228. De oudere richting beveelt zich door de volgende voordeelen aan:

1) De spelling der vreemde woorden en bastaardwoorden behoeft

niet gezocht en eerst door nieuwe, afzonderlijke regels bepaald

te worden. Zij is gegeven: wat het hoofddeel der woorden aangaat,

door de vreemde spelling; wat de uitgangen betreft, door de gewone

Nederlandsche spelregels.

2) De spelling stelt uit haren aard de ware uitspraak getrouw voor. Men

kent deze òf onmiddellijk door het beoefenen der vreemde taal,

waaruit het woord ontleend is, òf bij overlevering van anderen die

haar kennen. De vreemde taal en de vreemde spelling zijn en blijven

dus altijd de kenbronnen der uitspraak. De vreemde spelling stelt

natuurlijk steeds de juiste uitspraak voor, hetgeen de Nederlandsche

in vele gevallen slechts zeer gebrekkig kan doen; de ware uitspraak van

sherry, chocolade, machine, genie, ingenieur, sergeant, patrouilleeren,

compagnon, wordt slechts onjuist en eenigszins plomp door sjerrie,

sjokolade, masjine, zjenie, inzjenieur, serzjant, patroeljeeren,

kompanjon of kompanion afgebeeld. Zelfs onze oe schijnt te lang en

te zwaar voor de Fransche ou, in gouverneur en souverein.

3) De oorspronkelijke spelling blijft wijzen op de etymologie der

woorden. Zij verscheurt den band niet, die het woord verbindt met

zijne verwanten in de oorspronkelijke taal, waarin het is ontstaan en

zijne beteekenis heeft gekregen, en waarin het eigenlijk leeft. Zij

behoudt dus al de voordeelen, die eene verwijzing op de etymologie

kan opleveren voor allen, die de vreemde taal verstaan; en dezen

maken de meerderheid uit dergenen, die zich het meest van vreemde

woorden en bastaardwoorden bedienen.

4) Die richting brengt uit zich zelve geene uitzonderingen mede;

de bestaande zijn gevolgen van het Gebruik, van oorzaken buiten het

stelsel zelf gelegen. Zij kan dus met het volste recht gezegd worden

van een beginsel uit te gaan, dat, op zich zelf genomen, consequent

zou kunnen toegepast worden.

229. De voordeelen aan de nieuwere richting, aan het spellen op meer

Nederlandsche wijze, verbonden, zijn de volgende:

1) Daardoor wordt het uitspreken en spellen van een aantal woorden

voor den minkundige, die de vreemde taal niet kent, gemakkelijk

gemaakt. Althans de meeste woorden uit de doode talen, uit het Grieksch

en Latijn, ontleend, kunnen door de Nederlandsche spelling zóó worden

voorgesteld, als de Nederlander gewoon is ze uit te spreken.

2) Daardoor wordt in vele gevallen het contrast opgeheven tusschen de

Nederlandsche en de vreemde spelling, die niet zelden in hetzelfde

woord vereenigd aangetroffen worden: een contrast, dat op zich zelf

geen nut heeft, en dus tegen den goeden smaak schijnt aan te druischen,

dewijl het de eenheid en regelmatigheid verbreekt.

3) Wanneer vreemde woorden op Nederlandsche wijze worden geschreven,

bekomen zij een meer Nederlandsch voorkomen en worden eenigermate in

de taal ingelijfd.

4) De uitzonderingen op de toepassing van het beginsel der oudere

richting vallen dan in den regel, houden op uitzonderingen te

zijn. Daardoor is de nieuwere richting ontslagen van de moeilijke

taak om naar de redenen te zoeken welke die uitzonderingen wettigen,

en den regel te bepalen waarvan zij afhangen.

230. Wanneer de Redactie de voordeelen der beide richtingen vergelijkt

en aan de beginselen eener gezonde orthographie toetst, dan kan zij

niet aarzelen aan de oudere de voorkeur te geven; vooral wanneer

zij bedenkt, dat alles, wat voor deze richting pleit, een bezwaar

tegen de andere uitmaakt. De oudere toch is in overeenstemming met de

beide groote spellingbeginselen, die in onze taal meer dan in eenige

andere worden gehuldigd en op prijs gesteld: juiste voorstelling der

uitspraak en verwijzing op de etymologie en de verwante woorden. De

nieuwere verloochent het laatste als het ware uit principe, en is

niet in staat aan het eerste te voldoen. Daar een aantal klanken

in de vreemde woorden, uit levende talen genomen, niet dan plomp

en onvolkomen op Nederlandsche wijze kunnen voorgesteld worden,

is het nieuwere stelsel van nature en reeds a priori gebrekkig,

brengt het een aantal gebreken met zich, die het in vele gevallen

buiten staat stellen het beoogde doel te bereiken. Daar de spelling

op Nederlandsche wijze uit haren aard de verwijzing op de etymologie

verwaarloost, versmaadt zij roekeloos een krachtig hulpmiddel ter

bevordering der duidelijkheid; terwijl zij omgekeerd den minkundige

bij het eene of andere bastaardwoord niet zelden geheel ten onrechte

aan eene verwantschap met Nederlandsche woorden doet denken, waardoor

het rechte verstand van het woord voor hem belemmerd wordt. Het

woord compascuum b.v. is zeker voor den onkundige onverstaanbaar;

de latinist echter begrijpt het terstond; doch deze zal zich wel

eenige oogenblikken moeten bezinnen, wanneer hij kompaskuüm geschreven

vindt. De onkundige begrijpt het woord onder deze spelling evenmin,

maar maakt zich nu een geheel verkeerd, duister begrip, dewijl hij

natuurlijk aan iets denkt, dat op een kompas betrekking heeft. Zal

dit vooroordeel hem niet in den weg staan, als hij uit het verband

van den zin de beteekenis van het hem onbekende vreemde woord tracht

op te maken? Zal het hem bij diftong, vokaal, instinkt, dialekt,

longroem (eng. longroom) enz. beter gaan?

De nieuwere richting berooft zich zelve ook van het voordeel, om

gelijkluidende of schijnbaar gelijkluidende woorden door de spelling

te onderscheiden, b.v. korporaal en corporaal (altaardoek), dokter

en doctor, kanòn en cánon, enz.

