Wind en schaduw! waren die dingen sinds lang niet dood? Lida bleef

hem staan bezien met haar wonder diepe oogen, vragend wat hij haar

te zeggen had. Dat was Lida niet meer, de nukkige meid die hem soms

trotsch over het hoofd zag, maar wel de goede innige zuster die hem

alles wilde geven waarnaar hij langde; Lida die hem danig geern zag en

heel zijn leven van bij kende. Hij zocht steun bij haar en liet zijn

arm gaan om dat slanke lijf. Daar stonden zij nu aanzicht en aanzicht

zóo dat hij heur voorhoofd tegen het zijne voelde leunen. Haar twee

handen drukten zijn schouderblaars en hij neep de oogen toe omdat

hij haar straven blik en al de goedheid ervan niet dragen of zwelgen

kon. Een gevoel van malschheid doorkoelde zijn leden; dat was de

kostelijke teug water--hoe frisch--na dien langen dorstigen dag.

--Lida, Lida wat zijt ge goed met mij! in dien warmen zomer ging ik

versmachten zonder u.

Nu zij verzadigd was liet hij de armen los en zij prevelde hem in

het oor:

--Rik, waarom hebt ge mij overlang niet gezegd dat ge nooddorst leedt,

ik wachtte u drinken te geven.

Daar zaten zij beiden nevenseen op de bank. Lida liet zich lui

achterover leunen en kruiste de handen om haar opgestoken knie welke

bevallig onder de plooien van haar kleeren uitlijnde. Ze waren gansch

alleen, het zomerde buiten maar hier hing de zalige zoelte in de

lucht en zij voelden de zekerheid van door niemand in hun gezelschap

gestoord te worden.

--Dat bevalt mij hier buitenmate, dacht Rik, en we zullen hier lang

blijven wonen.

Herhaaldelijk hoorde hij in de verte Wies zijn stemme die riep, maar:

--We laten hem roepen en we luisteren er niet naar, he, Lida?

Lida knikte en nu zag hij heur schoone oogen vol weemoed.

Hij wreef den overgebleven vaak en al de zaligheid uit zijne oogen

en in plaats van Lida, stond Wies nu in werkelijkheid vóor hem,

Wies die schudde en schreeuwde:

--Toe, jongen! de makkers zijn al lang naar 't veld. In 't eerste

verschot, daar vlak vóor de werkelijkheid, ware hij liever dood geweest

om te kunnen voortleven in zijn droomwereld. Hij ging toch gewillig

meê en volgde Wies. Hij voelde nog altijd de deugd en frischheid van

dat groot geluk door zijn lijf en hoopte vandaag met meer gemak de

hitte te dragen, verzekerd dat hij was van Lida's groote genegenheid

voor hem. Het moest nu, volgens zijne rekening, omtrent de tijd zijn

dat ze zijnen brief gelezen had en ze was hem bescheid komen geven! Ze

had gemonkeld om zijne ongeloovigheid en zegde hem zoo klaar:

--Vriendschap is zoo een koud ding, dat kennen wij meisjes niet:

de minste genegenheid wordt zoo zaan liefde bij ons; wij willen

't al of niets en 't eerste loopt noodzakelijk uit op het andere.

--Hebt ge liggen wachten naar de zon? spotte Sieper.

Rik zegde niets, hij greep haastig zijn pikke en sloeg er dapper mede

om zijn achterblijven in te halen.

--Ziet, daar komt ze bovenkijken, zegde Boele, ze blekte zoo rood

van den morgen, ze zal dansen vandaag, houdt u kloek, kerels!--z'

heeft heur goudgevlimde mutse op, ziet maar!

Vlammende wit zat 't geluchte en daar tusschen de biggelende

halmsprietels kwam eene halve zon glinsteren met een haarkrans van

gedegen goud bezet. En ze groeide groot bij der ooge, ze nam den

nuchteren hemel in en stak hem vol scherpe schikten.

--Nu zal 't eerst lustig worden, riep Sneyer. Ik en de zon! man voor

man, t'avond zien we wie er wint en prijs heeft, laat ze maar steken,

we kappen te harder!

