De maaiers stapten gestadig vooruit en sloegen eenbaarlijk; z'en

keken noch naar uur noch tijd van uitscheiden, schaars éen die met

de oogen den gang van de zon volgde in de lucht. 's Noens, als 't

klokske bengelde op 't hof, lieten zij de zeis vallen en spoedden op

een loopken naar hun kot. Daar vonden zij veel vleesch en de gekookte

aardappels dampend en vervochten er met knappen tand hunnen grooten

honger. Daarachter mochten zij een uur uitrusten tot Krauwel teeken gaf

van herbeginnen. En weerom was 't maaien tot den avond toe en zoo voort

veel dagen achtereen. Dan merkten zij eerst hoe hun staal in de klaver

gebeten had: een groote kale vlakte die nu volzet stond met gedroogde

gerzing als een slagveld vol kleine, ronde kapeltentjes. Maar vòor

hen bleef het altijd dezelfde groene, wiegende zee zonder einde. Op

't laatst werden zij zich thuis te voelen en gewend op dat grootwijde

land, alleen onder den hoogen hemel met de schoone zon; 't was of

hadden ze ievers elders geen menschen meer of magen die wachtten naar

hun weerreis. Z'en vroegen niet voor wie ze wrochten of en verlangden

niet naar loon, het voldeed hun alleen dien vredigen slag te slaan

met de groene klaver en ze voelden hoe goed het was gerust te leven

bij elkaar. 's Avonds vooral kwam de leute boven; na den langen dag en

waren zij nooit te moe of te afgemat en voelden nog krachten over voor

't spel. Daar stoeiden de jongsten lijk veulens over het geschoren

veld tusschen de tentjes rond achter malkaar en mieken spartelbeende

tuimelboomen om het vlugst. Rommelaere haalde dan zijn trekorgel uit

en speelde al de kermisdeuntjes van 't dorp. Sieper, Boele en Sneyer

en Wies met veel anderen zongen overluid de blijde liedjes mede. Als

't hun te plezierig werd grepen zij elkaar in de leden en dansten zot

in de ronde. Tot ze moe en uitgeraasd zich afgelamd lieten neerzakken

bij de oudsten die uitgestrekt te rusten hun pijpe rookten.

--Jongens, vermaande de oude Wiezeur, ge krijgt uw beste dagen eerst,

de zonne zal gaan gloeien en laat ons maar de zeis mangelen met de

pikke, ge zult de dansers zien hijgen! Maar de drieste kerels en lieten

er hun leute niet voor en wachtten zonder vrees het voorspelde branden.

Sedert de nachten verzoelden en sliepen de maaiers binnen hun kot

niet meer, maar bleven buiten op 't veld uitgestrekt liggen slapen in

't hooi. Hooge boven hun hoofden zaten en pinkelden de sterren in

den staalblauwen hemel,--die waren dezelfde van thuis op hun dorp

en met die makkers konden zij vrij droomen bachten moeders schuur,

in een zomermeerselken te slapen.

Na veel dagen werken lag het groot klaverstuk plat en afgemaaid, maar

de boer leidde hen op een ander, even groot, en daar mochten zij op een

nieuw herbeginnen. De tijd keerde daar eentonig in zijn vereenzaming

zonder afgewisseld te worden door den wekelijkschen blijdag waaraan

de pikkers in hun land zoo gewend en verlangend waren. De zondag was

hier ongekend, ze wrochten heel den tijd tot tegen den avond en dan

kregen zij enkel den overschot van den dag om verzet te zoeken. En

zij mieken er vrij gebruik van! Op een vlucht waren zij van 't veld

naar hun kot en trokken er haastig hun beste vloeren broek en nieuwen

blauwen kiel aan. De meesten gingen om 't grootste plezier en veel

menschen te vinden, naar 't bijliggende dorp en deden er hun herte

deugd aan veel wijn en luide liedjes.

--Waarom gaat-je niet meê met ons? vroeg Wies aan Rik, ge blijft hier

alleen staan droomen als ge daar al dat verzet kunt hebben!

