Bier, bier! veel bier moesten zij hebben. Ginder in 't loeiende

vuurland hadden zij de longen verschulferd aan veel brandewijn, en

nu liep het koele gerstnat, dat ze zoolang gederfd hadden, lijk een

goede lafenis door de keel.

Jongens, jongens, jongens,

We zijn nog niet dood.

Ja 't en is geen nood,

Bijlange nog niet dood!

ging het overal, en bij reken liepen de kerels gearmd door de straten

van 't eene bierhuis naar 't andere. Het kleine dorp, even nog zoo

rustig, was nu vol gewoel en beweging en leven.

Waar kan men beter zijn

. . . . . . . . . . . . .

Dan in ons moeders keuken!

Zij lieten de deuren open om hun gezang ver te laten hooren.

Wies drumde langs de huizen tot aan zijn woning, sprong te midden

den huisvloer.

--Moeder, moeder, 'k ben hier!

Hij wierp zijnen zak van den schouder en zette zich moe en tenden,

op eenen stoel.

Moeder en Lida stonden blij verrast en wenschten Wies wel tien

keeren welkom.

--O, jongen wat zijt ge mager en afgeteerd! kloeg moeder en zij

sloeg de handen van verwondering ineen. Zeere, zeere, Lida, eten voor

den jongen.

Het vuur in de heerd werd opgerakeld, de pan opgezet en eiers geklutst.

Wies was lijk vervreemd in de kleine, schamele keuken die hem zoo

verminderd, zoo eng voorkwam. Hij zette zich bij tafel en begon te

eten en antwoordde stil op de menigvuldige vragen waarmede moeder

hem overlaadde.

Lida bezag hem soms vreemd in de oogen maar ze zegde niets en hield het

hoofd gebogen naar Wies zijn reiszak en haalde er al de kleinigheden

uit die heur broeder voor moeder en zuster meêbracht. En zij gebaarde

zich welgezind als 't een of 't ander buitengewoon beviel.

--Wies, Wies, jongen, dat ge nu ineens weer thuis zijt, zoo

onverwachts, zegde moeder, o, da's wel, en ze bekeek met behagen

heuren grooten jongen.

--En de oogst was goed?--en warm was 't zeker ginder? O, w'hebben

het gezeid hier ondereen als de zon zoo laaide en gij ginder te

werken stond. En hoe stelde het Rik ginder?--waar is Rik? vroeg ze

ineens,--nu werd ze eerst verwonderd den makker van Wies niet te

zien.--Is hij naar huis, Wies?

Lida rechtte het hoofd en bekeek heur broer om te weten wat hij

zou antwoorden.

--Rik, moeder, Rik is ginder gebleven.--En hij keert nooit meer

naar huis.

Moeder bleef beeldstil gebogen staan over 't heerdvuur met omgewend

hoofd en heure hand hield beweegloos den lepel waarmede zij de

melkpap roerde. Lida zat gehurkt nog met Wies zijn kleeren in de hand,

met open mond te wachten naar verderen uitleg over die plotselinge

kwâmare. Geen van de twee die vragen durfde dat Wies zou voortzeggen

en de jongen stond recht en ging, om gerust gelaten te worden, in

't achterhuis gaan staan. Lida kwam hem daar vinden; ze sleurde hem

voort bij de mouw naar buiten bij den gevel en:

--Wies, vroeg zij stil, Wies, vertel me de waarheid: wat is er met

Rik? en zij schudde hem weer hevig aan den arm.

Zij gingen op het eiken bol zitten en daar vertelde hij haar hoe

't Rik vergaan was in die hevige hitte; dat hij ginder altijd alleen

liep al droomend en treurde....

--Alles, alles moet ge mij vertellen! schreeuwde zij angstig.

--In dien eendlijken zonnebrand hoorde ik eenen schreeuw, herbegon

Wies, en ik keek om en daar lag Rik achterover, bijkans dood.

--En dan?....

--Hij sprak nog een woord of twee en toen was hij dood voorgoed. Ze

voerden hem van 't land, naar een wagenkot, en we lazen binst dat de

timmerliên de kiste mieken; dan heb ik hem uitgeleid naar ver op een

kerkhof en daar hielp ik hem begraven.