En de zon stak geweldig, maar de pikkers en vielen niet slak. Zij

voelden het nijpen dóor hun lichte, losse kleeren en bijten op

hun hoofd, en toch hielden zij stand: ze bogen den kop en de pikke

bliksemglimde bij 't op- en neergaan, slag op slag. Met 't groeien van

de hitte ging er een razernij door hunne armen en ze hielden sterk de

leden. Nog dieper bogen zij naar de eerde, sloten de tanden en lieten

het zweet vrij van zich afleken. Een enkelen keer waagde Rik het hoofd

te heffen maar hij schrikte voor 't geen zijn oogen zagen. De zon was

de bijtend ronde gloeibol niet meer in een zeker punt van den hemel,

maar heel de groote luchtkoepel stond in laaie vlam, al hemel en

vuur! 't regende geen hitte, 't waren net geteekende lekvlammen die

woelden hooge en kwamen spelen tusschen 't koorn, om en nevens hem

en over heel het afgeschoren land.

De kerels, Sieper en Boele en de andere overal waar hij keek op heel de

rei, ze kapten vlijtig en brulden hun lied door een schorre keel. Hun

pikke sloeg eenbaarlijk, ze zwommen in hun zweet, maar de armen

zwaaiden zooveel te vlugger al sloegen de laaivlammen hen om 't lijf.

--Nu danst de zonne, meende Rik, wat gaat er met mij gebeuren?!

Een sterke wind kwam die vlammen omwentelen, zij krullen en wrongen

slepend nu en weer op! hoog in spitse bliksemstralen kletterend,

machtig als feestvuur.

Hij dook diep den kop in het koorn--dat, hoe wonderlijk, daar ongedeerd

in de vlamme staan wiegen bleef.--Hij wist zelf niet meer of hij nog

voortwrocht of sinds lang omver te rusten lag.

De kerels hun lied klonk nog altijd even vereend en als hij weer opkeek

zag hij hen werken, heel ontdaan van hun kleeren, met naakte beenen

die dansten hoog op den maatslag van de pikke. Het schemerwankelde al

in het ronde, doordaverd van den sterken wind met ratelende slagen

soms. Dat beenflikkeren en gezang werd zoo zot, zoo wonderlijk in

dien ontzaglijken brand die heel de wereld met kletsend bliksemlicht

doorstraalde. Hij wilde roepen naar Wies! naar Boele, naar Krauwel om

hulp en bescheid in zijn benauwdheid maar de makkers stonden op uren

afstand van hem en hoorden zijn stemme niet. De grond rende onder zijn

voeten weg en zijn ooren scheurden van vreeselijk geruchte. Dat was

het groote zonnefeest, de zomerdans, de wereld aan 't gruizelbotsen

tegen de zon die daar grijpelijk dicht, het koorn ontvlamde.

Rik wist dat 't met hem gedaan was; daar kwam een vuurspits op hem

afkletsen en hij viel verdonderd achterover--dan, niets meer.

--Moeder! Moeder! hoorden zij hem schreeuwen.

--Rik ligt gevallen! tierde Wies en liep naar den jongen die buiten

kennis lag te glariën naar de zon boven hem.

--Krauwel, kom! zie Rik die ligt dood van eenen zonneslag.

Veel mannen kwamen bij om te zien. Rik lag altijd even kwalijk, maar

hij ademde toch. Zij rechtten hem het hoofd, goten hem een teug wijn

in zijnen mond, doch de drank bleef pruttelen in zijn keel en liep

langs een hoekje van zijn lippen over zijn ontblootte borst.

--De jongen was niet bestand tegen de zon, meende Krauwel 'k heb

het gevreesd.

De pikkers werden op 't einde onverduldig; als zij zagen dat er geen

verandering bij en kwam gingen zij voort pikken en lieten Wies bij

den zieken jongen.

--Rik, recht u; 't zal beteren! Rik hoort ge mij nog? Rik, doe toch

eens de oogen open, ik ben hier, Rik, ik uw noodvriend; ge moogt hier

niet doodgaan zoover van huis.

Rik roerde niet.

Op het einde werd Wies te zweeten van verlegenheid en angst; hij

liep rond, sleepte Rik voorzichtig in de schaduw van een koornstuik,

legde een bundel onder zijn hoofd en bleef erbij geknield zitten

wachten naar leven en beternis.