Rik had liever geen zondag gezien, dan dacht hij altijd veel meer aan

huis, voelde dubbele deernis in zijn beteuterd leven. Hij zag geern

al de makkers vertrekken zonder belust te zijn naar hun verzet;--het

beviel hem beter hier alleen rond te slenteren in de velden en op het

hof. 't Werd er zoo stil dan en rustig overal rond dien tijd. Daar

bleef hij soms staan lanterlullen onder eenen boom, speelde met een

stroohalm in 't zand lijk de jongens, of stond met den schouder tegen

den hoekmuur geleund te kijken naar de kiekens die hun laatste zaadjes

zochten voor het slapen gaan.

Hij ging geern de groote stallen af in heel hun lengte vol koeien en

peerden. Daarna trantelde hij weer naar zijn kot gaan futteren in zijn

zak daar er veel kleinigheden van huis in staken. De zinkende avondzon

en al het goud en stofrood stemde hem altijd weemoedig. Hij dweepte met

Lida en vond dat het nu goed zou zijn haar te schrijven. Hij haalde

al het noodige uit en kwam in de klaarte zitten, buiten aan de deur

van 't kot. Het papier lag over een planksken op zijne knieën en hij

hield de potloodpenne gereed, maar hoe hij 't zou aanvangen het haar

te zeggen al dat er daar binnen zat, en vond hij niet.

--Lida, ik ben hier alleen in den avond. We leven hier zoo een wonder

leven. Zoo ver van u en van huis. Lida, gij zit thuis, alleen, onder

den boom, in den avond. Op wien peinst ge nu? Ik zie u zitten alsof

ik bij u zate. Zoo klaar uwe oogen en heel uw wezen. Schoone voor

mij. Gij en gaat nooit uit mijn gedachten. Bij nachte ook niet. Dat ge

wist hoe geern ik u zie. Ik en durfde het u nooit zeggen zoo bevreesd

was ik dat gij mij stuur zoudt bekeken hebben en boos zijn op mij.

Hij was nu werkelijk thuis en aan 't praten heel vertrouwelijk met

zijn wonder meisje, en hij voelde als bij waarheid al de deugd er

van over zich loopen. Zij zat daar stil te kijken, zoo vredevol met

die goede deemstering tusschen haar en hem. Wat werd het nu overzalig

aangenaam malkaar schaars te verkennen nog in die vallende donkerte. Nu

en spraken zij geen woord meer maar ze verstonden zoo goed al wat

ze te zeggen hadden. Geluk, geluk met een vrees, een angstigheid om

't eindeke dat er moest mede gedaan maken.

't Was grimzwarte avond reeds als hij opschoot en wist dat 't al

leugens waren en zinnenbedrog? op zijn knieën lag het bladje wit

papier en daar en stond nog geen letter op geschreven.

De pikkers kwamen half bedronken thuis bij benden en zij bralden

woest hun leute uit; zij vielen neêr op hun stroo en raasrulden nog

wat bij hun eigen tot ze geweldig aan 't snorken gingen. Sneyer en

Kretse waren gewond en bebloed; z'hadden, met nog twee pikkers uit een

anderen ploeg, tegen een heele bende inlanders gevochten en gesteken.

--Zondag slaan we ze gruisdood, de spotters! we trekken er allemaal

naartoe! Zij zeuren in 't spel en z'hebben daarbij mijn geld gestolen

en mijn uurwerk, de deugnieten! vloekte Kretse. De roste dief! hij

zal lang achter zijn hoofd zoeken, 'k heb er op getimmerd met mijn

boothamer, lijk op een geblutste pikke!

--We gaan erop los met ons pikke, Zondag; met ons pikke,

verdomme! hielp Sneyer.

Zwijgen! beval Krauwel, Wies vertelde in 't stille aan Rik den toegang

van het wreed gevecht. De dorpelingen waren beginnen spotten met de

vreemde pikkers; dan hadden ze samen wat gespeeld, maar als Sneyer

vond dat ze zeurden en stolen, dan waren ze opgebriescht en erop

beginnen slaan en stampen: z'hadden met een halfdozijn pikkers heel

't dorp omver gestooten.

