaere's

trekorgel. Zij gerochten met moeite in hun slaapstee en vielen er

vermoeid, lamzat op hun stroo. Hun heesche kelen schreeuwden nog wat

en als 't uit was, woelden zij met armen en beenen tot de slaap hen

kwam overmeesteren.

--De laatste nacht hier in 't donker kot, in 't vreemde land! morgen

opweg, overmorgen thuis, ging het door Wies zijnen dronken kop. Dan

raasden er nog wat verwarde dingen waar hij geen draad meer aan vond

en dan dommelde hij weg in foezelzwarten nacht.

De groote stilte hing weer over 't hof en 't wijde land rondom en

alle dingen sliepen.

Dat leed vrij lang toen Wies aan 't droomen ging: hij lag wakker met de

oogen open en luisterde naar lichte stappen die naderden. Hij ontgaf

het zich toen hij weer duidelijk voelde ritselen in 't stroo aan zijn

voeteind en dan trok hij de moede wimpers open om te kijken. En--ja,

daar lichtte een klein keersvlammeken bij de tentedeur. Hij betastte

zijn lijf om te weten of hij wel droomde, hij greep in 't stroo onder

zich maar kon het toch niet uitmaken. Als hij het hoofd rechtte zag

hij Aga die een lichtje droeg en man voor man in het wezen ging te

kijken. Zij overging heel de reek en toen ze Wies eindelijk vond,

zette zij zich gehurkt bij hem neder. Hij was te moede en te lam

om dat wonderlijk of vreemd te vinden en hij liet alles maar vrij

geworden omdat 't allemaal zotte droomerijen waren, zoo dacht hij.

Aga neigde heur mond bij zijn oor en fluisterde:

Wek haastig uwe makkers, en vertrekt van hier! van den nacht

nog,--seffens komen er mannen al uw geld stelen, 'k Heb de dieven

afgeluisterd in vaders hooischuur.

Zij stond recht en stokstijf verdween zij in de duisternis. Wies keek

hoe het lanteernlichtje slingerde tegen 't zwartsel van Aga's kleeren.

Hij had heur niet bedankt, geen woord, en hij lag daar te houden

aan zijn zinnen en te vechten tegen den vaak die zijnen kop met

geweld naar beneden duwde. Op 't einde begon hij te twijfelen aan

't gebeurde, 't dacht hem eene eeuw geleden dat Aga hem van dieven

sprak en onmogelijk dat er iets kon voorvallen in de machtige stilte

toen alles dood en begraven lag in slaap.

Gedwongen toch door die vermaning van Aga, greep hij doezelend naar

zijne geldbeurs, stropte ze over het hoofd en dook ze in een put dien

hij met de nagels in het zand klauwde.

--De makkers wekken, dacht hij, ze slapen, 't is donker, dat werd

zoo dom, en zijn zinnen voeren weg in de opperste rust.

Korts daarna schoot hij werkelijk wakker door een grooten schreeuw. Een

kerel trapte hem op de beenen en door heel de tent was er groot gewoel

en geraas. De pikkers vloekten en vochten in 't donker.

--Ei, 'k ben mijn geld gestolen! riep er een.

--Hier, sloeber, ik nijp u de lenden af!

--Slaat dood!

De vuisten bonsden en nood- en gilkreten gingen overal. De worsteling

woedde vreeselijk, de slagen vielen blindelings en elk vluchtte en

riep om hulp.

--Ha, ze zouden ons geld rooven, de deugnieten! tierde Boele. Ik houd

er één, kerels, en hij gaat niet levend uit mijne handen!

--Ik ook, riep Kretse, waar is uw wezen, dat ik het in gruis

sla! hier! en de kletsen vlogen den ongekenden aanrander in 't opene

aangezicht.

Maar de dieven waren vlug als palingen en de donkerte hielp hen

ongemerkt wegvluchten.

--'k Ben gesteken! schreeuwde Sieper, hei, makkers, hulpe, ze

vermoorden ons!