Maar Rik zijn aanzicht verbleekte, zijn oogen draaiden zoo moe en

pijnlijk, als zochten zij om hulp die niemand geven kon, en al de

leden rekten uit en lagen daar lam om nooit meer te roeren.

--Rik, jongen! schreeuwde Wies en hij voelde een groot verdriet

in zich opkomen, de tranen rolden met de zweetdruppels over zijn

aangezicht. Hij kroop er nu heel dicht bij, legde zijn mond tegen

den jongen zijn oor.

--Rik, prevelde hij, Rik, bezie mij toch 'nen keer! Zijne hand tastte

op Rik's bloote borst en telde de slagen. En zoo bleef hij wachten

naar hetgeen onvermijdelijk komen moest. Die slagen voelde hij van

langerhand uitgaan en achterblijven, hij zag het koude zweet uit zijn

wezen bersten en die oogen breken, en Rik lag daar uitgestrekt, de

magere Rik, zie, zijn beenderige borst en zijn smalle schouders, en

dat wollokkig kroezelhaar om dat wit hoofdeken, o, 't was zoo spijtig

om den lieven jongen, om die oogen die daar seffens nog zoo zachte,

lamzachte keken, hoe ze nu gebroken waren, en onziende.

Wies zat versteend te kijken, hij geloofde er geen woord van dat de

jongen nu dood was, voor goed dood om nooit meer op te staan. Hij

had hem willen schudden, opwekken uit dien lammen slaap maar hij

voelde vrees en een groote vereering voor 't geen nu een lijk was,

en hij durfde den jongen niet aanraken. Hij keek rond om hulp. De

makkers wrochten onversaagd voort, maar ginder in een werveling van

stof kwam dweers door 't koorn, een ruiter aanstormen.

--Quélin, Quélin komt af! riepen de gasten. Zij bogen dieper den kop

en wrochten zonder opzien. De groote Boer zat even een reus op zijn

eendlijken appelbaaiden hengst en hij keek over het land naar het

afgepikte koorn. Hij telde de werkers, bezag hun doening, draaide

de oogen naar Wies die bij zijnen makker zat, en naderbij komende,

zag hij dat de jongen dood was.

--Is dit uw broêr? vroeg hij.

--Mijn makker.

--Hier seffens gevallen?

--Ja, en Wies keek verwonderd naar den Boer op.

--Hoe heet de jongen?

--Rik Busschaert.

--Leeft zijn moeder nog?

--Ja, Boer!

Quélin keerde zijn peerd en reed zonder nog een woord te spreken.

Wies zag geen einde aan zijn verdriet; Rik lag wel wezenlijk dood nu,

hij moest het gelooven, en thuis, thuis hoopten ze op eenen goeden

heemkeer. Het speet hem nu den jongen zoo dikwijls begekt te hebben

om zijn zwakte en afgetrokken doening, en hij voelde wat een wreede

ijlte er in zijn leven zou komen door 't missen van dien kleinen knaap

die hem altijd bijbleef en zoo goed in de oogen keek. Hij betastte

nog eens--hopeloos alevenwel--die handen en voeten, maar alle leven

was eruit.

De groote vliegen kwamen reeds bij en gonsden rond het lijk en Wies

moest ze gedurig ervan wegslaan. Met den avond kwam een wagenspan

't land opgereden met twee mannen; zij laadden den dooden Rik erop en

reden naar 't pachthof. Al de pikkers volgden; hun bruingebrande en

bezweete wezens zagen ernstig en zij spraken bijkans niet. 't Was

erger dan uit een slachting dat ze kwamen, halfnaakt, met bloote

armen en borst, zoo stapten zij moedeloos achter den wagen.

--De zon is geweldig dees jaar, meende Sieper.

--Heb-je 't nog zoo warm geweten, Krotse?

--En wie zal de lustige mare doen aan den jongen zijne moeder! vroeg

Rommelaere.

Niemand en antwoordde en daarmede eindde het gesprek voorgoed.