--Rik, 'k weet nog anders nieuws! 'k heb kennissen van tegen ons dorp

gevonden, een grooten ploeg pikkers, die zijn oostwaards op gaan

werken; voorzeker vinden wij ze bij 't overgaan naar boer Quélin's

koornvelden. Rik, slaapt ge reeds?

--Ja, zei Rik, maar hij zinde altijd wat hij ging zetten in zijnen

brief.

Den volgenden zondag zat hij weer op zijn blad papier te dubben. Maar

nu moest hij erdoor en hij vertelde in korte reken wat hij hier deed en

hoe hij leefde en de groeten van Wies en 't nieuws aan moeder en dat

't met alleman wel ging, dat ze schoon weder hadden en niemand ziek

en was. In den ondersten hoek kwam het half weggedoken--een klein

woordeke maar--over zijn groote genegenheid. Lida zou wel vatten dat

't heel ernstig en groot bij hem was, maar dat hij zwijgen moest

omdat elkendeen 't zou weten.

Hij was niet tevreden over zijn brief, hij zou hem weeral scheuren

ware 't niet dat hij vreesde den volgenden nog slechter te maken. Hij

plooide hem in den omslag, sliep heel dien nacht bijkans niet van

onrust en 's morgens voor den dag stond hij gereed om den peerdeknecht

te spreken die den brief zou meêdragen en in de stad bestellen. Rik

sprak schoon aan den kerel, gaf hem wat stuivers voor den vrachtkost

en beval den brief toch wel zorg te dragen om hem niet te verliezen

of te vergeten.

--Zeker niet, beweerde de knecht. Zie, hij zit hier wel geborgen

onder mijnen hoed, als ik in de stad kom draag ik hem recht naar

't posthuis, betaal er den stempel en hij is op weg!--Juu!

De peerden waren voort; maar de kerel was nog maar den draai om,

hij monkelde en grijnsde tusschen den tanden:

--Die simpele jongen! met zijnen brief! 't is zeker naar zijn meiske

dat hij schrijft. Ware 't geen zonde Gods al dat geld te verteren

aan dat papierken?!

Hij haalde den brief van onder zijnen hoed, verfrommelde hem tusschen

de grove handen en kauwde hem tot smoes in zijn mond.

--'k Zal wijn koopen met den jongen zijn stuivers, dacht hij, en hij

verdronk het geld in een kroeg onder weg.

Rik wrocht heel den dag blijgemoed en zong en schuifelde omdat Lida

nu algauw zou te weten komen van zijn groote begeerte en dat hij

zou mogen naar huis keeren nu in de blijde verwachting van heuren

kostelijken glimlach.

Met overdanig geweld en na langen tijd kregen de maaiers een einde

te zien aan hun klaverveld. De boer zegde hun dat 't laatste áf was.

--Borre en Labbe, ge zult gij getweën morgen in de vroegte uitzetten

naar Quélin, de koornboer, zei Krauwel tegen de twee pikkers, zeg

hem dat we hier zijn en afkomen naar zijn hof toe.

's Anderdaags zetten de twee voorloopers uit met de boodschap.

De anderen maaiden nog twee volle dagen, dan was hun werk af en heel

't ommeland stond nu vol spitsbekte kapeltentjes lijk een overgroot

slagveld, op verren afstand gezien.

De boer riep de maaiers nu allen in zijn beste kamer, schonk hun

menigvuldige kroezen wijn! zoodat de kerels luide en blijgemoed aan

't klappen gingen en boften met den boer als den besten van al de

werkbazen. Intusschen haalde de fijnaard een zak geld dien hij deed

reutelen, miek hun rekening en telde noesch en dweersch zoodat de

halfbedronken lummels er niet wijs uit gerochten. Boele en Krauwel en

Sieper vermoedden wel dat er iets faalde en mis was, maar zij wisten

niet goed waar en konden het niet wel uiteen doen. De boer schonk

altijd wijn, prees hunnen goeden arbeid, telde luide de zilverlingen,

vroeg de maaiers voor den volgenden zomer terug te komen en of ze

tevreden waren met de betaling.