Elkeen die kon sprong recht, anderen lagen te spartelen overeen op den

grond en de verwarring groeide vreeselijk. Zij sloegen en stampten waar

't raken wilde en kwetsten elkaar zonder weten.

--Hier mijn pikke! tierde Krauwel, we zullen hen leeren!

--Hei, kerel, hier, en Boele omgreep er een tweede in de leden.

--Maar, sakker, nijp me niet dood, kermde Sneyer, 't is God van den

hemel, mij dat ge houdt! Al de dieven waren gevlucht en de pikkers

lagen ondereen te razen en sloegen elkaar in hun blinde woede.

Als 't klaar werd zaten ze daar, geblutst en bebloed, in de vuisten

te bijten van gramschap zonder speur van een enkelen roover.

--Ik ben al mijn geld kwijt, kermde Rommelaere.

--Ik ook, ik ook, riepen anderen.

Zij kwamen buiten kijken en gingen hunnen nood klagen op d'hofsteê,

maar zij liepen allemaal tegen gesloten deuren; Quélin was vroeg

uitgereden en de meesterknecht wist niets om hen te troosten.

--Het zijn vreemde roovers, die wisten dat ge geld hadt, wend u tot

de overheid van 't dorp.

De pikkers schokschouderden en wilden den kerel hun vuist in 't wezen

slaan, maar Krauwel hield hen tegen en maande hen braaf te zijn: omdat

we hier alleene zonder verweer staan tegen heel het hof, raadde hij.

Ze dreigden nog en vloekten en gingen hun baalzakken halen uit de

tent om aanstonds te vertrekken.

Wies vond zijn beurzeken ongedeerd onder 't zand terug en de jongen

wandelde zwaarmoedig over 't hof. Hij lanterde tusschen stalling en

schuren besluiteloos en met groote begeerte iemand te vinden.

--Ik moet Aga zien, dacht hij, eer ik hier weg kan. Sedert de

gebeurtenissen van den verleden nacht verlangde hij lijk zot nog eens

te spreken tegen dat rilde mager meisje; heur beeld betooverde hem al

heel den morgen: dat nuchter hoofd zoo rond op dien langen, dunnen

hals, en heur lijf zoo recht gedragen, halfuitgegroeid nog en slank

in heur korte kleeren, en die kinderoogen. die zoo vaag in de verte

keken. Hij dook zich achter den huisgevel en wachtte daar geduldig tot

hij haar zou zien uitkomen. 't Was een gedurig over en weer geloop

van meiden op de hooge steenen stoep, zij droegen de koperen ketels

vol dampwarme melk binnen en kwamen weer buiten met ander gerief.

En achterna kwam toch de verwachte Aga naar buiten; hij zag hoe zij

traag voortwandelde zonder naar iemand om te zien, de handen op den

rug, kinderlijk statig als een sprookjesvorstin, zoo naderde zij

met tragen tred naar den boomgaard toe. Als zij lang weg was, sloop

Wies achter de stallen, hij hief het loshangend hekkenpoortje open,

loerde tusschen de boomlanen en vond haar in 't grasweidje onder de

hazelaars. Ze zat op de knieën gehurkt en blies de bloeiwol van een

melkwiedstaal, lijk de jongens die tellen hoeveel jaren ze nog te

leven hebben. Wies bleef haar bezien zonder te durven naderen. Zij

zal wegvluchten, vreesde hij, als ze mij ziet.

En ze zat daar zoo schoon dat 't hem in lang nog niet verdroten zou

hebben, te blijven kijken. Hij verzinde hoe hij 't best zou beleggen

om haar schuchterheid niet te vervaren.

Hij naderde stil en eer ze hem al gezien had:

--Aga, fluisterde hij.

Ze wendde het hoofd, en bleef zitten.

Wies stond ineens verbluft en vond niets meer te zeggen en eindelijk:

--Aga, zegde hij nog eens.

Aga blies onbekommerd heur wiedbloemke tot zij de knop heel kaal in

de hand hield. Dan liet zij hem vallen en keek vragend naar Wies wat

hij haar mocht te zeggen hebben.