Binst dat Wies vertelde zat Lida met 't wezen gedoken in haar

voorschoot stil te snokken aan heur wee; zoo bleef zij zitten als

Wies lang gedaan had en de jongen bezag haar met meêlijden en hij

had er deugd in omdat zijn zuster weende;--hoe spijtig, dacht hij,

om den armen Rik dat hij niet weet hoe Lida verdriet heeft om hem!

Daar hoorde hij de huisdeur openslaan en de schamele stem van een

oud vrouwke:

--Cordule, Wies is thuis?! en waar is mijn jongen?

Wies voelde een schok die zijn lijf doordaverde: Moeder Busschaert

om heuren jongen! raadde hij en hij zag al het pijnlijke van 't gene

komen ging. Lida liet hij zitten weenen en hij vluchtte achter 't huis,

over 't veld weg. Hij moest voort van hier en van al dien weedom,

hij wilde de maredrager niet zijn van Moeder Busschaert's ongeluk,

en hij liep al wat hij kon om het jammerjanken niet te hooren.

Met zulk een langenis had hij gewenscht om thuis te zijn, bij moeder

en bij al de menschen die hem kenden, en hier was 't niet te vinden

't geen hij zocht en verwachtte;--daar lagen de velden toegesmoord

rondom hem met een dikken mist en alles was dof en treurig. Het oude,

goede leven was weg en nu wist hij dat al zijne genegenheid ginder in

het verre land gebleven was. Hij had willen dwalen over het kerkhof

ginder waar Rik te slapen lag en hij wenschte gedoken te zitten

wachten op den donkeren hooizolder naar Aga die komen moest.

Dat uitgaan in 't verre land, en die krachtige poging, al dat wroeten

zag hij nu als een doellooze, zotte gekkernij; het verdoen van dien

lastigen arbeid was al om niets gedaan en verloren in 't ijle,--het

kwaad alleen bleef ervan over.

In zijn verbeelding stond het oude vrouwken te kermen om haar kind,

zij wrong wanhopig de armen, gepijnd door het wreed gedacht: dat

Rik nu zoo ver van hier, en zoo jong nog, onverwachts, voor altijd

gestolen was en ginder verre begraven lag in 't vreemde land,--waar

zij nooit naartoe en kon.

De tranen van grammen weedom spatten hem uit de oogen en hij doolde

voort, doelloos langs de smalle landwegelkes, eenzaam, ver van de

menschen en zot van droefheid. De koelte frischte zijnen koortsigen

kop, maar hij zag geen uitkomen aan dien wreeden avond en hij wist

niet of hij nog ooit zou durven naar huis keeren.

Onbekommerd in andermans ongeluk liepen de pikkers door 't dorp en

vierden voort hunnen blijdag. Tot laat in den nacht ging het luide

gebral, op tien plaatsen tegelijk:

't Koorn is af, 't koorn is af!

àl het koorn is àf!

De herbergen zaten propvol pikkers en dorpelingen die dronken. De

vrouwen kwamen knijzen om haar venten meê te krijgen naar huis, zij

trokken hen bij de mouw, tastten hun zakken af om 't geld te vinden,

maar de kerels grepen hun glas of een makker in de lenden, en zongen

omlangs hoe luider:

En nog naar huis niet gaan!

En nog naar huis niet gaan

Zoolang als dat de glazen op de tafel zullen staan!

De jongens kropen tusschen vaders beenen, grepen zijnen reiszak en

sleurden hem blij tierend meê naar huis, benieuwd naar al de schoone

dingen die erin zaten.

Buiten op straat ging een nieuwe bende voorbij:

Jongens, jongens, jongens,

we zijn nog niet dood!

De deur vloog open en de makkers malkaar in de armen en stampten

op mate:

Waar kan men beter zijn

. . . . . . . . . . . . .

Dan in ons moeders keuken!

Wij zijn kontent

Met een pintje van vijf cent!

Laat ons drinken

Laat ons schinken

En laat ons vroolijk zijn!

Uit een afgelegene herberg ging het luide:

Wij drinken tot dat 't op is!

. . . . . . . . . . . . .

Als 't op is, dansen wij!

Tegen den morgen toen alleman zweeg en ronkte, neuriede een goede

broer zijn dronkaards-liedje voor een geslotene deur:

Moedere doet open,

Uwe zoon is hier,

Hij heeft hem zat gezopen

aan een glaasje bier.

De Oogst · 第 5 / 5 段