Wies was enkel zijn makker geweest en Lida was hem daarvoor

DE OOGST

DOOR

STIJN STREUVELS

VIERDE DRUK

L. J. VEEN--AMSTERDAM

Rik lag plat uitgestrekt in 't gras onder de linde en Wies zat, over de

knieën gebogen, op het bol van een gevelden eik. De jongens rookten hun

pijp in den avondstond. Nu en dan maar zegden zij, halfstil, een woord,

meest over dingen die ze wisten en evengoed ongezegd konden laten. Maar

zij trokken gestadig nieuwe kuilen blauwen rook uit hun pijp, die

opspiraalden uitdunnend, hoog in de lucht boven hun hoofd. Achter

de openstaande huisdeur in 't donker, wrocht Lida met moeder aan

't schoonkuischen van schotelgerief en ze koutten stil onder elkaar.

Rik wendde dikwijls het hoofd naar het donker deurraam dat zwartvlekte

in den witten muur en hij dacht wel:

--Waarom blijft Lida vanavond zoolang in huis?

Hij voelde of had iets te kort of verlangde onbewust naar iemand die

moest komen gezelschap houden. Maar nog altijd ging het gleiertikken

van tellooren en kommen met gefoezel van halfduidelijke, zacht

gesproken woorden. Nu wisten de knapen niets meer en ze zwegen.

--Waarom is Wies haar broeder en is Lida mijn zuster niet? dacht Rik.

Als hij weer 't hoofd wendde stond het meisje in 't donker deurgat en

was aan 't afbreien van een langzwarte kous. De jongen rechtte zich

halfop met de handen en hij keek hoe zij met stillen tred naderde en

ging zitten rechtover hem, nevens Wies, op het bol van den eik. Hij

rustte het hoofd op de voorarmen en zóo, gemakkelijk uitgestrekt, bleef

hij haar liggen bezien. Hij voelde een nieuwe tevredenheid in haar

bijzijn: het invullen eener leemte, waarnaar hij lang gewenscht had.

--Nu is het goed in den avond, zei hij stil.

Niemand en antwoordde maar 't deed hem deugd dat ze nu zwegen, en

hij verlangde naar niets tenzij daar te mogen liggen en kijken naar

Lida en eenzaam smakken aan de welligheid die hij daarbinnen voelde

opkomen, iets als zwemmen in ongerimpeld water zonder einde.

Zie, hoe de heldere mane daar zit boven in de lindekruin tusschen de

kromknoestige halfnaakte takken! de jonge bladeren vlekken zwart op

dat gouden veld lijk ongedurig, wemelende inkteklaters. Binnen huis

ging het geslof van Wies zijn moeder die daar in 't donker alleen

bleef;--anders en repte er geen geruchte in heel den omtrek.

Rik bleef welvoldaan omdat zij allen zoover uitgepraat waren en niemand

een woord en vond dat 't zeggen weerd scheen. Hij luisterde naar het

tikken van Lida's overeenwerkende breinaalden. Daar van omlaag gezien,

zat heur wezen vol donkerte en op 't einde twijfelde hij of heur oogen

zoo vriendelijk stil in de zijne keken of dat ze halftoe op heur werk

waren gericht. De wellust kwam in hem op als een kriezeling zoo dat hij

de oogen neerwaards dwong en niet meer opkijken durfde. Daar in 't gras

nevens hem lag het bolleken zwarte wolsajette dat gestadig versnokte

en opsprong telkens heur klein vingerke den draad deed inkorten.

--Morgen krijgen we weer een schoonen dag, fazelde Wies tusschen

de tanden.

--De zomer komt vroeg, wederzegde Lida, en wat later:

De smoor hangt uit, 't is versterking, zie, en zij rechtte het hoofd

en keek wijd uit over 't veld.

Zoo koutten ze stilaan voort in schaarsche half ingehouden woorden,

over land en weêr en spel en leven, heel gewoon; lijk broêr en

zuster. Rik had ook iets willen inbrengen maar al zocht hij ook rond,

er was niets dat goed scheen. Zijn oogen snuisterden weer in de donkere

haarkroezeling om Lida's hoofd en naar hooger op; daar zocht hij in

den bleeken hemel naar de eerste sterren die, lijk pas ontstoken

kaarslichtjes, van langerhand kwamen uitpinken. Ginder te westen,

ver over de velden, tegen 't uitveegsel van 't vergane zonnegoud,

zwommen er witte wolkjes lijk groote bloemen zonder stengel. Daarbij

werd de stilte zoo rein dat 't staaltikken van Lida's naalden nu

duidelijk geruchte miek.

--'t Is alsof wij gedrieën alleen op de wereld waren, dacht Rik,

en die wereld werd nu zoo vreeselijk wijd, zoo groot! en hij voelde

zich meêzwellen en zag hoe Wies en Lida daar en de gevelde boomstam,

eendlijk uitgroeiden. Nu en schafte noch en zocht hij meer van waar

die voldaanheid uitkwam die evenals de goede dauw, rijkelijk rond hem

neerviel. Hij dronk en zwolg zijn geluk als deugdelijke zeupen water

bij grooten dorst en lag daar te verlangen: naar meer, altijd meer en

dat het eeuwig zóo duren mocht! Daar rustte een zware goedheid op de

boomen, op het land hier, over al om dat huis bij Lida en Wies--elders

was 't de dood en daar dacht hij niet aan, nu. Naarmate het donkerde,

vernauwde die wijde kring in een goede omheining rondom hen.

Lida liet haren brei in den schoot vallen; zij rok de armen hoog

uit en legde haar hoofd achterover geleund tegen den lindestam. De

deemstering vervaagde de lijnen van haar wezen en vulde de diepten

met wondere schaduwen. Rik zocht nog altijd om dingen te zeggen die

hij heel traag wilde laten neerleken in de stilte. Dat speelde rond

in zijn hoofd, maar zoo gauw hij 't in woorden wilde vastgrijpen,

hervormde dat zoo vreemd.... Wies zou lachen om zijn gezegde en Lida

verbaasd opkijken en hem ongeloovig bezien met wijde, vragende oogen;

lachen zou ze niet, dat was hij heel zeker, te meer dat 't nu zoo

stille, zonderling avond was. Ze zat beeldstijf te staren.--Waarom

hield zij die armen zoo hoog en haar lijf zoo uitgespannen?--Zij deed

dat veel en die houding bracht bij Rik zoo een naar gevoel vol onrust,

dat hij haar verstolen met half toegenepen oogen bezag, met vrees

dat ze hem betooveren zou.

--Van den nacht zal ze mij weer berijden als een kwade mare, en toch

kon hij den wellust van haar zicht niet laten.

Nu had hij haar, met een stil woord, willen doen verkijken uit die

verte, om dien langen blik naar zijn oogen te doen komen.

--Hoor dien krekel, hier onder 't gras.