De tafel lag vol blinkend zilver; Krauwel dubde nog wat en zei

eindelijk:

--Ja, 't was sakkerbleu schoon geld, gauw, kerels strijkt ze maar

op! elk zijn deel.

--Wilt ge nog eens hertellen?

--Neen, neen, baas, we betrouwen ons op u, w'hebben recht gewrocht,

ge zult ons recht betalen.

Sik nam blijgemoed zijn geld op en hing de klinkers in een beurzeken

dat ze op hun bloote borst aan den hals droegen. Ze waren blij,

de kerels, zooveel geld te hebben, maar in de ziel toch wisten zij

bedrogen te zijn.

--De duivel, hij heeft ons onttrokken, zei Sieper als ze buitenkwamen,

maar, voort, verdommelinge, w'hebben toch goed geld, 't is het eerste,

we zullen er geluk mede hebben, 't is wel verdiend!

Zij kraamden hun pak op, lieten hun wijn afloopen dien ze niet meer

drinken konden, en heel de bende vertrok zonder ommezien, door de

dubbele dreef, naar 't zuiden. Zij zongen weer dat 't hellemde en

stapten met goeden moed.

--We zullen niet ver te gaan hebben, meende Krauwel, zoo gauw ons

mannen toe zijn zal Quélin zijn wagens zenden.

Heel den nacht nog gingen zij, maar met den morgen zagen zij twee

groote vierwielers afkomen en Borre en Labbe die teekens deden en

luidde tierden.

't Waren nog dezelfde peerden en knechten van verleden jaar en de

oude pikkers waren er blij om de vroegere kennissen te vinden.

Zij kropen allen op de wagens en vooruit nu! De zweepen kletsklakten

in de lucht, de peerden stormden door 't stuivend zand en 't plezier

begon. Rommelaere trok aan zijn orgel en al de mannen zongen heftig

mede,--'t was of reden zij in triomf naar een groot feest. De hemel

zat zoo blauw en welfde wijd boven de goudkleisterende zon. Overal

waar de pikkers de oogen wendden was 't éen gouden zee van wiegelend

koorn: ze werden lijk dronken van de geweldige klaarte. Zij staken

de armen wijd uit, lieten het hoofd geneugtig achterover vallen en

wezen in de ronde als wilden zij het al overgrijpen.

--'t Moet áf, 't moet áf, al het koorn moet áf!

Krauwel zat te monkelen op zijne bank en scheen wel voldaan over

zijn mannen.

De wagens rolden door de straat zonder einde, nu rechts een weg in,

dan weer links vooruit en nievers was er huis noch stake te zien.

Rik voelde zich meêsleuren in die vreemde streek altijd verder en hij

meende hier nooit meer uit te kunnen. Hij kreeg benauwdheid en gruwenis

van dat koorn, die vredige goudstroostalen met die spelende halmen

en die zware zon erop zoover dat zijn oogen altijd vergeefs het einde

zochten, altijd koorn en nog koorn. Dat werd hem danig vreeselijk.

--Wies, hoe ver is 't nog?--Wies, waar voeren zij ons naar toe? we

zullen hier nooit meer uit geraken.

Maar Wies loech luide om zijn verdutsheld, hij greep Rik bij 't lijf

en danste rond op den wagen.

--Toon u niet vervaard, sukkeleer, of Krauwel jaagt u weg, jongen,

dan kunt ge de koeien wachten op d'hofsteê en niet pikken met ons,

de kerels begekken u voor 'nen truntaard.

Daar verre stond een gedoen, groot als een stad, 't was Quélin's

hofsteê! Ze reden de wijde poort binnen en kwamen op de opene plaats,

omheind langs vier zijden met huis en stalling en schuren. Van veel

kanten kwam er volk bij om de pikkers te groeten. Meest allen waren

goed gekend op 't hof. Krauwel en Sieper waren er reeds zes maal

weergekeerd; de Boeles en Sneyer met verschillige anderen wel vier

maal, van Wies was 't tweede jaar. Die wisten hier goed den weg en

gingen zich gaan ontlasten in de blauwe spelonk. Dat was de wijde

strootent achter 't hof: een vierkantig dak op zware stijlen. Hun

bedding moesten zij erin opmaken, evenals bij den anderen boer, en

daar werden de groote schotels met vleesch en aardappels gebracht en

wijn zooveel ze drinken wilden.