--Aga, g'hebt mij gister komen vermanen voor de dieven, da's heel goed,

zegde hij ingehouden, maar 'k was zoo moe en slaperig en 'k meende dat

't in een goeden droom was als ge tot mij kwaamt.

Ze lette niet om zijn woorden, plooide heur hertronde lippen open en:

--Ge komt uit het land van mijn vader? vroeg zij, vertel me daar

iets van? en zij liet zich om goed te luisteren, gemakkelijk op het

gras neerzinken.

Wies bleef halfverlegen staan maar er ging een onzeggelijke welligheid

door zijn hert en hij jubelde inwendig om haar goedwillend vragen. Hij

vertelde van zijn huis en de Schelde en de groote meerschen, en van

moeder en van Lida zijn zuster en van de boeren ginder en 't goede

wintertij en van Rik zijn besten vriend--die nu dood is, besloot

hij triestig en hij merkte hoe 't meisje hem aan de lippen hing en

gezucht had om zijn laatste zeggen. Hij moest haar alles vertellen

over den jongen die de zon hier vermoord had.

--Leeft zijn moeder nog? vroeg Aga.

--Ja zeker.

--En nu verlangt ze om hem te zien? heeft hij nog zusters? en Lida,

ziet ze hem geern, en verlangt ze ook tot hij naar huis komt?

--Zeker, herzei Wies.

--En nu komt hij niet naar huis, en ge zult hun al dat kwade nieuws

vermonden?

Wies zweeg, en zij ook.

Daarna begon zij stil te vertellen uit haar eigen leven; dat ze hier

alleen met heur vader woonde, binst den dag verdoold over dat groot hof

liep, tusschen al die onbekende menschen, en de ganzen wachtte. Ze

noemde hem al heur witte vogels bij den naam en wist van elk in

't bijzonder veel en wondere dingen te vertellen.

--Waarom gaat ge zoo 's nachts bij uw vader zitten? vroeg Wies.

--Vader heeft het ook eenig bij zijn schapen en 's avonds speelt hij

geern met de kaart.

--Doet ge dat ook geern, Aga?

--Om vaders wil, ja.

--En om wat speelt ge?

--Om geld.

--En vader wint altijd?

--Ik laat hem geern winnen.

--En als gij verliest?

--Dan betaal ik,--met mijn huurgeld.

--En als uw vader verliest?

--Vader betaalt nooit want hij heeft geen geld; dan hou' ik de winste

schuldig tot ik weer verlies.

--En als ge plat gespeeld zijt en niets hebt om te betalen?

--Dan spelen wij voor dulsten; als ik win zoo scheld ik vader

kwijt,--ik durf hem niet slaan,--maar als ik verlies slaat hij

me vrij hard omdat ik anders al mijn geld zou houden, zegt hij,

en altijd voor dulsten spelen.

--En wat doet uw vader met dat geld?

Aga bezag hem goedloos maar wilde niet antwoorden. Het meisje vertelde

hem verder van zijn moeder en van Quélin en van eenen kwaden koewachter

die haar veel deed lijden en die alles doen dorst omdat hij haar te

sterk was.

Wies zat nog altijd te luisteren als Aga reeds lang uitgekout was. Er

ging eene groote verontweerdiging in hem op om de schandige doenwijze

van Subbel en hij voelde meêlijden met het arm schaap dat daar in zoo

'n schamele weerloosheid vóor hem zat.

Ineens, zonder dubben of overleg, snokte hij de geldbeurs van zijn hals

en liet er eenige zilvermunt rinkelend in Aga's schoot regenen. Dan

stormde hij weg, zonder ommezien, als een kwaaddoener. Hij jubelde

om de daad die hij begaan had. "Nu kan zij toch lang verliezen zonder

dulsten te krijgen van haar vader," dacht hij.

--Verdoemde Sjob Subbel, vloekte hij, altijd in zijn loopen, die dat

meisje slaat als ze hem geen geld laat winnen! en dat verdrinkt hij

effenaan. Dan werd hij beschaamd om zijn dutsig meêlijden.