Wies noch Lida en zegden daar iets op en ze luisterden of telden de

flauwe kriepgilletjes van dien krekel. En als dat luisteren weer zoo

uitgerokken lang duurde dan werden die kriepjes als zooveel scherpe

scheersneden die 't stilzwijgen in gelijke eindjes korf. Rik werd bang

op 't laatst, niet voor zichzelf, om de verdrietigheid of verveling,

maar hij vreesde voor 't gene die effene vlakstilte zou komen breken

en dat glazen kasteel ging doen invallen. Dan kwam onvoorziens uit

de opene huisdeur, zoo stoorscheurend gewoon, moeders:--Lida, we zijn

slapen, kom!

Dat was het plotsinvallende teeken dat 't uit was voor vandaag. Lida

schoot wakker uit haren droom, liet de armen zinken en nu ging er

tusschen hun drieën een gesprek aan over de dingen uit 't dorp,

over 't werk; Rik vertelde van Dirk Koole die zou trouwen met een

vreemde; dat Pikkaert zondag laatst gevochten had tegen drie felle

boschkanters. Lida vroeg gewone dingen over Riene en Tielde--Rik

zijn zusters--en eindelijk rechtten zij zich alle drie tegelijk op,

rokken de leden uit al geeuwend en wenschten elkaar een goên avond.

--Tot morgen, wist Lida nog en ze keerde weer zoo genegen haar hoofd

naar hem. Dan was zij met heur broêr in huis en Rik wandelde alleen

door den avond. Nu had zij duidelijk naar hem gekeken met haar donkere

oogen zoo vreemd vragend, dat hij al zijn bloed voelde verkruipen

en had willen huilen van geluk. Nu zou hij naar huis, maar eerst wat

zinnen nog over al 't geen er in zijn hoofd omwoelde. Hij stond daar

nog en hoorde hoe Lida met heur heldere belstem het gebed voorlas. Dat

ging lijk muziek over 't veld en dan eerst, als heur zangzeggend gebed

uit was en niets meer en roerde rondom, werd hij gewaar dat 't nacht

was bijkans en dat hij nu naar huis moest. O, hij droeg een rijkdom

en blijheid in zijn hoofd en dat danste over op al die zwaar zwarte

boomen daar en door heel den hemel onder 't groot blauw geluchte,

vol! Lida, Lida zag hem geern! Zijn leute moest hij uitjubelen in

een schallend koewachters "halarialo"! maar hij durfde de rust niet

breken rond zich en hij haastte en verlangde daar boven op zijnen

zolder te zijn, alleen om traag al de beeldschatten uit te pluizen,

te her-overdenken: al de woorden die ze zei, en met toegenepen oogen te

kijken op het gouden schemerbeeld dat in zijn hoofd geschilderd stond.

Thuis viel er een smachtende adem op hem; zoo dof, ongezellig waren

hier al de dingen: moeder zat daar zoo suffig ineen gezonken met de

oogen vol vaak; de broers, zij lagen lang, moede uitgestrekt over den

vloer op tafel of banken, en Riene met Tielde, zijn zusters, zaten

onder den blaker van 't blikken lampje, te naaien. Hij zegde hun

allen een stillen goên avond en schreed den zoldersteeger op. Daar

sloot hij met zorg de deur om goed alleen te zijn en al het vreemde

ver van zich weg te hebben. En nu strekte hij lang zijn leden op het

stroobed, beet op de tanden en voelde een warme krijzeling over zijn

lijf loopen,--zijn beenen krimpten op en dan strekte hij zich weer

uit om kalm te smakken aan zijn gedachten.

Hij zou nog bijlang niet slapen en zooveel hij kon, liggen denken.

--Lida, Lida, Lida! "Tot morgen!" had ze hem gezeid!--Morgen mocht

hij weerkeeren, en zoo voort zou dat geluk in een ronde draaien en

nooit uit zijn! Morgen nog een avond. Later kon hem niet schelen.

--Wacht, wat zal ik haar zeggen, morgen? waarom ben ik altijd zoo

beteuterd, verlegen als ik onder die linde lig en zij daar vóór me zit?

O, er waren zooveel dingen die hij haar zeggen zou, maar zijn

opgemaakte voornemens vielen meestal uiteen als zij hem bekeek of

zelf aansprak, zoo dat 't gesprek voor een heelen avond op een ander

wegelken bleef.--Dat ze nu zei wat ze wilde, 't was hem altijd even

aangenaam en hij hield het zijne verduldig uitgesteld: later zou hij

wel tijd vinden, om haar heel zijn voorraad te vermonden.

Hij wilde haar zien, enkelijk zien; daarom neep hij nu weer de

oogen dicht, duwde diep het hoofd in het kussen en ze kwam daar:

op den boomstam onder de linde, 's avonds; opweg naar de kerk, aan

't putten van een emmer water, of stond gebogen aan 't groensel

plukken in den lochting. Hij zag haar levend met al de natuurlijke

plooiïngen van haar lijf, in haar gewoon doen, maar zoo onzeggelijk

schooner nu, beschenen met dien goudglans, veel anders dan bij dage

in de werkelijkheid. Nu wilde hij heur traag bekijken, heelegansch:

heur haar, oogen en mond, de lijn langs haar heup, den val van heur

nijdlijken blauw-netten voorschoot,--maar die dunne nevelsmoor kwam

heur weer omwinden, zoodat hij niets meer duidelijk herkennen kon. Hij

zag enkel heur twee zwartbruine oogen--de blik die hem vanavond zoo

doorkeken had--die blonken lijk twee lichtjes zoo zacht, en spreidden

een vreemde klaarte uit zoodat 't werd te zonneglinsteren onder de

linde met zoo'n wonderlijke wemeling daar in de bladeren. Groote

witte bloemen schoten overal tusschen--vlakronde zonnebloemen met

roodbeperelde herten, omkransd met geluwe vlamtongen en beneden

groeiden er hooge lischvlimmen met gloeiroode en witte kollebotten

die traag wiegelden. Daar midden in troonde Lida heel in blank en ze

zat daar stil op den bolleboom en keek meelijdend vriendelijk van uit

haar hoogte op hem neêr. Op 't laatst werd die lichtschittering te fel

voor zijne oogen en hij voelde zich wegvoeren op een rolwagentje met

zoetzingend spel, naar een ander land. Daar zwom hij in een grijze zee,

wijd overwelfd met groenigheid, waarachter een groote zon gedoken zat,

en een beeld ievers, maar 't was alles zoo overgroot dat hij verzwolg

in 't opademen van de veelte van genot. En zachte zonk hij neer in een

smachtend gevoel van kriewelende kitteling die hem zeer gelukkig miek.

's Morgens in die kletsheldere zonneklaarte lijk hij daar stond met

de drie koeien langs de gracht, zoo nuchter, dan werden de dingen van

gister heelemaal anders. Zie, ginder ver op 't glinstergroene veld,

in den zonneschijn, wrocht Lida met de andere boerenmeissens. Zij

speelden en schatergekten onder 't werk. Lida boog en rechtte haar

lijf--o, ze was de schoonste van al, maar zonder droomerij in de oogen:

de blijleutige deerne nu, vlug aan de hand, altijd brad en vroolijk,

met den klinkhelderen lach gereed op de lippen en de blinkend witte

pereltanden bloot. Dat was het blij werkelijke leven, nu. Die menschen

verstonden niets van zijn droomen en hij twijfelde of hij ook niet

een dutsachtige sul was?