--Niet te geweldig, kerels! vermaande Krauwel, w'hebben maar korten

tijd om te nuchteren: morgen voor den klaren moet de pikke spelen.

Daar kwam een werkmeester bij, dezelfde van verleden jaar, die hun

wijs miek hoeveel koorn er af te doen was, met welk stuk ze moesten

beginnen en alles aan de voorwaarden als verleden jaar.

De vrucht staat wonderschoon, gasten, en als 't voort goed weder

blijft zult ge gauw uw geld gewonnen hebben.

Na het eten wandelden zij nog wat rond over 't hof. Hier voelden zij

zich aanstonds thuis en vrij in die groote doening. Rik en bekwam niet

van zijn verwondering, hij wandelde met Wies, en vroeg en taalde om

uitleg van al die dingen.

--Dat volk en kent hier malkaar niet? 't is lijk een heele stad, Wies.

Daar in eene opene schuur waren er kerels bezig een koe te slachten;

ginder hamerden andere duchtig bij een smidsvuur; in den versten hoek

wrochten timmerlieden, elk was aan zijn eigen werk gespannen en bezig,

zonder opzien naar dat van zijnen gebuur. Knechten en meiden liepen

in en uit de stallen, peerden met wagens en landalm reden over 't

hof door een krioeling van hennen en kiekens en zwijnen en huppelende

kalvers. Wat een levende miereling en gewroetsel ondereen!

Wie mag dat hier al bezorgen en bezeilen op zulk een gedoen? En

daarbij stonden de pikkers lijk versch toegekomen werktuigen die

daar ver buiten het hof den grooten arbeid gingen doen in den openen

zonnelaai. Elkendeen bekeek die kerels met een zacht spottende achting

om de wondere taaie kracht die daar in hun rustige armen stak, en

hier en daar éen monkelde om de goedgezapige domheid die hij meende

te vinden in de oogen van den vreemdeling die zich hier zoover van

huis kwam doodbeulen.

Maar de pikkers lieten heel het bedrijvig gewar draaien en gingen op

hun stroo, hun laatsten rustigen slaap gaan zoeken, in lang.

't Was volle nacht nog als zij weer op en recht stonden buiten de tent,

heel werkveerdig in hun wijde, korte broek en blauw wollen baai die

los om het lijf hing en hun breede borst en ronde armen bloot liet.

Hier en daar éen wreef den vaak uit de oogen en keek vragend in

de lucht. De laatste sterren zaten nog uit en een vlijtige maan in

't groote bleekblauw boven hun hoofden.

--Gauw, mannen, grijpt uw pikken, we gaan zien.

Een nersche wittigheid lag over de velden gespreid en geen halmke van

't koorn dat roerde; hier en ginder kriepte een krekel en verre blies

een boschuil.

--We zijn hier heel alleen, zei Kretse.

--Ja, en evengauw krijgen we gezelschap van vrouwe zon, gekte Sneyer,

zie-je daar heur poorte opengaan?

Hij wees den blozenden glans die lijk opstuivende rook uit het oosten

den hemel kleurde.

--Ik den eersten! zei Boele, en zijn pik velde een armvol koornstalen.