231. De oudere richting vindt hare spelling zoogoed als gegeven:

de nieuwere moet de hare nog vaststellen en kan daarbij dikwijls

niet anders dan willekeurig te werk gaan. De schrijvers, die der

laatste toegedaan zijn, handelen dan ook geenszins eenparig; men vindt

geschreven: kompanjon, kompagnon en kompanion; konzekwent, konsekwent

en konsequent; kurzief en kursief, enz. Hoe moet het zijn? Wie en wat

zal hier beslissen? Van de oplossing van deze en dergelijke vragen is

de oudere richting ontslagen; zij weet, dat het Fransch en Latijn de

schrijfwijzen: compagnon, consequent, consonant, cursief enz. vorderen.

232. De voordeelen der nieuwere richting zijn meer denkbeeldig dan

wezenlijk. Het eerstgenoemde punt blijkt, bij eene nadere beschouwing,

veeleer op last dan op gemak uit te loopen. Zij, ten wier behoeve

de meer Nederlandsche spelling zou moeten strekken, worden er niet

door gebaat; voor de anderen, die er geene behoefte aan hebben,

is zij een groot bezwaar. Kon en wilde men alle vreemde woorden

volgens de gewone regels der Nederlandsche spelling behandelen,

dan zou zulks zeker in zooverre verkieslijk zijn, dat de kennis der

vreemde talen kon ontbeerd worden. Wij hebben echter boven gezien,

dat er een aantal gevallen bestaan, waarin de uitspraak niet door

Nederlandsche letters kan voorgesteld worden. Doch, wat meer zegt,

zelfs de sterkste voorstanders der nieuwere richting zijn niet gezind

de Nederlandsche spelregels geheel en al toe te passen, zelfs niet

in vele gevallen, waarin dit zeer goed mogelijk zou zijn. En te

recht, want vele woorden zouden dan een al te vreemd en zonderling

voorkomen krijgen. Niemand heeft nog willen schrijven: tema, tee,

teorie, ekzamineeren, eksekuutsie, suksessie, okkazie, publiseeren,

publikaatsie, konsiënsie, inkwizietsie, sistema, higrometer, sienisch

(voor cynisch), scheptisch (voor sceptisch), tietel, artiekel, viziete,

sieter (voor citer), kado, buro, odekolonje, soepjee (voor souspied)

enz., ofschoon die schrijfwijzen door onze spelregels zouden gevorderd

worden en de vreemde uitspraak vrij goed vertegenwoordigen. De geheele

vervorming, die men verlangt, komt hoofdzakelijk hierop neder, dat

men de ph door f; de c, als zij den keelklank heeft, door k; en de

s, wanneer zij zacht luidt, door z wil vervangen hebben; b.v. in

filozoof, fyzika, konzonant enz. Over de vervanging van qu en de

Fransche ou door kw en oe blijken de gevoelens verdeeld te zijn; en

slechts zeer enkelen schrijven -nion en -nie in de plaats van -gnon en

-gnie. Daarentegen wil men over het algemeen de th en y in Grieksche

woorden; de x; de enkele i, ook ter voorstelling van den i-klank in

lettergrepen met den vollen klemtoon; en de c ter aanduiding van den

sisklank behouden hebben, op grond, dat genoemde letters evengoed

als de t, i, ks en s tot het Nederlandsche alphabet behooren. Die

gewenschte vervorming blijft dus in elk geval zeer beperkt, laat in

een aantal woorden den vreemden vorm bestaan, en handelt bovendien

inconsequent. De th is immers evenzeer vreemd als de ph. Men zegge

toch niet: »de th is eene Nederlandsche letter, gelijk blijkt uit

thans en althans, terwijl de ph in geen enkel Nederlandsch woord

voorkomt". Men bedriegt zich dan ten opzichte der eerstgenoemde. In

de geheel exceptioneele woorden thans en althans, uit te hande en al

te hande, heeft men de gewone t van te en de stom geworden h van hand,

terwijl de th in theorie en de ph in physica beide vertegenwoordigers

zijn van de enkelvoudige Grieksche letters th en f. Beide staan dus

op ééne lijn; de th is niet meer Nederlandsch dan de ph.--Indien de

c werkelijk evenzeer Nederlandsch is als de k en s, dan bestaat er

ook geene reden om haar te weren uit woorden als consonant en logica,

waar zij als k luidt. Stelt men het omgekeerde, beschouwt men haar als

vreemd, dan moet zij ook als sisklank verworpen worden uit koncert en

citroen; en wil men haar slechts éénen klank, dien van s, toestaan,

dan zou men ook akcent, akces, akcident, sukces moeten schrijven,

wat te recht niemand verlangt.

Bij die gedeeltelijke vervorming blijft steeds eenige kennis van

vreemde talen noodzakelijk. De minkundige zal altijd moeten weten,

dat artikel, titel, visite en machine uit den vreemde zijn overgenomen;

dat in het Grieksch thermometer met th, hypotenusa met t, synode met y

en citer met i geschreven wordt, wil hij geen gevaar loopen artiekel,

tietel, viziete, masjiene, termometer, hipothenuza, sinode, sieter

te spellen.

233. Uit het aangevoerde blijkt duidelijk genoeg, dat het der

nieuwere richting aan een consequent toepasbaar beginsel ontbreekt,

en dat de onkundige er volstrekt niet door geholpen wordt. Doch,

wat erger is, zij noodzaakt de Nederlandsche grammatica een aantal

ingewikkelde spelregels te ontwerpen, die het verschillend gebruik

van de Nederlandsche letters c en s, i, ie en y, th en t, qu en kw

bepalen. Deze zou rekenschap moeten geven, waarom zij nu eens c,

dan s; nu i, dan ie of y; nu th of qu, dan t of kw wilde geschreven

hebben. Die regels zouden dan ten laatste toch wijzen op het

verschil in den oorsprong der woorden, op het onderscheid tusschen

in- en uitheemsch, en alle zouden eenige kennis der vreemde talen

onderstellen. De spelling kategorie, ethika, filozofie en fyzika

vereischt evenzeer bekendheid met het Grieksche taaleigen, of het

zoeken in een woordenboek, als die van categorie, ethica, philosophie

en physica.

Het schijnbare gemak blijkt dus inderdaad een last te zijn. De

minkundigen, die zich bijna niet bedienen van vreemde woorden, welker

spelling niet geheel inheemsch is geworden, zijn er niet mede gebaat;

terwijl zij, die het meest van vreemde woorden gebruik maken en veelal

de oorspronkelijke spelling kennen, nu noodeloos bezwaard worden met

het aanleeren van regels ter bepaling, hoe en in welke gevallen de

vreemde spelling moet gewijzigd worden.