--Indien 't de makkers moesten weten! en waarom hou ik me op met een

kinderkous! Maar 't was nu gedaan en hij was er blij om.

De pikkers stonden nog onberaden en twistten onder malkaar.

--Mijn wijf en gelooft er niets van als ik haar vertel van mijn geld

dat gestolen is! kloeg Sieper, en we moesten een zwijntje koopen om

te winter vleesch te hebben.

--Ik ben slechter, kermde Sneyer, 't is heel mijne huishuur die gaan

vliegen is; Kasteele wacht tot ik thuis kom om den boel op straat

te gooien!

Pinne zat g'hertig te lachen om al dat gekerm:

--Ge jankt lijk geschoten konijnen, jongens!

--En gij, gekte Sieper, uw Stankske zal ook lachen! Waarmee gaat gij

uw bed en bulster, stoelen en tafels koopen om te trouwen?

--G'ha, ha, ha! loech Pinne, we koopen niemendal en we trouwen

algelijk!

--Hoort, raadde Krauwel, hoeveel zijn er bestolen? wat gaan we

doen?--we kunnen niet zonder geld naar huis keeren. Willen we een

getij in de beeten gaan werken?

De andere staken den neus op.

--Er zijn er maar vijf zonder geld, en daarom moeten we allen op de

kermis te laat komen! zei er een.

--'t Mijne hebben ze niet gevonden, de rakkers, bofte Boele, z'hadden

me anders de armen moeten afkappen; mijn geld draag ik onder de

oksels! ha! ha!

--Een beste gedacht, vond Krauwel, nu, hoort, jongens, om de vijf

kunnen we hier niet blijven, toe, kerels, niet hondig zijn, hoor! Hij

greep zijnen hoed en hield hem uitgestoken te midden de bende. Van

alle kanten vielen er vijffrankstukken in, en seffens was er genoeg

om de bestolenen rijkelijk in te staan.

--Ho! riep Krauwel, hier makkers, en hij gaf aan elk het vijfde van

zijne inzameling. Nu een laatsten keer eten wij van den boer zijn

brood en dan zijn we er van onder. Grijpt toe, makkers!

Zij aten hun bekomste vleesch en propten hun lijf vol met 't overschot

en staken elk nog twee brooden en gerookte hesp in hun reiszak voor

onder weg.

Heel de bende trok door de hofsteê; eenigen tierden en dreigden naar

de boerenwoonst omdat de boer hen helpen of laten bestelen had;--de

anderen dachten aan niets en zongen luide hun blijdschap uit omdat

ze hier gedaan hadden en naar huis keerden. Zij schouderschokten in

't voorbijgaan langs den opgestapelden oogst, deden hun gevoeg tegen

de groote schelven en zwaaiden de pik op den rug bij hun zwaren zak. Nu

waren zij de breede straat op, in benden gedeeld elk bij zijn makkers,

en ze koutten luide en leutig over den harden zomer en van al wat ze

verlangden weer te zien.

Wies was de laatste en keek gedurig om naar de hofsteê. Al wenschte

hij nog zoo zeer naar moeders dak, nu gevoelde hij dat hier entwat

achterbleef dat hem dikwijls nog het hoofd zou doen wenden, en waar hij

later veel met zijn gedachten zou naar terugkeeren. Omdat hij 't moest

verlaten kreeg het machtig koornveld eene vreemde aantrekkelijkheid

en hij herdacht het kerkje ginder ver, en het kerkhof waar Rik nu

liggen bleef als ze allen, zonder naar hem om te zien, heengingen. Rik

zou anders nu meê zijn in den blijden gang.... maar de zon,--en dat

kisten in het wagenkot! En Aga, o Aga, ze zat nu zeker nog verpaft

te kijken naar den vreemden jongen die heuren schoot vol geld wierp.

--'k En zal haar nooit meer zien, dacht hij.

De pikkers stapten haastig, door klaar en donker, altijd voorwaards,

al werden zij ook doodmoe en afgemat. De zon en de arbeid had hun leden

gemagerd, hun vel verbrand, en nu geleken zij een drom arme sukkelaars,

weggejaagd uit het warme zomerland en langs een naakte bane uitgeschud.