Dat was het grijpteeken, elkeen sloeg een kruis voor 't goed begin,

spuwde in de handen en daar ging den veeldubbelen slag van de pikke en

't ruischen van 't koorn dat viel. De mannen stonden wijd bedeeld in

een lange rei zoodat ze schaars elkander zien konden, elkeen gebogen

over zijn werk en lijvelijk slaan, gezapig voort. De dag klom al over

hunnen rug zonder dat ze opkeken of verademden. Stilaan kwam de zon

die de uchtendnerschheid kwam opzuipen en welhaast begon de hitte op

hun lijf te wegen. Met 't uitbersten van 't zweet voelden de pikkers

eerst hun volle macht aankomen; zij schoorden de beenen, hielden het

hoofd recht hoven het geknakte lijf en nu kon het zweetwater vrij

van hen afstroomen, geen hittekrachten konden hen deren. Zij zwaaiden

de armen door sterke drijfkracht bewogen; de linker haakte het koorn

vliedend terwijl de rechter lijvelijk de pik omhoog bliksemde en met

een korten ronk neêr, zoodat heel de haakgreep afgesikkeld op den

grond ruischte. Zij geleken aan beesten lijk ze daar stonden, op vier

pooten aan 't wroetelen in hun vrije, driftige doening, aangezet en

overgoten door het teisterende hittelicht van de zon--altijd vooruit:

kruipen en slaan, eenbaarlijk slaan zonder uit of einde tot de pikke

bot stond. Dan gingen zij aan 't kloppen met den hamer en klabetterden

met den wetsteen over 't staal om met nieuwe snede te herbeginnen.

Het bengelend noenklokje was het eenige verlossingsteeken. Dan sprongen

zij op en liepen om het zeerst naar het hof dat daar ingelommerd

rustte onder zijn groote boomen lijk de gelangde oase te midden een

vuurwoestenij.--Ge moet tenden uw bekomste eten, raadde de werkbaas

die daarbij stond.

Maar hij moest het hun niet zeggen, het eten smaakte goed en de

drank nog beter. De dikke vent die zoo gemakkelijk leefde hier op

't hof bewonderde die taaie kerels en hij leed mede als hij hun

gebrand lijf zag en bezweete wezens. En hij voelde behagen met hen

te bezien in hun heelende rust. Achter het eten zochten zij koelte en

verfrissching in den vischvijver. Zij dompelden naakt lijk de puiden

op en neer in het slijkig, lauw water en kwamen er groen en bemorsd

weer boven en ze loechen om de aardigheid.

Dat ontdeed hen van al de vermoeienis en ze gingen er dan heftig weer

op los naar 't veld.

Die achtermiddagen was het er vreeselijk. Heel het land stond doorlaaid

van schreeuwende zon die nu lijk schroeiend vuur loodrecht uit de lucht

neerviel. De jongste pikkers voelden telkens een bange beklemdheid

als zij dien hoogen barm op moesten en aan strijd vallen tegen al

die hitte en de macht van koorn. De anderen dachten aan niets en

gingen er bedaard henen; ze trokken den rand van hunnen hoed voor de

oogen, en met gebogen kop beukten zij vooruit en hakten om de bres

te meerderen in den dikken muur van stroostalen die daar manhoogde,

en altijd ondoorzienbaar vóor hen recht bleef.

--Waar zou-je nu liever zitten, Kretse, vroeg Sneyer om te gekken,

nevens uw Karolientje met een verschen pot bier in de Meerschblomme

of te spartelen in 't Scheldewater thuis bij avonde?

Niemand en voelde den moed om te lachen met Sneyers aardigheid;--de

zon vlijmde hier zoo geweldig, hun keel werd zoo droog dat hun de

adem achterwege bleef en 't zweet lekewijs uit het vel droop. Wie

was de radelooze zot die nu met bier voor den dag kwam, dat lekker,

koel, schuimend bier uit den frischen kelder van de Meerschblomme,

en het goede Scheldewater, bij avonde! God van den hemel! Zie de

jongens hoe ze zich pijnen om niet te vallen.

Rik ademhijgde als een gejaagde hond, hij en tastte den bodem niet meer

onder zijn voeten; zijn oogen zagen de flikklaarte van den dag niet en

zijn lijf werd onder en boven geroosterd. Zijn armen sloegen altijd

voort zonder dat hij zelf recht wist wie ze opjoeg. Nu en dan veegde

hij met de hemdsmouwen het vervelend zweetwater uit de oogen en loerde

links en rechts om te zien of er geen makkers nevens hem dood vielen.