Twee timmerlieden van 't hof mieken een bloothouten kist, zij wonden

Rik in een laken en legden hem erin. Dat gebeurde in de groote

donkere schuur bij den sching van twee lantaarns en in bijzijn van al

de pikkers die in ronde en zwijgend het werk van de twee timmermans

aanstaarden. Als 't gedaan was las de oude Tremmel drie Onze Vaders en

de akten van Geloof, Hoop en Liefde;--al de bijstaanders antwoordden

mommelend. Wies hield het niet meer uit,--hij dook zich in den

donkersten hoek van de schuur, sloeg de handen over zijn aangezicht

en weende jammerlijk, huilde zoodat al de ruwe kerels medelijdend

naar den jongen omzagen.

In de tent werd Riks boedelzak onderzocht in 't bijzijn van elkendeen;

Krauwel telde het geld en de kleerstukken, en met zijn alm werd alles

ingeknoopt en gebonden en weggelegd onder de bewaking van eenieder.

De werkbaas bracht Wies een briefken van Quélin om aan den Pastor

en Burgemeester te geven en dienzelfden nacht reed hij mede met den

lijkwagen door een donkere, ongekende straat naar een vergelegen

dorp. Hij zat nevens de kist en keek mijmerend op naar de sterren. De

voerman sliep op zijne bank en de peerden stapten statig door den

stillen nacht. Het land lag ommelings toegedekt, overgoten met een

blauwendigen mist en Wies werd het zoo vreemd dat hij meende, na dien

langen lijkgang, uit te komen in een andere wereld of ievers in een

spookland zonder menschen. Zijn herte zat nog altijd vol rouwmoed

om dat onverwachte ongeluk. "De jongen moest zoover komen om dood en

zonder uitgeleid van magen, in een vreemde streek begraven te worden!"

Voor het dagen reden zij langs eene boomlaan het dorp in. De voerman

droeg Quélin's getuigbrief bij den burgemeester die zijn toestemming

gaf Rik een plaats te geven bij de dooden. Daarmeê reden zij ter

kerk. Zij moesten daar wachten voor eene gesloten deur tot op het

laatst een pastor kwam die gebeden las over het lijk en nu werd

Rik naar 't kerkhof gevoerd. Een oude grafmaker dolf daar onder de

linden een diepen put en met hulp van den voerman liet hij de kist

erin neerzinken.

't Was uit. De wagen rotterde gelicht van de vracht weer naar huis

en Rik lag voor altijd begraven bij een kerk en op een dorp dat hij

nooit gezien had. Wies hervatte zijn werk zonder spreken. Niemand

die vroeg hoe 't met de begraving vergaan was.

--Ze hebben den jongen reeds vergeten, dacht hij.

Ze waren enkel verheugd omdat de zonne verzacht was en de hemel

gekoeld; en daarbij het groot koornveld was nu bijkans af.

--Ho! mannen, dáár is 't einde! riep groote Krauwel. Zij stonden allen

op de teenen, reikhalzend over 't koorn te kijken waar ze zagen dat

't werkelijk uit was en een andere vrucht groeide.

Zij tierden van blijdschap als zagen zij daar het lang verwachte

voorteeken van eene levensredding en zij kapten te heftiger om

aanstonds het einde te naken.

Achter eenige dagen lag het laatste hoekje koren plat en

opgebonden. Zij rechtten hun vermoeiden rug, veegden met den blooten

arm het zweet van het wezen en overkeken hun werk. Dat eindelooze

land lag nu vlak en de stuiken stonden in dubbele dreven door heel de

lengte; 't geleek een machtig legerveld. Dien avond vierden zij hunne

groote overwinning en brachten hem buitenmate lustig door. Zij dansten

en bralden luide hunne liederen en als het laat werd, dan kwamen zij af

van het hooge veld, overgoten met den bloedschijn der uitgaande zon,

heel bezweet en versleten; zoo geleken zij moe gevochten reuzen in

aftocht na een grooten slag. Zij zwaaiden hun glimmige pikken omhoog

en tierden met volle kelen den overwinningskreet:

Het koorn is af, het koorn is af!

Al het koorn is af!

In hun tent gekomen slokten zij gretig de groote stukken vleesch op,

schonken veel brandewijn en legden zich uitgestrekt op het stroo in

de ronde om gemakkelijk te kunnen drinken. Zij hieven de glazen hoog

en zongen dat 't dreunde het zegelied:

't Koorn is af, 't koorn is af!

Al het koorn is af!