234. Het tweede der bovengenoemde voordeelen verplaatst ons op

het gebied der Aesthetica. Aan hare eischen zou inderdaad meer

voldaan worden, indien het contrast tusschen de inheemsche en

de verschillende vreemde spellingen kon worden opgeheven, omdat

die tegenstellingen volstrekt geen nut hebben, niet dienen om de

verschillende schrijfwijzen wederzijds op te helderen of fraaier

te doen uitkomen. Daar echter de vreemde spelling niet kan worden

geweerd uit al die woorden, waarin vreemde klanken voorkomen, welke

niet door het Nederlandsche letterschrift kunnen vertegenwoordigd

worden, is het middel niet toereikend om de kwaal te genezen; wèl

beschouwd, verergert het haar veeleer. Immers nu ontstaat tusschen

de in- en uitheemsche spelling eene derde, eene bastaardspelling,

b.v. in koncert, koncentrisch, konzequent. Doch, wat meer zegt, er

wordt zoodoende een nieuw contrast geschapen tusschen de natuur en den

vorm van het woord, dat zeker niet schoon is, en juist aan diegenen

den grootsten aanstoot geeft, die zich het meest van vreemde woorden

bedienen. Over den smaak valt wel is waar weinig te twisten, maar

de Aesthetica leert toch grondstellingen, die door allen gereedelijk

aangenomen worden. Het is boven allen twijfel verheven, dat waarheid,

d.i. hier overeenstemming tusschen uiterlijk en innerlijk, eene

noodwendige voorwaarde voor het schoone is. Eene kerk in den vorm

van een woonhuis, en een woonhuis in den vorm eener kerk, kùnnen

niet schoon zijn. Alleen wansmaak kon behagen scheppen in melkkannen,

die apen, of in palmboomen, die zwanen of pauwen voorstelden; en een

reukfleschje in den vorm van een beeldje, al is dit ook nog zoo fraai

gevormd, is leelijk in het oog van ieder, die slechts een weinig over

het wezen der schoonheid heeft nagedacht. Evenzeer strijdig met den

goeden smaak is het spellen op Nederlandsche wijze van woorden, die

door hun klank en vorm beide protesteeren tegen het kleed, dat men

hun heeft aangetrokken en dat hun niet past, omdat het niet voor hen

gemaakt is. Er ligt, wèl beschouwd, iets plomps in de spelling koncert

of konsert, filozoof, fyzikus, konsequent of konzekwent, ekwipaadje,

kwantiteit, enz., hetwelk den beschaafde en geletterde ergert, zoolang

zijn oog niet aan het zien van zulke smakelooze schrijfwijzen gewend

is. Dit is dan ook wel eene der voornaamste redenen, waarom dit

stelsel nooit meer dan enkele voorstanders gevonden heeft.

235. Ook het derde der gewaande voordeelen komt bij eenig nadenken op

zeer weinig uit. Welk nut kan er gelegen zijn in het geven van een meer

Nederlandsch voorkomen aan een vreemd woord, hetwelk zijne afkomst

blijft verraden? Wanneer klank en samenstelling uitheemsch zijn,

kan de spelling daaraan niets veranderen. De Latijnsche praefixen

prae- en con- of com- worden geene Nederlandsche voorvoegsels,

wanneer men prepozitie, preseptor, konditie, kompozitie met e en

k schrijft. Apoteoze, analieze, fizionomie, mizantroop, zofema,

ekwipaadje, epolet, cadó, plató enz., zijn bedorven en nauwlijks

verstaanbaar Grieksch en Fransch, maar geen grein meer Nederlandsch

dan apotheose, analyse, physionomie, misanthroop, sophema, equipage,

epaulet, cadeau, plateau enz.

De eenige beteekenis, die men aan die inheemsche inkleeding hechten

kan, bestaat hierin, dat zij een blijk is, dat het woord veel

door Nederlanders wordt gebruikt. Doch welk nut is in dat vertoon

gelegen? Zal de schrijver er door willen te kennen geven, dat hij

zich gerechtigd acht het woord te bezigen? Wil hij daarmede den lezer

het paspoort laten zien, opdat deze den bastaard ongehinderd late

voorbijgaan? Aangenomen, dat dit eenig practisch nut had, wie zal

dan nog bepalen, of een woord lang en algemeen genoeg in gebruik is

geweest om dat gedeeltelijke burgerrecht deelachtig te worden? Wat

zal bij de beoordeeling de maatstaf zijn? Uiterlijke kenteekenen

ontbreken hier. Geheel vreemde woorden, die volstrekt geene verandering

ondergaan hebben en die niemand zou willen verdietschen, vereenigen

zich in samenstelling met echt Nederlandsche, als in successierechten,

epauletknoop, verjaarcadeau enz., en nemen zelfs Nederlandsche voor-

en achtervoegsels aan, b.v. onsystematisch, cadeautje, geanalyseerd,

enz. Compositie en derivatie met Nederlandsche woorden en affixen

rechtigen derhalve niet tot eene geheel Nederlandsche spelling.

236. Het geven van een Nederlandsch voorkomen aan vreemde woorden

is eene mystificatie, die, niet slechts uit een theoretisch maar ook

uit een practisch oogpunt bezien, te veroordeelen is en blijft. Het

spreekt wel vanzelf, dat de grammatica, die de natuur zoowel als

het gebruik der woorden wil kennen, theoretisch eene spelling moet

afkeuren, die de afkomst en niet zelden ook de beteekenis der woorden

verduistert. Maar ook van het practisch standpunt beschouwd, verdient

de vreemde spelling de voorkeur. Deze waarschuwt den minkundige,

dat hij geene pogingen behoeft aan te wenden om het vreemd gespelde

woord uit zijne moedertaal te verklaren, en snijdt tevens zooveel

mogelijk alle zinspeling op minder kiesche zaken af, die soms door

eene veranderde schrijfwijze wordt uitgelokt, en waartoe onze mindere

stand wel eenigszins geneigd is.

237. Eindelijk het voordeel, daarin gelegen, dat de uitzonderingen

op de oudere richting in de nieuwere regelmatigheden zijn, wordt

theoretisch en practisch meer dan opgewogen door de uitzonderingen

op de laatstgenoemde. Immers de eerste hebben haar bestaan alleen

te danken aan het Gebruik, maar vloeien niet uit het aangenomen

beginsel zelf voort. De nieuwere richting daarentegen is met talrijke

uitzonderingen geboren; en deze noodwendige worden nog grootelijks

vermeerderd door het aantal gevallen, waarin men het beginsel zou

kunnen toepassen, maar niet toepassen wil, om de al te zonderlinge en

onverstaanbare vormen, die eene volstrekte consequentie zou opleveren.