Het was zoo lastig met dien zwaren schat, gedoken rond te loopen

tusschen de menschen. Moeder schold hem om zijn droomen voor

luiaard en de groote broêrs gebaarden dat ze het keppekind niet en

kenden. Daarbij werd hij soms overvallen door een droef gedacht:

of er wel iets gemeens bestond tusschen hem en Lida?

Was dat oogenspel wel vattelijk voor dat blijlevend meiske? en kon

ze bij éen van zijn woorden raden dat hij zot, razend zot van haar

was?--Lida dat werd soms doodeenvoudig de zuster van Wies, en Wies

die was zijn makker, en Lida ze knikte en koutte genegen omdat Rik

de makker van heur broer was; al 't andere wond hij zichzelf op en

haalde 't uit het oude boek van den zolder en uit zijn eigen zieke

gedachten. Dat miek hem neêrslachtig en wreed ongelukkig. Waarom

deed hij niet lijk Pol en Lieven en Jaak en zijn ander broers?--die

wrochten heel de week met blij gemoed zonder aan iets te droomen

en 's zondags gingen zij gearmd met hun deerne naar een of andere

kermis. Die vroegen er niet naar, of ze wisten toch zeker, geern

gezien te zijn. En Riene en Tielde, ze zongen heel de week en ze

hadden ook elk een jongen die haar halen kwam om te wandelen.

--Ik zal heur zeggen.... Lida, 'k zie u geern--: haar nooit meer

bezien of wel er open naartoe gaan. Maar op den zelfden stond wist

hij wel en zeker het haar nooit te durven zeggen.--'t Best was:

alles uit zijn hoofd steken, lustig leven en aan niemand denken. Ze

was toch veel te hoog voor hem.

Maar waarom bekijkt ze mij altijd zoo diep in de oogen? dacht hij,

doet ze dat zonder inzicht? zonder te weten dat het aanzet en me

betoovert? Waarom legt zij zich altijd in die deemstering zoo met de

armen uitgerokken achterovergeleund met halfopene oogen te glariën lijk

een luie kat? En dan monkelplooit ze weêr zoo aanvallig heur lippen.

--Doet ze dat voor heur zelf of ook als ik er niet bij ben? En daar

hij heur bij dage ontmoette kon zij zoo vreeselijk gewoon groeten en

hoofsch lijk een vorstinne, op den kleinen koeier neerzien! of hem

ook in 't geheel niet opmerken, was 't dat ze met een buurmeisje aan

't praten was over kleeren of tooisel. Dan viel ineens die gedroomde

innigheid weg. Als ze niet heelemaal de zijne wilde worden liet hij

haar liever af. En de hooggevierde Lida was een vreemde voor hem;

hij zou er niet meer naar omzien, 't was vast nu. Hij werd spijtig

om al de gedachten en genegenheid die hij aan heur verspilde; was

ze niet wreed ondankbaar en ijdel, daar zij hem niets van 't hare

wederzond? Wat gemeens bestond er tusschen hen beiden?--niets dan

wat simpel oogenlonksel! 't was al.

Tot tegen den avond leed dat weg- en weerwerpen van beschuldiging

en verschoonen.

Met 't stil wegzinken der zon welde de zachte weedom weer op. Dan kwam

zij zelf vóor hem staan en hij was weêr aan 't meêdrijven naar de oude

droomerij; door een lijntje van haar wezen, het dansen van een slutse

haarkrul in heuren hals, of de ronding en plooien van den voorschoot

om hare heupen, werd hij razend om haar sierlijke schoonheid, lam

geslagen, en al 't andere buiten haar: 't dorp met al de menschen en

moeder, verzonk en verdween voor hem in een duistere verte.

't Werk was nog niet geheel af, als hij weeral verlangde en zich

gedreven voelde naar buiten, bij de linde.

Want, jammer genoeg, hij durfde daar elken avond niet gaan zitten

of voorbijgaan, dat zou te oogschijnlijk uitkomen dat hij Lida

vrijde en hij vreesde dat zulke mare in eens heel zijn geluk kon

uiteensmijten. Soms miek hij een vast besluit er in lang niet meer

heen te gaan; maar met den avond kwam de bekoring weerom sterker,

hij gaf stilaan toe, draaide rond en keerde tot hij toch op het

onweerstaanlijk plekje aankwam. En als 't gebeurde dat hij daar

niemand vond, ging hij gaan dompelen alleen in de velden en hij voelde

zich verlaten en droef. Die vereenzaming was hem te zwaar om dragen

alleen; hij moest iemand hebben waaraan hij vertrouwelijk zijn ziel kon

uitzeggen. Maar dat hij al rondzocht hij vond niemand: zijn broers dat

waren grove lummels die meestal met de bende uit gingen werken waar

er ievers een vaart te delven of groote hoopen aarde te verbeulen

was. Bij Riene en Tielde ook niet,--die en wisten er niets af van

't geen hem lette. Lida alleen, maar 't was de Lida die in zijn hoofd

woonde--met haar sprak hij over al die wondere dingen, boven daar hij

in zijn bed te denken lag. Dan koutte hij vertrouwelijk even alsof ze

hem door den stillen avond waarlijk op dien afstand hooren kon;--en

's anderendags, bij klaren dage, zag hij in haar donkere oogen dat

ze hem goed verstaan had.

Morgen, als ik haar alleen vind, zal ik het haar wezenlijk zeggen,

dacht hij. Met één ding te eenegaar zou hij beginnen tot het,

op 't einde, al was klaar gelegd. Maar zoo gauw liet Wies hen

alleen of hij wierd benauwd om zijn woorden en hij zegde meestal

niets tenzij gewone dingen, zoo dom dat hij er spijt over voelde,

zoogauw ze gezegd waren. Ze moest een vreemd gedacht van hem hebben,

Lida, en z'en zou er wellicht nooit een woord af weten van al zijn

wonderlijke gevoelens. 't Ware best dat hij verre van hier weg was

en met andere menschen leefde. Er lag hier zoo'n gemoedelijke kalmte

over al de dingen.--Zie, die koeien daar hoe lam ze den kop rechtten

en voorttrakelden in den avond, en al dat rood van de zon achter de

tronken,.... z'en zal in lange nog niet zinken, dacht hij. De dagen,

ze winden zoo gezapig en de tijd spint zoo staag zijn kluwen uit! Als

hij nu liever voor zijn eigen genot beminde en verheugd was in 't

stille om haar schoone oogen, was dat geen geluk om bij te dansen! en

zag hij een einde aan zijn zaligheid!? De zonnewarmte kwam zoo goed en

't groen van de versche lente stond overal uit.