Dat leed tot ze in den manesching malkaar niet meer en verkenden en

machteloos en buiten zinnen in slaap verzonken.

Wies had dien avond geen drank genaakt en loech geen enkelen keer:

hij zat eenzaam te droomen in zijnen donkeren hoek en dacht aan Rik.

's Anderdaags wrochten zij op 't zelfde veld en tastten het afgedane

koorn in groote schelven. De droge stuiken wierden verdregen,

losgedaan en van hand tot hand gingen zij over waar ze in kringen

gestapeld werden, en zoo groeiden, traag in hooge, ronde, zwaar

massieve strootorens nevenseen in vier lange reken: een dubbele dreef

oogstkoorn die van 't veld tot aan de hofsteê stond. Het werk ging

nu weerom lustig; met lichten zwaai deden zij de vorken spelen en de

garven vlogen gezwind omhoog boven op den schelf. Des avonds staakten

zij weer bij tijden den arbeid en 's zondags namen zij lijk vroeger,

hunne uren avondrust. De pikkers liepen de streek af, dansten op

voois van Rommelaere's orgel of gingen bij benden naar 't dorp gaan

drinken. Wies en was dezelfde jongen niet meer; hij liet de makkers

gaan en bleef liefst alleen.

Hij voelde nu, lijk Rik vroeger, een onverzadelijk verlangen om

thuis en op zijn dorp te zijn. Een onbewuste droefheid overviel hem

in dat vreemde land en hij hoorde of zag noch dacht aan anders niets

dan op afreizen, zoo gauw mogelijk. Heel die doening verdroot hem,

hij was moe van dat onverbiddelijk zonnegeweld, de menschen staken hem

tegen en de makkers waren zoo ongevoelig brutaal en vroegen naar zijn

lijden niet. Het ging hem heel goed als ze 's zondags allen weg waren

en hij de groote hofdoening verlaten en vrij voor zich alleen had. Dan

slenterde hij rond op den drijf naar iets dat hij nievers vinden kon:

iemand om mede te kouten over zijn verdriet en zijn verlangens;--maar

Rik was weg en anders was er geen ziel om zijnen nood te klagen.

Het groot hof, anders in zoo'n woelige bedrijvigheid, geleek nu een

uitgestorven wereld en al dat leven lag nu vastgebonden in slaap. De

beesten loeiden meumelend halfluide op stal en de peerden trokken

gestadig hun keten door den ijzeren ring. Hier en daar in de verte

ging er een mensch die, zonder opkijken, stil voor zich zijn werk

deed. Nu en dan vloog een deur open of buischte weer toe. De avond

viel daarover als een regenvlaag zoo grauw, en Wies voelde zich

van droevigen weemoed overgoten. Hij schreed tukketeenend langs

de stallen en kroop diep in eene hooischuur zich verschansen in

zijn eenzaamheid. Daar lag hij te glariën in 't donkere. Een langen

tijd en hoorde hij geen geruchte, maar dewijl zijn gedachten aan 't

vermeien waren met moeders keukengerief en te genieten van verledene

winteravonden rond den heerd, zoo hoorde hij nevens in een bijliggende

schuur, een oude schorre stem die trage neuriede:

Als de de zurkel schiet, 't is in de maand van Meie.

Schieten al de boerkens in een grooten lach.

Weg den hutsepot, karoten en pareie;

De gestampte taatjes komen voor den dag.

En als de pot weer overgaat,

Haalt de boer den stamper uit,

En als hij aan het stampen gaat

Dan zingt hij overluid:

Van de rompel de pompel de pom.

. . . . . . . . . . . . .

Wies en verademde niet en luisterde gespannen; zijn herte klopte en

daarbinnen voelde hij iets jubelen. Hij was weg uit het vreemde land

getooverd en zat op Meulemans hofstede bij Belle's heerdvuur aan den

koekebak op Kerstdag of Nieuwjaarsavond, Buiten moest het nu zwart

donker zijn en fel winteren,--de goede winter!

Die stem was heel grof, 't was het stil grommelen van een ouden vent

die traag slepend zijn deuntje zaagt. Maar nooit liedje en klonk hem

zoo onverwacht aangenaam; die woorden zegde hij stil mede om er al

de deugd van te hebben, en hij twijfelde of 't toch echt gezongen

was en niet gedroomd.