238. Wanneer men dit alles wèl overweegt, kan men bij de keuze tusschen

de twee richtingen niet verlegen staan. Ongetwijfeld moet men die

spelling verkiezen, die als het ware gegeven is en in gereedheid ligt,

en die getrouw blijft aan de twee groote spellingbeginselen, welke

het Nederlandsch bij het schrijven zijner eigene woorden huldigt,

boven de andere, welke die beginselen, deels uit noodzaak, deels

uit principe, verzaakt, de uitspraak niet zelden onjuist afbeeldt,

de etymologie verloochent, en strijdig is met den goeden smaak: eene

spelling, die niet is gegeven, maar volgens willekeurig aan te nemen

beginselen nog moet worden bepaald en vastgesteld, en die daarbij

uit zich zelve genoodzaakt is een aantal uitzonderingen toe te laten.

239. De Redactie ziet echter geenszins de groote bezwaren voorbij,

die ook op den weg der oudere richting gelegen zijn. Deze is wel niet

uit zich zelve genoodzaakt uitzonderingen te maken, maar wordt door

het Gebruik gedwongen er een aantal te erkennen. Immers, het zou eene

vruchtelooze poging zijn, indien men in woorden als kwartier, kapitaal,

kazerne, kompas en dergelijke de oorspronkelijke spelling trachtte

te herstellen. Intusschen is het nog niemand gelukt de grenslijn

te trekken, waar de vreemde spelling ophoudt en de Nederlandsche

begint. Bij eenig nadenken wordt het dan ook duidelijk, dat die

grens uit den aard der zaak niet te trekken is; of, om duidelijker te

spreken, er zijn een aantal vreemde woorden in gebruik, waarvan het

ondoenlijk is, op redelijke gronden en in consequente overeenstemming

met andere dergelijke, te bepalen aan welke zijde der linie zij zich

bevinden. Men wordt van de waarheid hiervan overtuigd, wanneer men

bedenkt, dat er woorden zijn, die, niet slechts door verschillende

personen, maar zelfs door een en denzelfden persoon, naar gelang

der omstandigheden, verschillend worden uitgesproken. Hoe zou er

in de spelling vastheid en gelijkmatigheid kunnen bestaan, waar de

uitspraak wankel en veranderlijk is? Een paar voorbeelden zullen

toereikend zijn, om den lezer verscheidene andere te herinneren. Een

beschaafd man zal in gezelschap spreken van keurig geslepene karaffen;

maar als hij een glas water verlangt, zegt hij zonder bezwaar tot den

knecht: geef mij de kraf eens aan! Hij zal u op de sociëteit vragen:

hebt gij dat bericht in de courant gelezen? en als gij ontkennend

antwoordt, roept hij terstond om de krant. In een wetenschappelijk

congres spreekt men over de beste wijze om cichorei te telen, maar

in een winkel bestelt men suikerij.

Doch vooral bestaat zulk een verschil in de uitspraak derzelfde

woorden bij lieden van verschillende beschaving. Een vischwijf,

met haars gelijke in krakeel, zal deze een kanalje, een karonje,

en hare woning een kavalje schelden; de trotsche aristocraat ziet

met minachting neder op het canaille en rapaille. De brouwersknecht

kent gijl, de verver konzenielje; de wetenschappelijke man spreekt

van chijl en cochenille; en zoo wisselt de uitspraak der vreemde

woorden telkens af, al naarmate de beschaving van den spreker of de

eisch der omstandigheden medebrengt.

240. Wanneer de uitspraak van dezelfde woorden van allerlei

omstandigheden en inzonderheid van den smaak, niet van de woorden zelve

afhangt, moet de spelling uit haren aard nog veel onzekerder zijn, en

zal de een aan de oorspronkelijke, de ander aan eene meer Nederlandsche

de voorkeur geven, zonder altijd redenen voor zijne schrijfwijze te

kunnen aanvoeren. De Redactie, van wie wel niet het onmogelijke kan

gevergd worden, erkent dan ook gaarne, dat zij buiten machte is vaste

regels te stellen, die in ieder geval kunnen voldoen. Zij acht hare

taak vervuld, wanneer zij het grondbeginsel, waarvan zij uitgaat,

zoo nauwkeurig mogelijk omschrijft, en in het algemeen de richting

bepaalt, die zij bij de uitzonderingen meent te moeten volgen.

Na rijpe overweging, acht zij het grondbeginsel aldus te moeten

formuleeren:

241. Bastaardwoorden, ontleend uit talen, die het Latijnsche [d.i. hier

hetzelfde als het Nederlandsche [12]] letterschrift bezigen,

worden op de oorspronkelijke wijze geschreven, voor zooverre hunne

uitspraak onveranderd is gebleven. Waar deze echter gewijzigd is, en de

oorspronkelijke spelling tot eene ongewone uitspraak aanleiding geven

zou, wordt de spelling in zooverre op Nederlandsche wijze veranderd.

De wijziging der uitspraak heeft plaats 1) aan het einde der woorden,

2) in het lichaam van het woord.

242. 1) De wijziging aan het einde der woorden heeft meestal

haren oorsprong te danken aan de noodzakelijkheid om de woorden op

Nederlandsche wijze te verbuigen. Zij bestaat doorgaans in het afkappen

der laatste lettergreep, ten gevolge waarvan dikwijls eene wijziging

in de spelling der voorlaatste noodzakelijk wordt. Zoo is b.v. praefix

het Lat. praefixum, evangelist het Lat. evangelista, publicist het

Fransche publiciste, trompet het Fransche trompette. Daar de klinker

in de voorlaatste lettergreep der genoemde vreemde woorden geene

verandering in de uitspraak ondergaat, blijven praefix, evangelist,

publicist en trompet voor het overige onveranderd. Anders is het,

wanneer advocatus, particula, problema en publique de laatste syllabe

verliezen; de a en e moeten alsdan in advocaat en probleem noodwendig

verdubbeld worden; de u van particula gaat in de toonlooze e over,

en dit maakt weder de verandering van c in k noodzakelijk, waardoor de

vorm partikel ontstaat; de uitgang -ique moet, na afwerping zijner e,

bij ons -iek worden: publiek.