--Regent het hier nooit in dat land? vroeg hij stil aan Labbe die

lijk een levende duivel aan zijn rechterzijde de armen zwaaide.

--Ja, regenen, jongen, 't kan hier vijf weken lang water gieten aan

een eind evenwel als thuis, bij ons, zonder uitscheiden, en dan kunnen

wij liggen rekken in ons tente en al ons geld opeten. 't Weer is goed,

knape, wat geweldig maar daar wordt ge wel gewend aan met den tijd.

--Regenen, o, dat 't toch maar een dag regende! wenschte Rik; 'k en

weet niet wat ik al geef om een druppel water uit de lucht of een

wolklap vóor de zon!

Maar de gloeistralen schetterden sterk lijk een hoongillende

teistering.

Labbe had den jongen toch getroost en hij kreeg nieuwen moed daar

hij hoopte met den tijd te harden tegen die foltering van hitte, en

te kunnen werken gemakkelijk even de andere pikkers. Lida en thuis

en heel zijn passie, dat stond nu al weggeneveld, halfversmoord in

een ongenaakbaar verre verledenheid; Rik vond noch tijd noch lust

meer aan iets van zulks te denken; de dagen waren niet alleen warm

en lastig, maar zoo buitenmate lang: heel den nacht door moesten

zij werken en achter een tijd werd hij zoo afgemat en verlamd dat

't hem verwonderde hoe de beenen onder zijn lijf niet en begaven;

hij werd overvallen door zoo een geweldigen vaak en langde naar niets

meer tenzij naar rust, en alles buiten dat werd ijdel en zot: slapen,

slapen, slapen! werd zijn eenige wensch. Leg mij ievers onder eenen

euzieleek of op den mesthoop, dat ik dood ga maar rusten, toch rusten

mag!--dacht hij, maar zegde alevenwel niets omdat hij wilde evenals

de anderen, sterk blijven.

--Heeft de zon nu al gedanst? vroeg hij aan Wies. Het scheen hem

onmogelijk dat 't nu nog warmer kon worden. 's Nachts en kregen zij

zelfs de deugddoende koelte niet meer; geen druppel dauw viel er nog

uit de verpulverde lucht. Het was als een tijd zonder dagen: een lange

eind gloeiende zonneschijn zonder avond of morgentroost. De donkerte

en de sterren, die voortijds zoo goed het hittevuur kwamen blusschen,

waren nu versulferd en de hemel sloeg open en toe, gescheurd door

benauwelijke bliksemschichten. Voor dag en klaarte kwam de nieuwe

hitte weer op zonder ievers trek of gat te vinden om uit te waaien

en ze kwam altijd opeenstapelen lijk in een gestookten oven. Wanneer

komt er verlossing of koelte? of zullen we hier allemaal verbranden,

mijn God! En nievers een einde of uitkomen. De pikkers bleven altijd

ingesloten door die wreede omheining van koorn, 't werd of groeide

het effenaan weer uit den grond naarmate zij het hier vóor hun voeten

neerkapten.

Geen pikker die nog sprak of vertelde op het werk, zij vreesden dien

machtigen vijand daarboven en wrochten stommelings voort in de bange

verwachting dat een van die stralen hun den dood zou komen aandoen.

Rik voelde zich ziek worden dien laatsten dag en overvallen van een

groote flauwte. 's Avonds volgde hij traag de bende naar 't strookot

en viel er onmachtig neer op zijn bed.

--Dat ik hier lange mocht blijven zonder dat het nog eens klaar en

dag wordt! wenschte hij.

Die korte uren waren hem zoo wonder: hij wist niet meer of 't slapen

was of waken 't geen hij deed. Hij woonde weer op zijn dorp, maar

durfde het niet gelooven.

Hoe wonder: daar bij de linde stond hij te wachten naar Lida. Hij

zag haar komen in 't wit, klare zonnelicht en speurde zoo duidelijk

het neigen van heur leden en het wuiven van heur kleeren in haren

tred. Heerlijk waaide hier de jonge wind door de nieuwe lente;

't was er deugdelijk koel in het lommer onder de groene blâren.

De Oogst · 第 2 / 5 段