Het ging alsaan voort:

Ziet ze staan te rooken, al in de groote teelkens,

En op iederen hoek een groote stuit voor elk,

En iedereen zet zich bij, al onder de pateelkens,

Kiezen zij de zulker voor de keernemelk,

En iedereen doet zijn buiksken wel,

Zeven schepkens meer of min

Daarvan maken zij geen spel

En dat gaat er zachtjes in.

Van de rompel de pompel de pom....

. . . . . . . . . . . . .

Ik lig hier werkelijk honderdduizend uren van huis, meende Wies, maar

wie zingt er hier mijn dorpsliedje? Hij sprong ijlings recht, verlangde

dien vent te zien en vanbij zijn liedje te hooren. Hij sloop omzichtig

uit de schuur en naderde waar hij meende den zanger te vinden.--Ja,

't was in de haverschuur, hier nevens. Hij lichtte zonder gerucht de

houten deurklink, stak zijn hoofd binnen en luisterde. De zanger zweeg,

maar hoog op den dilte, hoorde hij dezelfde stem die aan iemand vroeg:

--Waarom bleef-je weer zoolang weg?

En een meisjesstem die verlegen antwoordde:

--'k Heb nu pas gedaan met 't stalwerk.

Dan bleef het daarboven voorgoed stil. Wies stond te dralen in het

donker; 't moet een onbekende pikker zijn die hier zijn slaapsteê

zoekt, dacht Wies,--maar wie mag er bij hem zijn? 'k Wil toch

weten wie hier mijn dorpsliedje zingt. Hij trad binnen, tastte in 't

schemerdonker naar de ladder en met drie terden t'eenegader klouterde

hij den havertas op. Een brandende lantaarn hing er aan een dakrib

en in den rooden schijn daarvan zag hij, even een wonderheid uit

een kindervertelsel: een leelijken ouden vent rechtover een mooi,

mager meisje, die samen met de kaart speelden. Zij waren alle twee

verslonden zoodat Wies gerust kijken kon zonder dat z'het wisten: het

spel ging gestadig voort en zij kappelden, deelden en legden de kaarten

zonder spreken. Dat meisje vooral was een wonder, iets om zijn oogen

te verpaffen van benieuwdheid, het zat daar zoo pertig neergeflokt in

't hooi en heel zijn wezen was een stille gelatenheid, en ernstig

bezig in zijn kaarten lijk een kind dat zijn speelpop opschikt.

Toen hij voldaan was met kijken wist hij nu niet of 't best was

voorzichtig naar zijnen stroopolk te gaan of hooger opklimmen en dien

vent naar uitleg te vragen. Het liedje van de zurkel was hij heel

vergeten. Zoo bleef hij nog wat staan zonder besluit toen eene beweging

van zijnen arm het stroo deed ritselen. De beide kaartspelers wendden

het hoofd en als zij Wies gezien hadden deden zij ongestoord met hun

spel voort, zonder nog verder naar hem om te zien. Nu klom hij gerust

boven, zette zich nevens hen te kijken, kwansuis met belangstelling

voor wie de winst was.

--Waarom hier zoo hoog en alleen komen kaarten in den nacht, peinsde

Wies, en hij giste maar altijd naar redens om uitleg voor die zeldzame

doening,--bescheed durfde hij niet vragen.

De oude zat op de knieën in 't stroo met een loshangend hemd aan dat

open splette op de borst en de mouwen opgerold. De lantaarn lichtte

en schauwde de diepe trekken van zijn hoekig wezen en glom over zijn

naakten schedel. Zijn slimme oogen staken in twee zwarte holten onder

stoppelharige wenkbrauwen en zij volgden nieuwsgierig elke kaart die

uitkwam. Zijn spel hield hij vast gesloten in de vereelte handen die

beefden en hij stak en herstak al dubbend tot hij er eindelijk éene

uitgreep, die hij met den knokigen arm omhoog stak en driftig vooruit

wierp. Dan bleef hij met angstige verwondering zitten zien wat er op

zou vallen en zijn wezen klaarde of vertrok naarmate hij niet of al

tevreden was van 't spel. 't Geluk bleef voor 't meisje en 't kind

scheen er niet te blij om; bij elken goeden slag keken zijn groote,

blauwe oogen verlegen naar den oude op als om verschooning: dat 't

niet met opzet gedaan was. En toch werd hij ongeduldig om het verlies;

zijn groote vinger veegde zelf de krijtlijnen uit op het plankje die

hare winst moesten teekenen en zijn aanzicht werd al gramstoriger

als hij weer slechte kaarten kreeg.