In sommige woorden schijnt de verbastering van den uitgang niet op

deze wijze verklaard te kunnen worden. Zoo laat de vorm sociëteit zich

schijnbaar evenmin van lat. societas als van fr. société afleiden. In

zulke gevallen moet men niet uit het oog verliezen, dat Latijnsche

woorden niet altijd in den nominatiefvorm zijn overgenomen, maar dat

dikwijls een verbogen naamval ten grondslag ligt. Dit heeft plaats

bij sociëteit, majesteit, sextant enz., lat. societas--societatis,

majestas--majestatis, sextans--sextantis, enz.; vanhier de t in

deze en dergelijke woorden. Ook de meervouden tangenten, secanten,

van tangens en secans, zijn op die wijze te verklaren.

Niet altijd echter is de laatste lettergreep van het vreemde woord

afgeknot; dikwijls is alleen de uitspraak veranderd. Zoo zijn

b.v. palais, laquai, souverain, livrée, général, profit, in paleis,

lakei, souverein, livrei, generaal, profijt enz. overgegaan.

Door deze en dergelijke veranderingen zijn de bekende bastaarduitgangen

-aal, -aan, -aat, -ant, -eel, -eeren, -eet, -ent, -et, -ief, -iek,

-iel, -iet, -ijn, -ijt, -oen, -oor, -uut en andere ontstaan, die

geheel op Nederlandsche wijze behandeld worden. Alleen de uitgangen

-air en -oir der Fransche adjectieven behouden hunne vreemde ai en oi,

b.v. in militair, stationnair, transitoir, executoir enz.

Ter voorkoming van misverstand zij aangemerkt, dat hier

gesproken wordt van uitgangen in het algemeen, d.i. van klanken

waarop woorden uitgaan, en niet van achtervoegsels (suffixen),

d.i. bepaalde uitgangen, die achter bestaande woorden gevoegd

worden om nieuwe woorden te vormen. Niet al de genoemde uitgangen

zijn achtervoegsels, of zijn het altijd. Zoo zijn -aat en -iet

suffixen in optimaat en Israëliet, maar niet in praecipitaat en

chrysoliet. Een achtervoegsel -eet bestaat niet, evenmin als -noom,

-anthroop of -troop achtervoegsels zijn; vergelijk de aanmerking

op § 77.

243. Het bastaardachtervoegsel -aadje vereischt eene afzonderlijke

overweging. Het is uit het Fransch ontleend ten tijde dat -age

(Ital. -aggio, Lat. -aticum: zie Diez, Gramm. der Roman. Sprachen,

2de uitg., D. II, bl. 288 vlg.) in die taal nog, op Italiaansche

wijze, als aadzje luidde. Die uitspraak heerschte toen ook bij ons,

maar kon slechts gebrekkig in Nederlandsch schrift worden uitgedrukt;

vandaar de verschillende schrijfwijzen: pelgrimaedse, pelgrimagie,

pelgrimaedje. Thans, nu wij in dat en alle dergelijke woorden, evenmin

als de Franschen, eene d laten hooren, is de spelling pelgrimaadje,

stellaadje enz. buiten alle verhouding met de uitspraak geraakt,

terwijl zij soms aanleiding geeft, dat zoodanige woorden geheel

letterlijk overeenkomstig hun vorm worden uitgesproken. Daar de

uitspraak g als zj toch plaats vindt in de Nederlandsche woorden genie,

logement, gage, gelei, horloge enz., en dus bij ons niet onbekend is,

en iedereen ook gewoon is college, manege, engagement, menage, courage,

courtage te schrijven, bestaat er inderdaad geene overwegende reden,

om de zonderlinge spelling -aadje te behouden. Wij aarzelen daarom

niet eene schrijfwijze te laten varen, die eene geheel verouderde

uitspraak tot grondslag heeft, maar met de hedendaagsche in strijd is,

sinds lang velen tot aanstoot en ergernis heeft gestrekt, en nooit

consequent is toegepast. Wij meenen derhalve te moeten schrijven:

bagage, lekkage, pelgrimage, slijtage, stellage, stoffage, tuigage

enz.; en evenzoo: page. Zóó vervalt ook vanzelf de ongelijkheid in

de spelling van passaadje en passagier enz.

244. 2) Veranderingen in het lichaam der woorden, ter voorkoming

eener ongewone uitspraak, hebben bijna uitsluitend in Fransche

woorden plaats. Zij bestaan voornamelijk in het weglaten der accenten,

b.v. in genie, ingenieur, fr. génie, ingénieur, waarin de Fransche é

voor de toonlooze e heeft plaats gemaakt. Zoo is ook de uitspraak der

Fransche g in garnison, guitare, guide voor de gewone Nederlandsche

geweken. Daarom laat men de u in gitaar enz. weg.

Om gelijke reden schrijft men pleizier of plezier voor plaisíer, en

seizoen voor saisoen, dewijl de ai, op Fransche wijze uitgesproken,

in deze woorden niet meer in gebruik is.

245. Eene bijzondere aanmerking moet gemaakt worden betreffende de

woorden, die uit het Grieksch ontleend zijn. Deze namelijk worden wel

in de oorspronkelijke taal met een ander letterschrift geschreven,

doch dit is voor ons geheel onverschillig, omdat de meeste dier

woorden door het kanaal van het Latijn tot onze kennis zijn gekomen

en, dienovereenkomstig, op Latijnsche wijze uitgesproken en gespeld

worden. Wij zeggen niet: hupoteinoeza, sustema, fuzikè, euangelion,

oikonomia, Makedonia, Kimoon, Platoon, Thrazuboelos, Aiguptos, hetairen

enz.; maar wij spreken die woorden uit, overeenkomstig den vorm, dien

zij in het Latijn bekomen: hypotenusa, systema, physica, evangelium

(of evangelie), oeconomia (of oeconomie), Macedonië, Cimon, Plato,

Thrasybulus, Egypte (of Aegypte), hetaeren enz.