Moeder vroeg wat er heuren jongen scheelde, of hij ziek was, waarom hij

treurde? Maar z'en vermoedde niets, de goede vrouw, van zijn inwendige

doening. Eenigheid en wat rust, dat alleen miek hem gelukkig; als hij

maar ver weg kon kruipen waar hem geen mensch vinden kwam, en zitten

zinnen bij zichzelf, dan wenschte hij van niemand eenige hulp. En nu

ging dat veel beter thuis. Gister liepen al de grootste kerels van

't dorp over straat en zij zongen. Toen Rik thuis kwam vond hij

Teune, Carpus, Klaas, Pol, Lieven, Jaak, die hun pakken mieken en

mede vertrokken naar een groot aardewerk ievers in 't noorden. Tegen

den avond was het dorp en 't huis heel stil en Rik was er blij om,

nu alleen te zijn met zijn zusters, in deugdelijke verenkeling. Nu

kon hij verstolen naar zijn zolder sluipen en daar heele stonden

zitten lezen in het oude boek met al die wondere dingen die hem zoowel

bevielen. Daar was een prentje in dat hij bovenal geern bekeek: in een

heerlijk priëeltje wandelden een slanke prins gearmd met een vorstinne

heel in wit; zij gingen zoo traag onder die heimelijke diepten vol

lommer van hooge boomen, en ze moesten zij toch malkaar aangename

dingen weten te vertellen. En die warme zonneklaarte scheen hem,

in dat lommerland, zonder einde. Dat zou hij Lida eens toonen later

en heur vragen of ze 't ook zoodanig mooi vond.

Hij pluisde geern in zijn gedachten om te achterhalen hoe dat met

Lida begonnen en die koorts in hem gekomen was. Wanneer had ze den

eersten ooglonk geworpen die hem zoo ontstelde? Toen ze kind nog en

klein meiske was, had hij met haar gespeeld zonder eens te merken dat

z'er anders dan al de jongens uitzag. Later--en nu verdoolde hij in 't

menigvuldige der feiten--had hij beginnen verlangen om haar te zien en

te ontmoeten. Den eersten keer, 't was van in zijn zoldervenster dat

hij haar zag, en merkte: heur ranken, witten hals onder de glooiing

van de bruine haarkroezels--dan was zijn hert beginnen kloppen en

sedert dien ging Lida van heele dagen uit zijn gedachten niet meer,

en hij wenschte altijd tot het avond werd om haar te vinden bij Wies

onder de linde.

Nu ook sleepte die dag zoo lang en 't was of wilde de zon, met langs

om min goeden wil, onder gaan; de avond kwam niet.

Vandaag zou hij haar willen zien in 't klare licht. Heur beeld stond,

door 't altijd kijken met die deemstering tusschen haar en hem, zoo

wazig en onduidelijk in zijnen kop en hoe hij ook pijnde om de strepen

van haar wezen met zware lijnen te omtrekken, dat ging niet. Hij zou

haar lang bekijken om niets van 't geziene te vergeten. Daarom zette

hij, zoo aanstonds het schemeren begon, uit naar heur huis. Maar

hij hoorde, van ver nog, groot gerucht van veel stemmen onder den

boom, Lida zat er en Wies ook maar nog veel makkers uit het dorp. Hij

verkende Sneyer, Pinne, Fons Zeurkel, de drie Boelen, Krotse en Sieper

die vertelden van den oogst in 't Zuidland. Hij kwam stil bij geschoven

en liet hun luide stemmen gaan zonder naar iets te luisteren van 't

geen ze zegden. Gedoken bachten Sneyers rug keek hij naar Lida,--ze

zag er blijgestemd uit vandaag en lijk preusch daar alleen meisje te

zijn bij al die kerels. Tusschen de rookdrendels van den opvunzenden

tabak, keek haar aangezicht zoo lief en nu zag hij het heel duidelijk:

de wolle kroezeling zoo zwartbruin om haar wit voorhoofd--geen meisje

wist met zoo'n zwierigen wrong haar hoofd te sieren.--Dan volgde hij

de lijn langs haren neus, maar zijn zinnen verdoolden door een blik

uit haar diepe oogen, waar hij heel die wereld in zag! en ze wierd

weer de goede Lida, ál schoonheid, en hij dacht er niet meer aan,

te zoeken waar de toovering van heur wezen begon of eindigde. Zij

koutte leutig met de gasten die om het meest hun werkdaden vertelden

van 't verre land. Rik had maar een enkel ding opgemerkt uit heel hun

gesprek, 't was: dat groote Krauwel zijn ronde deed achter pikkers,

en dat al de makkers hem toegezegd hadden den oogst te gaan doen naar

't Zuiden. Als 't donkerde zat Lida nadenkelijk voor zich uit te

staren en z'n zegde niets meer.

Nu was ze weer het wazige schepsel met die rozige krullipjes en

den zonnigen glimlach, uit zijn droomen. Hij en hoorde noch en

zag niets meer rond haar. De laatste was hij die goên avond zei

en vertrok. Hij slenterde voldaan naar huis even als na een langen

blijdag vol leute. De velden geurden goed en de maan dreef zoo zacht,

zie, in een hemel hoe blauw! hoe groot! 't Was of al de dingen

voort waren, weggenomen, en hij daar alleen gelaten stond met dien

stillen avond. Bij den gevel thuis hoorde hij moeders stem luide aan

't kijven. Als hij bij de deur bleef staan luisteren hoorde hij hoe

Tielde weende en moeder luide zei:

--O, gij zot schepsel! wat gij denkt! Verschafel lacht met u, 'k

en wil bovendien niet dat ge nog naar hem omziet. Wat, hij zou u

vragen te trouwen!? O, gij simpel schaap! die dat gelooft! Weet ge

niet dat hij een begoede boerezoon is? en gij, Tielde Busschaert,

een meisje zonder iets? Waar zou ik het halen om u wat te geven? Uw

vader, de goede Segher, is zeven lange jaren ziek geweest en heeft

al opgeëten en vermeesterd wat we bezaten. En uw broers, wat brengen

zij naar huis? Wacht, kind, tot de trotsche Verschafel het weet,

hij zal zijn zotten zoon doodranselen! ha, ge luistert gij naar

jongens liflafferije!

Tielde ademsnokte gedoken onder haar voorschoot toen Rik binnentrad

en moeder deed maar altijd voort:--Maar, hij vest u blauwe bloemkes

op; hij zal een tijd leute met u maken om u dan te laten zitten! en

u uitlachen, gij lichtekooi! zoek ievers een armen duts om honger

meê te lijden, dat zult ge wel vinden. Ha, 't was daarom, dat nieuw

kleed en al dat snuistergoed!?

Rik was zeer aangedaan door dien onverwachten storm en hij ging

haastig naar zijnen zolder.

Dat was nu weer een breuk in zijne droomen; dat viel lijk eene donkere

onweersvlaag over zijn geluk, en al 't ellendige van den werkelijken

gang stond daar vóor hem. Nu wist hij het eerst heel klaar: hij was

een arme jongen!

In Tielde's verdriet en deelde hij niet veel, maar die woorden van

moeder sloegen hem diep--hij dacht voor den eersten keer: ik ben een

arme sul, zal Lida niet afhondig over haar schouder kijken naar den

jongen die ijdelhands op haar toekomt, en moeder Beucke ze zal mij

ongenadig van de deur gooien?!