Zij haakten allen gelijk naar de zelfde richting en gingen met

uitgerokken hals en slepende beenen, met de vracht van al het afgedane

werk in het lijf en de verwachting van nog veel vermoeienis eer ze

voor goed de rustplaats zouden vinden. De zon en deerde hen niet meer,

't was feesttij nu ze de armen vrij mochten laten zwieren, enkel hun

rustend alm te dragen hadden en met de beenen maar grijpen moesten.

Daar kwamen zij weer in de groote stad en 't was eene nieuwe verhemming

en vreugde. Ze slenterden door de straten, kiezend met de oogen in

al de weelde die daar zoo goed opgesmukt en koopziende achter de

toogramen lag.

Kretse stond het rood koralen halssnoer te wegen in de hand, dat

hij koopen moest voor zijn Karolientje. De anderen kozen en dongen

bij de tentkramen en kochten elk wat hem lustte van sneukelgoed en

glasjuweelen, of speelgoeds voor wijf of jongens, of zoetelief een

welkom. Dat staken zij met zorg bij hun oude kleeren en werkalm in

den blauwgestreepten tweezak en hingen hem met veel voorzichtigheid

op den rug.

Nu liep de weg recht naar hun land. Bezijds, uit andere straten kwamen

nog benden pikkers die meer naar oost of west van 't werk naar huis

keerden. Zoo groeide de drom tot een overgroot leger en zoo kortten

zij, gezellig koutend onder elkaar, te zamen denzelfden weg. Achter

een langen tijd landlooperije werd de oude streek weer kennelijk:

zij noemden bij den naam van 't dorp al de kerktorens die langs de

bane en verder in het landschap stonden.

Die goede, grijze, gezapige kerktorens, die in hun zelfde

aanschouwelijkheid daar staan wachten waren zonder vergaan, onveranderd

van wezen of van doening! Dat was voor de reizigers het kennelijk

teeken, het lijf van het vaderland, nu was 't hun land dat ze onder de

voeten hadden, het oude land met zijn grijze luchten, waar 't altijd

reint en sleint en gauw donker avond is. Ze kenden de menschen nu hier

en daar langs den weg en wisselden blijde groeten, en zij telden bij

enkele dagreizen den tijd dat ze van huis nog afwaren. Naarmate zij de

plaatse naderden klaarde hun gemoed en ze hieven weer de oude liedjes

aan. Wies ook zong meê, maar inwendig knaagde en woog de zware last

van de droefmare die hij te vermonden had.

--Dàar, die meulen! die hooischuur, van zulk eenen boer! tierden

zij. Weet-je nog hoe we hier voorbijgingen in 't voorjaar?

De velden lagen hier groen nog, vei en ongezomerd, overal omheind

met groote boomen--de oude popeliers! en hier en ginder vonden zij

kennissen op 't land die, met de late warmte nu maar hun koornstukje

aan 't pikken waren.

Aan elke kruisstraat sloeg een deel van de bende een zijweg in en

ging naar eigen dorp of woonst. Zoo verbrokkelde stilaan de groote

stoet tot de oude makkers alleen nog te gare bleven.

Een groote zegeschreeuw ging op.

--Zie, dáar onze kerktoren!

De oude steenklomp stond er nog lijk ze hem verlaten hadden, met

scherpe naald waarrond de huizen, lijk arme menschen tegeneen gedromd,

in de ronde geschaard stonden. De kerktoren! hij was gepint met den

grooten meitak voor de kermis.

Gelijk een vuurmare ging het nieuws: de pikkers zijn in 't land! De

vrouwen kwamen benieuwd buiten kijken, liepen verslaafd op zoek om man

of broeder of kennis te ontmoeten en te verwelkomen. Maar de kerels

zaten verdeeld in de herbergen, overal: hier in de "Meerschblomme,"

in den "Koekoek", in de "Veugelmuite" of elders.

De Oogst · 第 4 / 5 段