Eene consequente spelling op Grieksche wijze is derhalve zoogoed als

onmogelijk; en deze wordt trouwens ook door niemand verlangd. Doch

hoewel de Latijnsche schrijfwijze als maatstaf en regel voor de

Grieksche beschouwd wordt, maken sommigen eene uitzondering ten

opzichte van de k en f, die zij niet door de Latijnsche c en ph,

maar door k en f teruggegeven willen hebben; zij schrijven daarom

theokratie, fyzika of fysika, filosofie of filozofie. Deze spelling,

uit welk oogpunt ook beschouwd, is inconsequent en maakt noodeloos

inbreuk op den--anders algemeenen--regel. Geschiedt zulks om de

spelling meer met het Grieksche spraakgebruik overeen te brengen,

dan wordt de f verkeerd aangewend, dewijl f zoo ooit, zeker niet te

allen tijde de waarde van f gehad heeft. Is het om aan de woorden een

meer Nederlandsch voorkomen te geven, waarom dan de th en de y ter

uitdrukking van de th en y behouden, terwijl de enkele t en i de gewone

uitspraak dier letters even goed zouden voorstellen? Die spelling is

dus inderdaad slechts eene nuttelooze en willekeurige afwijking van de

regelmaat, waarop men weder uitzonderingen zou moeten maken. Immers

het bezigen van k, waar het Grieksch eene k heeft, is niet vol te

houden. Vele woorden, welker uitspraak bij ons vaststaat, eischen

volstrekt de c, als: Bucephalus, Centaur, Cepheus, Cerberus, Cilicië,

Cyprus, Cyrus, Macedonië enz. In Cekrops, cykloop en andere zouden

c en k om dezelfde letter te vertegenwoordigen naast elkander staan;

en wie zou Bakchus of Bakkhus willen schrijven? En toch, elke andere

spelling: Bacchus of Bachus, ware dan eene nieuwe onregelmatigheid,

eene willekeurige uitzondering op eene uitzondering.--Evenmin laat

de f zich consequent bezigen. Men zal toch aan Sappho wel niet

den Hoogduitschachtigen vorm Sapfo willen geven. Men verlangt de

f voornamelijk om den wille der uitspraak. Nu is het wel niet te

ontkennen, dat ph, waar men eene f moet laten hooren, tot verkeerdheden

aanleiding kan geven; doch het is evenzeer waar, dat het Nederlandsch

als grondbeginsel aangenomen heeft, geen erkenden spelregel, waartoe

ook die der Analogie behoort, te verzaken, alleen om eene verkeerde

uitspraak te voorkomen [13]. Men kan béken als bekèn, béving als

bevìng, voorkómen als vóórkomen, wéderroepen als wederróépen,

óverkomen als overkómen uitspreken; dit is echter nooit als eene

afdoende reden beschouwd, om die woorden te spellen op eene wijze, die

met geldige regels in strijd is; b.v. niet beeken, beeving, voorkoomen

enz. Men zou dus niet gerechtvaardigd zijn, indien men op den algemeen

uitvoerbaren regel: Grieksche woorden volgen de Latijnsche spelling,

alleen om den wille eener mogelijke verkeerde uitspraak uitzonderingen

ging maken. Indien men zich zulks veroorloofde ten opzichte der ph,

men zou het ook in andere gevallen als beginsel moeten erkennen; en

waar zou dat heen? Wie zich ergert aan de uitspraak catalógus, ódeon,

spèctator, eene wanspraak veel algemeener dan potografie en pizika,

zou met hetzelfde recht cataalogus, odeeon, spectaator enz. kunnen

eischen: spellingen, die wel niemand verlangt, en die ook niet fraai

zouden zijn, maar zeker den lof van consequentie zouden verdienen. De

Redactie kan dan ook geene enkele geldige reden bedenken, om ten

aanzien der twee genoemde letters anders te handelen, dan zij in de

overige gevallen genoodzaakt is te doen. Zij meent derhalve den regel:

Grieksche woorden worden op Latijnsche wijze gespeld, consequent te

moeten volgen, en schrijft dus ook: academie, theocratie, physica,

orthographie, philosophie enz.

246. De uit het Grieksch ontleende bastaardwoorden zijn, wat de

uitgangen betreft, aan denzelfden regel als de overige onderworpen;

zie § 242. Zoo schrijve men: biograaf, photograaf, telegraaf,

telescoop, philanthroop, philosoof, basilisk, apocrief, acustiek,

cliniek, diptiek, synoniem, proseliet, apostel, diaken, scaphander enz.

Het zou inconsequent, onregelmatig en zelfs onnatuurlijk zijn,

indien men de eindlettergrepen, die ten gevolge van het afvallen

der Grieksche of Grieksch-Latijnsche uitgangen eene wijziging

in de spelling moeten ondergaan, en daarmede aan de Nederlandsche

spellingwetten worden onderworpen, nog gedeeltelijk op Grieksche wijze

schreef. Wanneer men van basiliscus -us of -os afsnijdt, moet de c

in het meervoud basilisken natuurlijk in k veranderen; het enkelvoud

wil dan, volgens den erkenden regel, ook de k in basilisk. Trouwens

niemand schrijft basilisc, evenmin als grotesq, naar fr. grotesque,

of grottesc, naar ital. grottesco. Is die onderwerping aan de

Nederlandsche spelregels in sommige gevallen onvermijdelijk, dan

eischt de Analogie haar ook in die gevallen, waar twijfel schijnt

te bestaan. Hiertoe behooren de woorden op -aaf, -ief- en -oof, als

geograaf, telegraaf, apocrief, philosoof enz. De Grieksch-Latijnsche

woorden geographus, apocryphus en philosophus, na afwerping van -us:

geograph, apocryph en philosoph, eischen de verdubbeling der a en o,

en de verandering van de niet verdubbelbare y in ie; dus geograaf,

apocrief en philosoof, of geograaph, apocrieph, philosooph. Die

dubbele a en o en de ie zijn vreemd aan het Grieksche en Latijnsche

taaleigen, maar zijn geheel Nederlandsch; de tweede a en o valt

zelfs in het meervoud, op Nederlandsche wijze, weder uit. Een

en ander bewijst, dat die uitgangen als Nederlandsch beschouwd

moeten worden. De vreemde ph nu maakt, vooral in verbogen vormen,

als geographen, apocriephe, eene vreemde vertooning, omdat zij in

strijd is met de letters, waartusschen zij staat. Hare vervanging

door f is derhalve even natuurlijk als consequent, en is tevens

in overeenstemming met het Gebruik, dat kennelijk aan geografen,

apocriefe enz. boven geographen en apocriephe de voorkeur geeft. Ook

is zij in volmaakte overeenstemming met de vervanging van th door t in

aëroliet, chrysoliet enz., lat.-gr. aërolithus, chrysolithus, waarin

het Gebruik, klaarblijkelijk om dezelfde redenen, geene th achter de ie

wil.--Triumf of triomf, lat. triumphus, en nimf, lat. nympha, hebben,

als dichterlijke woorden, reeds om eene andere reden eene f; zie § 251.