Wies was enkel zijn makker geweest en Lida was hem daarvoor genegen

wellicht. Maar moest ze eens gewaar worden wat hij eigenlijk

wilde!.... Daar stond nu ineens de groote scheidschreef tusschen

hen! Hij verdoemde vaders geldkostende ziekte en de slemperij van

zijn broêrs die hem arm mieken, en hij benijdde den goeden welstand

bij Lida. Hij had haar willen in nood zien en jankend van honger naar

hem om hulp komen. En hij dan, in staat een overvloedigen rijkdom

mildelijk rond haar uit te gieten; dan had hij die trotsdonkere oogen

zien smeeken en drukkelijk opkijken! Dat deed ze immers nooit.

Maar 't was anders beschikt en hij kende geene uitkomst; 't ware best

geweest nu, kon hij maar gauw wegdommelen, aan niets meer denken en

ievers in een ver land weer wakker worden waar hij heur nooit meer

terug zag.

's Anderdaags was hij aleven slecht gestemd. "'t Moet uit zijn, dacht

hij, of later loopt het op een ongeluk."--En hij besloot weg te gaan.

Een langen halven dag wachtte hij naar groote Krauwel, en als hij

hem eindelijk van zijn ronde zag thuis komen, ging hij er met vasten

stap naartoe:

--Krauwel, wilt ge mij mee naar 't Zuidland?

De groote kerel bekeek den jongen.

--Hebde nog gepikt?

--Ja, twee drie keers al.

--In 't vreemde niet?

--Neen, hier op 't Ganzenhof.

--Weet-je wel jongen dat 't ginder brandt in de lucht en hard werk is!?

--O, 'k kan daar tegen, vraag het maar aan Wies Beucke, die zal

't u zeggen.

--Kom dan, 't is voor de naaste weke en we trekken er diep in dees

jaar.

Krauwel haalde een schroô papier uit den broekzak en teekende met

een potlood een kruisken onder aan de lijst.--Rik liep weltevreden

naar huis.

--Moeder, mag ik meê den oogst gaan doen?

-- Wat, jongen, droomt ge? Blijf stil bij uw moeder, da's geen werk

voor u, ge zijt nog veel te jong.

--Moeder, laat mij, Wies gaat ook en ik zal bij hem blijven.

Hij overreedde moeder tot ze op 't einde ja zei en toestemde.

--Nu, ga ik toonen wie ik ben, en hij rechtte zich in trotschen moed,

ik keer terug met mijn zakken vol geld--dan zullen we zien. Is er

niet genoeg, te naaste jaar haal ik er nog meer bij! Hij was vol goede

meeningen over zichzelf en vol hoop in 't geen komen moest. Maar Lida,

Lida, 't bleef en 't was overal Lida dat hij zag in alle dingen,

's Avonds kwam hij onder de linde waar hij weer eenthoeveel jonge

pikkers vergaard vond. Hij ging eerst stil bij Wies en zei hem dat hij

mede den oogst deed; Lida raadde zijn zeggen en ze monkelde ongeloovig.

De kerels die ginder reeds geweest waren en alles gezien hadden,

vertelden van de overgroote koornstukken daar, ho, wel tien dorpen vol,

al hemel en koorn om af te pikken, en dat z'er in geslegen hadden,

dag en nacht--en van de wreede zon! Sneyer had een man zien doodvallen

nevens hem, steendood!--Dan wisten ze nog veel over de boerenhoven

ginder waar de knechten elkaar niet kenden: zooveel waren er!

--En de boer, dat is zooals een koning in zijn land, hij weet er geen

einde aan! wist Sieper.

Rik luisterde benieuwd naar die wreede dingen, hij kreeg inwendig

vrees en toch voelde hij een groot verlangen meê te gaan doen in dat

geweldig werk, naar 't verre land.

--Dan keer ik weer als een volslagen kerel en 'k mag meespreken overal.

Wies en kon niet meer slapen, zoodanig verlangde hij.

--Sa, jongen, zei hij en sloeg op Rik zijn schouder, ginder zullen

we ons armen en ons macht ontbinden en er ferm in losslaan.

Als de anderen weg waren, bleven Rik met Lida en Wies nog wat zitten

rullen ondereen, lijk vroeger.

--Lida, wat gaat ge hier alleene doen, en waaraan zult ge denken

eens dat we weg zijn? wilde Rik heur vragen, maar hij vroeg het

niet en vertrok dien avond weer zonder iets te zeggen van al het

gereedgemaakte.

--Eer uit het land te gaan, den laatsten dag, zal ik het heur al

zeggen, dacht hij.

Wies had hem gesproken van de groote winst ginder en hij verblijdde

zich reeds met 't voorgedacht van dien rijkdom. "Als ze mij dan nog

afwijst vertrek ik voor goed en niemand ziet mij nog terug!"

Thuis was moeder in volle werk met zijn gereedschap; hij moest

nieuwe kleeren en veel versch goed hebben. Hier of elders en wierd

er van niets anders meer gesproken. De Pastor ging rond naar al

de huizen en vermaande de kerels om ginder goed op hun plichten te

letten en 't kwaad te vluchten, hetgeen ze allen met veel goeden wil

beloofden. Krauwel kwam ook nog om te zien of er niemand zijn woord

wilde intrekken en 't afreizen bepaalde hij nu voor vast: binnen

twee dagen. Niemand die nog wrocht, ze moesten te veel bij elkaar

gaan op bezoek en alles schikken, en vragen bij de "oude pikkers" wat

er meest noodig en best mede te dragen was. Zij gingen bij den smid

hun bootalm, pik en krauwels doen maken, naar de winkels om versch

goed en kleeren. De groote blauwe tweezakken werden volgepropt en

elkendeen verlangde om te vertrekken.

Rik was 't meest bezig hoe hij van Lida zou afscheid nemen; vóór te

vertrekken naar ginder ver wilde hij toch gerust zijn en zeker moest

ze weten dat hij heur razend geern zag;--en hij brak zich maar gedurig

het hoofd om te vinden de manier hoe heur dat te bekennen.

--Ik verlang te vertrekken, zegde hij, maar om een ding alleen zou ik

hier wel willen blijven. Omdat ze hem naar den naam van dat ding niet

vroeg durfde hij niet verder te spreken.--Maar ze lonkte toch met heur

oogen perkantig dat ze hem begreep,--dat deed hem het meeste deugd.

Binst den nacht liepen Krauwel met zijn bende door 't dorp en zij

zongen overluide. Maar Rik was op moeders raad, vroeg gaan slapen.

--'t Zal zeker wel de laatste keer zijn in lang dat ge dweersdoor

zult te rusten hebben, had ze hem gezeid.

Nu lag hij in bed te luisteren naar 't wild gezang en de luide leute

van de gasten.

--Moet ik mede met die druiste kerels?! dacht hij en er kwam een

groote vervaardheid bij hem op.