Wies trok zich wat achteruit in de donkerte en hij dacht in zijn eigen:

noch nievers zag ik zulk een aardig jong, al kon hij niet goed zeggen

wat er wel aardigs aan was.

De wonder ronde kinderkop zoo blank en zacht gelijnd met donker

haar, platgekamd op het hoofd, en dat in een effene spleet over het

voorhoofd kwam, de ooren dekte, als met een vloeren mantelkapken,

dat achter in den hals in een dikken wrongel over den rug viel.

Die oogen zagen zoo groot, zoo perelblauw en rein,--lijk bij kleine

jongens of onnoozelaars. Zij is wat dom, meende hij.... of de goedheid

zelf. Nu merkte hij hoe ze heur spel toegaf om den oude ook eens te

laten winnen; 't geen hem monkelen deed zoodat zijn dunne lippen over

den tandeloozen mond opeenfronsden. Dan weer keken zijn kleine oogjes

loensch op als ze 't niet merkte en zijn bevende hand foefelde met

een valsche streek eenige bladen weg; maar de zachte oogen van de

kampster kwamen zijn doening dweers doorkijken, zoo onschuldig dat

hij er van schrikte en de hand bedremmeld en mijde wegdook.

Met een barsche beweging gooide hij de kaarten spijtig uiteen.

--'t Gaat niet van avond, grommelde hij, gij kunt gaan slapen.

't Meisje raapte 't spel op, trok de beenen recht, en ging zonder

spreken.

--Dat ik hier nu ook weg ware! dacht Wies en hij zocht naar woorden om

met den oude in den klap te geraken. Daar viel hem dat liedje weer in.

De vent zat moede voor zich uit te staren, en als zijn arm eindelijk

opreikte naar de lantaarn om heen te gaan waagde Wies het:

--Zeg, vriendschap, ge zijt een van onze pikkers misschien? Ik heb

gehoord hoe ge ons liedjes zingt.

De vent was Wies reeds vergeten en hij keek verwonderd op naar den

jongen daar in de donkerte, dan liet hij zich weer op de hurken zinken.

--Kent ge Sjob Subbel?--zijt ge hier komen pikken?--Ik ben een oude

pikker. Van waar zijt ge?

Wies deed hem uiteen waar ievers zijn dorp lag, bij de Schelde.

--Een half uurken van uw huis woonde ik, zegde Sjob Subbel, en hij

noemde en vroeg naar nieuws van een aantal menschen die Wies heel

goed kende.

--Sjob Subbel,.... dat heb ik nog gehoord, dacht Wies.

--Ha, ge zijt een jonge pikker, lachte de oude, een jonge pikker! ha,

ha, ha, jonge armen dat slaat er vlug door: ik ben ook jong geweest,

en als ge zooveel koorn zult afgekorven hebben als Subbel dan zult ge

kunnen meêpraten en uw mollige handjes zullen verweerd en zwart zijn,

mijn poezejongen! ha, ha, pikker! en zijn lippen spletten wijd open

over zijn zwarte mondholte.

--Veertig zomers, jongen, heb ik hier in den oogst gewrocht, maar nu is

't uit, de knoken zijn stram en dat gaat niet meer.

--Veertig zomers, herhaalde Wies en hij bezag dien vent in zijn wezen,

dat lijk een ruwe boomschors, bruin gedroogd en gereuveld was, en die

knuistige armen en handen waar de aders en pezen lijk zwarte koorden

uitpuilden en overgespannen lagen. Die armen hadden zoo machtig veel

arbeid verdaan en Wies voelde een groote achting en genegenheid voor

den taaien werker die nu oud en afgebeuld, lijk een lammeling vóor

hem zat.

--Wat doet ge hier nu zoover van huis? vroeg hij.

De Oogst · 第 3 / 5 段