In biographie, ethnographie, philosophie enz. echter zijn de

lettergrepen graph en soph onaangetast gebleven, en bevindt de ph zich

niet tusschen bepaaldelijk Nederlandsche letters; hier bestaat dus

geene reden voor het bezigen der f. Geographie enz. is niet gevormd

van ndl. geograaf, evenmin als diaconie en apostolisch van ndl. diaken

en apostel; maar het is eene verbastering van het lat.-gr. geographia,

gelijk diaconie en apostolisch van diaconia en apostolicus. Geografie

enz. te schrijven omdat geograaf eene f heeft, zou even onnatuurlijk

zijn, als wanneer men lietograaf (uit lithographns) met ie wilde

schrijven, omdat lat.-gr. lithus in aëroliet en chrysoliet in -liet

verandert.

247. Eene afzonderlijke beschouwing eischt de spelling van het

woord telegrafist, dat zich in een geheel ander geval bevindt dan

geographie en dergelijke. Het is niet gevormd van een Grieksch woord

telegraphistes, gelijk evangelist van euangelistes; de naam zou moeten

zijn telegraaf, gelijk bibliograaf, biograaf, ethnograaf, geograaf,

historiograaf, stenograaf, tachygraaf enz. Daar telegraaf echter

reeds als de benaming van het werktuig of de inrichting gebezigd

werd, en men derhalve voor de personen, aan zulk eene inrichting

verbonden, een anderen vorm noodig had, heeft men, strijdig met het

Grieksche taaleigen, het woord telegrafist gevormd, dat in zooverre

als Nederlandsch kan worden beschouwd, omdat wij met het achtervoegsel

-ist ook van Nederlandsche woorden persoonsnamen maken, b.v. bloemist,

fluitist, orgelist, klokkenist. De vorm telegrafist is trouwens ook

de gebruikelijke.

248. De spelling geographie enz. beslist insgelijks de keuze

tusschen geographisch en geografisch enz. Bij geographische of

biographische woordenboeken, bij ethnographische verhandelingen en

topographische kaarten denkt men aan de kennis, uit die woordenboeken,

verhandelingen of kaarten te putten; bij een stenographisch bericht

en een photographisch portret aan datgene, dat stenographie en

photographie heet: de schrijver of kunstenaar, de geograaf of

photograaf, komt daarbij wel niet in aanmerking, staat ten minste ver

op den achtergrond. De hier bedoelde woorden zijn derhalve gevormd van

de woorden biographie, geographie enz., gelijk historisch van historie

komt; zij moeten dus ongetwijfeld eene ph hebben. Wat telegraphisch

betreft, ofschoon dit, blijkens de beteekenis, niet van telegraphie,

maar van telegraaf is afgeleid, is het toch gevormd in overeenstemming

met de boven genoemde woorden. Het is dus niet raadzaam, het in de

spelling daarvan te scheiden. De analogie eischt ook hier de ph.

249. Bezaten wij een ww. geographeeren, het zou gevormd zijn van het

Grieksch geôgrafeô. Van dezelfde vorming zouden photographeeren,

lithographeeren enz. wezen, indien de daaraan beantwoordende vormen

in het Grieksch bestonden. Die woorden kunnen dus geacht worden

onmiddellijk uit die taal overgenomen te zijn, gelijk photographie,

lithographie enz. om de analogie van geographie, gr. geôgrafia. De

lettergreep graph blijft daarin insgelijks onveranderd. Hier bestaan

dus dezelfde redenen voor het behoud der ph, als bij geographie en

andere op -phie, weshalve photographeeren, lithographeeren enz. de

regelmatige vormen zijn.

250. Na de opgave der grondbeginselen, die de Redactie bij het

schrijven der bastaardwoorden voornemens is te volgen, blijft haar nog

overig de gevallen te omschrijven, waarin zij meent, dat het algemeen

Gebruik het spellen op Nederlandsche wijze volstrekt vordert, en

die derhalve als onvermijdelijke uitzonderingen op de gegeven regels

moeten beschouwd worden.

Wanneer men de woorden der beide eerste klassen vergelijkt, dan ziet

men, dat die, welke begrippen uitdrukken, die onder alle rangen en

standen der maatschappij gangbaar zijn, een geheel Nederlandsch gewaad

hebben aangenomen; terwijl die, welke hun vreemden vorm onveranderd

hebben behouden, slechts in hoogere standen, in bijzondere kringen,

of door lieden van wetenschappelijke vorming gebruikt worden. Deze

waarneming geeft het richtsnoer aan de hand, dat bij het spellen

der bastaardwoorden tot leiddraad strekken kan. Uitdrukkingen,

bepaaldelijk meer door hoogere standen gebezigd of betrekking hebbende

op personen en verhoudingen, tot die standen behoorende; benamingen

van voorwerpen van weelde; termen, uitsluitend gebruikelijk in

wetenschappen, of in kunsten en beroepen die eene wetenschappelijke

voorbereiding vereischen, worden geschreven overeenkomstig de boven

opgegeven regels. Benamingen daarentegen van alledaagsche voorwerpen;

uitdrukkingen van denkbeelden, onder alle standen gangbaar; namen

van zaken, voorkomende in ambachten en beroepen, door minkundigen

uitgeoefend, worden, zooveel de uitspraak het toelaat, op Nederlandsche

wijze geschreven.

Wanneer men het Gebruik gadeslaat, ziet men, dat het werkelijk

doorgaans zóó handelt. Immers men schrijft meestal overeenkomstig de

vreemde spelling: dejeuneeren, soupeeren, incommodeeren, receptie,

felicitatie, discretie, canapé, candelaber (of candelabre), lorgnet,

specerij, vermicelli, macaroni, morilles, philosophie, physica, logica,

categorie, maçonnerie, loge, concreet, abstract, scrupel, lancet,

pincet, bistouri, crayon, aquarel, pose, silhouet, photographie,

tachygraaf enz.; daarentegen dukaat, biljart, biljet, kapel, kapelaan,

knaster, kamfer, kapitaal, karakter, karwats, kwartier, kazerne,

kasteel, kastelein, likeur, ons (gewicht), kamperfoelie, peterselie,

postiljon, stukadoor, kastrol, karkas, loods (houten gebouw), penseel,

vermiljoen, traktaatje, traktement enz.

Met het oog op die onderscheiding schrijven wij advocaat evenzeer

met eene c als procureur, gelijk bij dit laatste woord gewoonlijk

geschiedt. Die woorden toch duiden personen aan uit den aanzienlijken

stand; en reeds de goede smaak eischt die spelling in de combinatie:

N.N., Advocaat en Procureur.