Alevenwel stonden Wies met Sneyer, Broecke, Pinne en al de anderen 's

morgens voor den dag, gereed en blijgemoed te wachten op straat.--Van

alle kanten kwamen er nieuwe pikkers bij, zoo dat heel de plaatse vol

stond: krachtrijke kerels, sterk op de beenen in hun donkervloeren

broek en rooden ledenband, een blauw kielken dat los hing over

hun wreede schouders en een oud vilten hoed met neêrgetrokken rand

over hun wezen. Zij droegen den blauwgestreepten baalzak met kost en

gereedschap op den schouder en stonden geleund op den pikhaak, gerust

rond te kijken naar de bijkomenden. De moed en de veerdigheid blonk in

hun oogen en hun leden die rustten nu, toonden te meer de overdanige

krachten die ze meê droegen om wonderdaden te doen ginder verre. Ze

meumelden wat ondereen, ernstig; anderen plaagden malkaar en trappelden

rond vol onrust en verlangen. Veel vreemd volk liep over de bane: elk

wilde zijn kennissen zien en groeten. Moeder Busschaert was verslaafd

aan 't gereed brengen van Rik's laatste dingen.--Weder hij wilde of

niet er moest een potje versche boter met een schotel zwijnsvleesch

in zijn tweezak voor in 't eerste van de reis;--ze bracht hem nog

wijwater en hing hem een Lieve Vrouw-medaillieke en een kruisken over

den hals.--Dan kon ze 't niet meer ophouden, de tranen liepen over

haar wangen en ze keerde heur wezen om uit te snikken. "Heb goeden

moed jongen," stamelde ze, en de vrouw moest weer het hoofd wenden.

--Heere God, 't is zoo ver te gaan, en zoo lastig; Pieter heeft daar

zijn ziekte en zijn dood gehaald. 't Was tijd. Met een krachtigen

zwaai gooide Rik den tweezak over den schouder en vertrok; moeder

en Riene en Tielde kwamen mede.--'t Eerst zocht hij rond tusschen al

het volk naar Wies,--ha! hij stond daar bij zijn moeder en Lida ook,

die luide aan 't kouten was tegen de makkers.

--Nu, dacht hij, zal ik haar eens goed bekijken, 't is lange weg te

zijn, en 'k moet dat wel van buiten kennen om ginder in mijn eenigheid

haar heel te kunnen samenzetten en bij te houden.--Zou ik het haar

nu durven zeggen:--Lida 'k zie u geern en 'k zal ginder heel den tijd

op u peinzen; na den zomer ben ik hier weer.

Zij bezagen elkaar en monkelden.--Z' had zich, met opzet voorzeker,

heel net opgeschikt van den morgen en scheen wonder welgemoed.

--Ik moet er nu ook een ferme kerel uitzien, dacht Rik.

--Zijt ge niet vervaard van het werk? vroeg ze hem.

--Ho, al waar het nog zooveel? gekte hij en schoof met een duchtig

gebaar den hoed achteruit.

Hij zou nu nog wel wat gezeid hebben, maar er stonden zooveel menschen

bij, en moeder hield hem gedurig in gesprek en Lida was zoo bezig

met heur broêr.

--Krauwel is daar! Van achter den kerkhofmuur kwam de groote

Krauwel. Zonder spreken stapte hij tusschen zijn kerels en nam ze

goed in oogschouw; hij telde ze op en: "Niets vergeten gasten?!"

--Neen, neen! riepen zij.

Dan gaf hij teeken van vertrekken. Bendewijs, twee en twee of gedrieën,

gingen zij vooruit; velen gearmd met hun meisken en het hoofd gebogen,

vertelden al wat ze wisten voor lang; anderen nevens hun wijf, gaven

afscheidsplakjes aan de jongens. Wies en Rik met moeder en de zusters

stapten traag nevenseen.

--Wies, jongen, zult ge toch goed, naar Rik letten? smeekte moeder,

de jongen is zoo teêr!

--Betrouw er u op, Fiene, ik zal er zorg voor dragen en we komen de een

zonder den ander niet naar huis, zegde Wies om het vrouwke te troosten.

Daar ging nu niet anders dan hun halfluid gekout en de zware tred

van al die vernagelde schoenen op de straatsteenen. Elk was bezig met

zijn volk. Aan 't kapellekruis bleven al de vrouwen staan,--tot daar

uitgeleid, was 't gebruik. Elkendeen riep een laatste "goê jongste,

geluk, en goên thuiskeer". Rik had de oogen op Lida,--ze wenschte hier

en daar een schertsenden groet naar de jonkheden die haar plaagden;

hij wachtte verlegen zijne beurt,--moeder bezag hem altijd en hij

werd ongemakkelijk. Een blijden oogslag ving hij, maar nu kreeg ze

weer dien trotschen wrong om de lippen en het fier draaien van den

hals dat hem ontstelde.

--Ik ben weg, dacht hij, en hebbe niets gezegd, z'en weet niet,

en misschien....

Dan wendde hij nog eens het hoofd om moeder te groeten,--en daar

speurde hij even Lida weer op, die hem nu zoo schalks toewenkte met

haar oogen, als spotte zij om zijn kinderachtige bedutsdheid. Zie,

nu had hij willen terug naar heur toeloopen en al kunnen zeggen wat

hem op 't herte lag,--maar Wies vroeg hem: of hij iets vergeten had.

Moeder bleef staan wachten om een laatsten groet van heuren jongen,

maar hij zag haar niet meer.

--Wies, jongen, zei hij, wat moet ons dorp verlaten zijn en eenig

vol ledige vlekken, als we daar, zooveel groote gasten, uit weg zijn!

--Da's niet, Rik, ze zullen wel leven zonder ons en we komen eens weer,

de zomer is zoo lang niet.

Nog maar rechts waren zij den draai van de straat om, of al

het ernstige van vertrek en afscheid was vergeten en de leute

herbegon. Rommelaere haalde zijn trekorgel uit, de kerels stapten

op maat van den voois, grepen elkaar bij den arm, zwaaiden hoog den

pikhaak en zongen om het luidst:

Sa we gaan

ja we gaan

't land uit!

Ja we gaan 't land uit.

Met goeden moed naar ginder verre!

Sa we gaan,

Ja we gaan

met ons pikke, met ons pikke,

ja, we gaan

ginder verre

al het koorn gaan afslaan!

Zoo stapten zij dapper 't dorp uit en een ander in, altijd voort den

heelen dag tot ze 's avonds in een ongekende streek reeds, bij een

vreemden boer slaping zochten.

Rik voelde met bangheid dien afstand van huis vermeerderen; hij

trappelde meestal stommelings en gelaten mede in de bende met de

gedachten op het vreemde land waar hij naartoe ging en op al de

wreede dingen ervan die zijn makkers met onbeducht gemoed bespraken;

dan weer droomde hij op thuis en al wat er daar nu leefde in zijn

afwezigheid. Dat scheen hem nu een zoo stil, gelukkig oord, waar

hij in den laatsten, korten voorzomer heel zijn zaligheid verleefd

had. Al die avonden voelde hij met hun gelukzieke teederheid, en

hier op het onbekende, bloote land overviel hem eene groote treurnis

om dat vergaan genot.--Wat zullen ze met mij uitrichten? dacht hij,

en de groote dingen van den geweldigen zomer kwamen in hunne wreede

laaiing vóor hem staan. Boele had hem eendelijke standen verteld van

den zonnedans op een korenveld! Maar later haalde hij weer nieuwen

moed in 't sterk vertrouwen der makkers die nevens hem gingen. "Ha,

ha!" gekte Wies, "we zijn de twee jongsten, ze zullen ons wat sparen,

en als we 't niet meer uithouden, laten we ons vallen en gebaren ons

dood voor een halven dag!"

De anderen stapten gejaagd met verlangen om 't werk te beginnen.

--Daar kunnen we toch eens de armen loslaten! al de koornstukken hier

overkijken we, en eer 't spel in gang is ligt het al afgepikt! Ginder

is het anders,--koorn, al koorn zoo wijd als een zee!

Rik keek vol bewondering die mannen in de oogen: dat werden nu al zijn

groote broeders en van hen verwachtte hij veel bijstand. De eene lange

dagreis volgde de andere: zij mieken de nachten kort en haastten zich

vroeg weg, altijd gejaagd om verder 't zuiden in. Over den blakken

heideweg geleken zij een zwarte woeling van menschen, uitgejaagde

landloopers op zoek naar geluk. Zij werden moede op 't laatst en

gerucht en gezang was lange reeds gestild; zij gingen zonder opkijken

en spraken zelden. Na al die dagen gaans zagen zij rechts en links,

bezijds de breede bane, een oneindigheid van magere vruchtvelden en

daarin, alhier, aldaar verzaaid, overal gelijke kerktorentjes uit een

troppeling lage huisjes opsteken. Verder waren de vlakten bloot en de

einder wijdde uit over onafzienlijke stukken vageland en moerassen. Zij

gingen dag uit dag in door de zelfde richting zonder talmen, aten op

't getij langs den weg en sliepen in een schuur of onder den blooten

hemel. Bij dage werd de zon duchtig warm, de nachten niet te koud en

van langs om meer werden zij gewaar dat 't Zuidland niet ver meer

af was. Bij 't opklaren van een volgenden dag zagen zij de torens

van een stad achter den nevel;--volgens Krauwels zeggen moesten zij

die links laten liggen, later zouden zij er nog een veel grootere te

dweerschen hebben en daarachter.... lagen de velden waar er te maaien

en te pikken viel.

't Was met een groote benieuwdheid dat de pikkers die stad inkwamen;

zij keken zich de oogen uit in die rijke straten; verloren den adem

tusschen al die menschen en huizen. Zij hadden hier lang willen

vertoeven en al die wondere dingen her en her overkijken, maar de

drijf lag verder en Krauwel gebood goed bijeen te blijven om niemand

te verliezen. Achter de stad kwamen zij in een nieuw land; 't blauw

van den hemel hing er om zeggen veel hooger over een uitgestrektheid

vol vruchten: wijde koorns en haver en gerste en gras en dat alles

onafgelijnd zonder straten of scheidspalen, rechts en links de wijde

baan, bezet met vier reken groote boomen, 't was lijk onder den beuk

van een overgroote kerk dat ze gingen en tusschen de stammen staken

de hooge vensterramen waarachter heel die zonrijke wereld blootlag.

Tenden den dag kwamen zij aan een hofsteê.

--'t Is hier, zei Krauwel, dat we ons eerste werk beginnen, en hij

vertelde veel bijzonderheden over den boer waarmede zij meest allen

voor 't eerst zouden kennis maken.

De mannen stonden afgemat en moede, bedremmeld te staren over een

veld maairijpe spaansche klaver.

Zij gingen nog wat verder en voorbij het jonge koorn.

--'t Zal een goede oogst zijn, meende Sieper, zie hoe 't allemaal

rechtop staat, als 't weer droog blijft, pikken we op halven tijd

den oogst af.

Daarachter zagen zij de hooge daking van veel gebouwen en een

torentje opsteken. Krauwel ging alleen de groote hofpoort binnen en

de anderen legden hun vermoeide leden wat te rusten in 't lommer van

de boomen. Zij vermieken hun gekwetste voeten en bedienden elkaar

met de heelmiddels uit hunnen tweezak. Welhaast kwamen veel jongens

en meisjes en vrouwen van de hofsteê om de pikkers te zien die van

ver toegekomen waren. De boer kwam ook buiten mede met Krauwel. Een

lange magere vent met zwarte kwade oogen. Hij sprak luide in een

vreemde taal en deed barsche bewegingen met hoofd en armen.

--Dat is de overeenkomst die hij maakt met Krauwel, voor ons werk,

zei Wies tegen Rik.

De twee bleven op een afstand staan, en als, te langen laatste Krauwel

bevestigend het hoofd knikte en ze elkaar een duchtigen slag in de

hand gaven, naderden zij tot de makkers! De groote boer bezag al die

werkers, sprak nog wat over den toestand van den oogst en de klaver,

vertelde dat er over eenige weken een andere bende aangekomen was uit

't zelfde land, en dat die nu aan 't werken waren in de beeten. Dan

keerde hij zonder ommezien weer naar zijn hof.

--Zoo makkers begon Krauwel, we zijn ingespannen! morgen slaan we

den slag. Hij wist hun den loonprijs van hun arbeid uiteen te doen

en de regeling van het werk.

--Hier deugt het niet te goed voor den oogst, jongens, we maaien hier

enkel de klaver en trekken 't land in voor 't koornwerk.

Een klein meisje kwam hun den weg wijzen waar ze gingen eten en slapen

binst het verblijf.

Het leidde hen achter de stalling, door de schuren en andere nauwe

stegen, tusschen gebouwen en aangetrekken, naar een groot laaglang

houten kot. Het meisje liet hen daar staan en vluchtte blij-lachend

weg.

--Da's hier ons huis, gasten, zei Krauwel, elk kan hier vrij zijnen

hoek kiezen en zijnen polk om te slapen en hem houden voor goed; we

doen hier lijk de koeien op stal en als we ondereen vrede hebben zal

er ons buitendien geen mensen komen storen. Nu halen we ons gerief

strooiing uit de schuur en we maken ons bed op. De woonst was gauw

gereed en het stroo open geschud; aan het hoofdeind van elk leger

lagen de kleederen en de zak met gerief en alm. Dezen die vermoeid

waren strekten zich maar seffens neer en ronkten. Anderen zetten zich

vier en vier te kaarten of gingen buiten lanteren en rookten hun

pijp. Krauwel met Sieper gingen naar 't boerhuis om wijn te koopen

en brood; vleesch en aardappels zou men op 't hof voor hen koken en

thuis brengen, zoo was 't afgesproken.

Wies en Rik zaten in eenen hoek te praten over 't geen ze gezien

hadden, en zij mieken ondereen gissingen over 't geen komen ging.

--'k Ben blij, Wies, dat we er zijn.--Wat was die weg lang en we zijn

een wreed eind van huis af.

Wies porde en tastte in zijnen zak achter zalf voor zijn gekwetste

voeten.

--En moest er hier een van ons ziek worden? vroeg Rik weer.

--Ja, die blijft hier in 't kot liggen tot hij geneest of dood gaat, en

Krauwel houdt hem het loon van de verloren werkuren af. Morgen zal 't

er op los gaan jongen, hoe meer we werken hoe meer we winnen. "Slaapt

als ge weer thuis zijt!" zal Krauwel zeggen. Verleden jaar hadden

we drie maanden dat we lijfsgenadig wrochten zonder slapen bijkans,

en dan hadden we vroeg gedaan ook: vóor kermiszondag waren we met

ons zakken vol geld alweer thuis.

--Hoelang blijven we hier op d'hofsteê? vroeg Rik.

--Ho, hier is 't enkel klaver maaien, en we pikken verder den

oogst.--Bij Quélin, daar zal 't een lang getij op 't zelfde gedoen

zijn,--'t is een hofsteê meerder dan heel ons dorp; ge zult de oogen

open zetten naar al dat koorn: zoo ver ge zien kunt al éen stuk zonder

straat of wegel daarin, en de boer komt daar stormelings doorgereden

te peerd als hij zien wil of we 't werk in geweten wel doen.

Zoo keuvelden zij stil voort, halfluide en wat bevreemd nog in dat

groot donker kot met naakte berdelen weegen.

Het vat wijn en een mande vol brooden werden ingebracht en al

de pikkers kwamen bij. Krauwel schonk hun een eerste proefteug,

waarna zich iedereen voor goed te slapen legde. De deur van het kot

bleef open om de koelte en door de opening sleepte een weifelachtige

klaartestreep binnen over die reeks uitgestrekte menschen die gerust

en onbekommerd lagen te ronken.

Dien eersten nacht, zoo dicht bij het werk en onder dat gruwachtig

dak, overdeed Rik met een treurig landwee; hij lag bij zich zelf rond

te denken aan die verre dingen en hij overkeek in zijn angstigheid

de kerels die ook hun huis verlaten hadden en toch zoo gewillig den

slaap vonden. Hij lag heel alleen wakker, eenling in een onmeedoogende

vreemde streek.--Thuis gaat het nu alles gewoon weg, en is er wel

iemand op heel de wereld die om den armen Rik bekommerd is? dacht

hij. O, had hij maar de zekerheid gehad te weten dat hier achter of

rond dat akelig kot, zijn eigen huis stond en de mogelijkheid daar Lida

of ware het nu maar moeder of een van zijn zusters, te ontmoeten! Maar

't was een volstrekte onbekendheid vol vreemde wezens die hem niet

aan en gingen. Niemand spreekt hier van huis of van de zijnen, dacht

Rik. Wies lacht met mij als ik van hen spreek en bij mij en wilt het

dorp me uit den kop niet. Lida is buiten wete van mijn groote kwaal

maar.... 'k zal heur eenen brief schrijven, dacht hij, op 't papier

met heur praten en al zeggen wat er mij deert.

De vermoeidheid kwam hem overmeesteren; hij schreef zijn droomen in een

langen brief en daar achter 't open raam, bezoomd met druivenranken,

zag hij hoe Lida's kijbig wezen blij lonkte bij 't lezen van zijn

geschrift.

Vroeg aan den dag werden de pikkers gewekt door overdanig gerammel en

gerucht op het boerenhof met veel hanengeschreeuw en peerdengetrappel

en geroep van knechten en meiden. De klaarte viel door 't open deurraam

en buiten zagen zij de groote zon die opstak en glinsterde boven

't land. Zij moesten eene zeis gaan halen in de schuur en dan naar

't klaverland, heel de bende. De boer leidde hen achter den wal,

bij een uitgestrekte vlakke zee van wiegende groen, bedauwpereld in

rijke weligheid. Dat moesten zij afmaaien. Zij lieten eerst nog een

stonde hun oogen gaan over de wijdte, bezagen elkaar en monkelden

weltevreden om den schoonen arbeid waaraan ze beginnen zouden.--Dan

onderzochten zij het alm, gingen op gelijken afstand in reken staan, en

in die landelijke morgenstilte dreelden zij vlijtig den wetsteen over

't wreede staal dat 't scherregerrend kletsvijlde over heel de streek.

--Nu beginnen we, makkers! zei Krauwel die om te proeven den eersten

slag met zijn zeis in de klaver sloeg.

--Allo, laat ze spelen, het voeder staat malsch en recht, 't snijdt

lijk in de boter, 't is een plezier. Ze spogen in de handen en "zoef"

alhier, aldaar langs heel de rei ging de ronk van 't staal en de lange

klaver boog en viel effenaan plat tot aan den wortel afgeslagen. Met

't eerste ontbinden van hun krachten voelden zij een gezapig geweld

in zich opkomen, een fierheid elkaar te zien: die lange rei mannen

hoog uitstekend over 't groen, daar zoo zwierig staan zwaaien op hun

lange beenen, half doorzwakt en met gelijken wrong het bovenlijf en

de breede schouders keerend, rond uitsmijten hun armen en 't blinkend

staal dat 't jonge groen omverre dreef eer ze 't raakten schier.--Een

bende volk daar, die lijk krijgers met hun alm 't uitzicht van een

groot land zou keeren!

De zon stak hooger al en warmde duchtig, en nog altijd op denzelfden

maatslag waagden de mannen op hun wijde beenen, en de slag ronkte

zingend lijk een windruk die schoer over den grond en altijd nieuwe

strepen kaal sneed. Daarbij galmde het in de puurijle vroege zonnelucht

van blij getater en gezang: de vroolijke liedjes van thuis. Ze waren

hier in hun vrijvreugdige doening en voelden 't genot de leden uit te

laten zwieren en door hun vrijblijden kop gonsde het gezond jeugdig

levenssap dat met den nieuwen zomer overal opschoot. Zij stonden daar

sterk in hun eigen krachten, zonder zorg of kommernis of verlangen naar

iets, genoeg en voldaan met hun eigen zelf en rijk in hun eigen spraak

en gezang, overmachtig te midden die overweldige, vreemde menigte,

zoover van hun huisland.

Boele zong uit zijn forsche keel het goede maaierslied en ginder

aan den overkant deed Sneyer al de kerels schaterlachen met zijn

zotgeestige spotspreuken. Rik zelf vergat al het droomtriestige

van gisteravond en hij werd meegesleept in de uitgelaten

blijmoedigheid. Dat was iets dat hij nooit gevoeld of genoten had, die

breede doening op het wijde land met al die makkers ondereen. En het

werk ging vlug en vroolijk. Hij en Wies en nog andere van de jongsten,

raapten het gemaaide groen in bundels, spreiden het met een handigen

wrong open op den knie en de bundel stond, even een spits torentje

aan den top met een herel toegebonden, te drogen in de zon.

De Oogst · 第 1 / 5 段