251. Eene bijzondere opmerking moet hier gemaakt worden omtrent

enkele woorden, die wel tot eene hoogere klasse van denkbeelden

behooren, maar eene eigenaardige populariteit hebben verkregen door

het veelvuldig gebruik in de poëzie, die uit haren aard afkeerig is

van het gebruik van eigenlijk vreemde woorden, als niet passende in

den hoogeren stijl. Die woorden derhalve, die in de poëtische taal

voorgoed zijn aangenomen, zijn daardoor vanzelf als Nederlandsche

gestempeld. Zoodanige zijn: poëzie of poëzij zelf, nimf, porfier,

saffier, zéfir of zefiér enz. De analogie zou de vreemde spelling

poësie, nymf, porphier, sapphier, zephyr of zephier vereischen; doch

zij hebben van onze dichters het burgerrecht verkregen, dat hun op

de inheemsche spelling aanspraak geeft.

252. Tot de woorden, aan het slot van § 250 genoemd, behooren ook die,

welke in onze taal hunne beteekenis gewijzigd hebben, en daardoor

inderdaad eigenlijk Nederlandsch geworden zijn. Zoo wordt te recht

veelal geschreven: dokter (voor geneesheer), kommies (voor beambte

bij de belastingen, fr. douanier), komedie (voor schouwburg), lokaal

(voor vertrek, zaal), spektakel enz.; ofschoon men daarnevens, bij

eene andere opvatting der woorden, de echte spelling behoudt in doctor

(als wetenschappelijken titel ook in andere faculteiten), commies (voor

ambtenaar aan een der ministeriën of bij de posterijen, fr. commis),

comedie (soort van drama), locaal (adjectief), de Spectator, enz. Zoo

schijnt het evenzeer raadzaam, kritiek (hachelijk) te onderscheiden van

critiek (oordeelkunde) en critisch (oordeelkundig). De onderscheiding

moge bij den eersten aanblik eene spitsvondigheid schijnen--en in

het gebruik wordt zij zeker tot dusverre niet in acht genomen--, toch

steunt zij op een wezenlijk beginsel en kan niet onverschillig zijn

voor een schrijver, die met oordeel te werk gaat, en een gewijzigden

woordvorm te recht aanmerkt als een geschikt middel om den lezer de

wijziging van een begrip te doen opmerken.

253. Ten gevolge van den invloed, dien het zoo uiteenloopend gebruik

op de woorden oefent, is er soms een verschil ontstaan tusschen de

spelling der stamwoorden en hunne afleidsels; b.v. bij cánon (regel),

canoniek en kanunnik; klasse, classis en classicaal; krediet en credit;

koerier en courant; konserf en conservatief; lier en lyrisch; klerk en

clericaal; sekuur en securiteit; orgel (organon) en organist (minder

gewoon orgelist), enz. Vergelijkt men deze en dergelijke verschillen

in de spelling, dan zal men daarin eene nieuwe bevestiging zien van

den boven in § 250 gestelden regel.

254. Eindelijk nog eene opmerking, die bij het schrijven van enkele

woorden in het oog moet gehouden worden. Wij bezigen eenige Latijnsche

bastaardwoorden, die in dubbelen vorm in de taal bestaan, maar

op twee verschillende wijzen worden geschreven, doordien de eene

vorm onmiddellijk aan het Latijn ontleend is, terwijl de andere

middellijk uit het Fransch tot ons is gekomen. In die gevallen

is de Latijnsche vorm de wetenschappelijke, de Fransche de gewone

en dagelijksche. Hierop grondt zich het verschil in spelling van

praesens en present, van praeses en president, van praeparaten en

preparatieven, van oeconomie en economie, phoenix en feniks, dioecese

en diocese, procurator en procureur, secunde en seconde, nummer en

nommer, fundament en fondement, familie en famielje, subject en sujet

(als in: een slecht of gemeen sujet), enz.

255. Dat wij bij wetenschappelijke benamingen aan de Latijnsche

en Latijnsch-Grieksche vormen de voorkeur geven, blijkt o.a. ook

daaruit, dat wij, overeenkomstig het oorspronkelijke Grieksche

woord chêmeia, in chemie eene e uitspreken en schrijven, en niet

eene i, gelijk fr. chimie zou medebrengen. Daarom schrijft de

Redactie acustiek met eene u en hypotenusa met eene t, dewijl de

regelmatige Latijnsche vormen dier woorden (acustica en hypotenusa)

die letters hebben. De gewone spelling acoustiek steunt op de Fransche

schrijfwijze acoustique, en hypothenusa op het voorheen gebruikelijke

hypothénuse, welke laatste spelling echter bepaald verkeerd was en

dan ook later te recht door hypoténuse is vervangen.--De niet geheel

ongewone spelling autheur, authoriteit en cathegorie, voor auteur,

autoriteit of auctoriteit en categorie, heeft volstrekt niets ter

verontschuldiging, evenmin als die van de eigennamen Anthonius en

Margaretha, voor Antonius en Margareta.

256. Ziedaar hetgeen de Redactie, na rijpe overweging, gemeend heeft

te moeten vaststellen voor de door haar te volgen spelling, voor

zooverre het ingewikkeld en veelbetwist vraagstuk der bastaardwoorden

betreft. Zij vleit zich, dat hare beschouwing den lezer de overtuiging

zal hebben gegeven, dat men aan den eenen kant ook hier een leidend

beginsel kan volgen, in overeenstemming met de algemeene gronden van

taal en spelling; maar aan de andere zijde, dat voorschriften, die

alles tot in de minste bijzonderheden regelen, hier even onbestaanbaar

zijn als overal elders, waar de beslissing van allerlei omstandigheden

afhangt en derhalve, in elk bijzonder geval, alleen door oordeel en

smaak kan worden bepaald.

Over het verdeelen der woorden in lettergrepen.

257. Het leerstuk aangaande de verdeeling der woorden in lettergrepen

geeft het antwoord op de vraag: tot welke lettergreep moeten, bij

het afbreken van een woord, de tusschenletters gerekend worden? tot

de voorgaande of tot de volgende lettergreep?

Bij het beantwoorden dier vraag heeft men de vreemde woorden en

bastaardwoorden van de echt Nederlandsche af te zonderen, en bij deze

laatste weder onderscheid te maken tusschen verbogene, afgeleide en

samengestelde woorden.

a) Door tusschenletters worden hier verstaan alle medeklinkers,

die in eenig woord tusschen twee klinkers of tweeklanken

staan. Beginletters noemen wij alle medeklinkers, die zich aan

het begin van een woord vóór den eersten klinker of tweeklank

bevinden; sluitletters alle medeklinkers, die aan het einde van

een woord achter den laatsten klinker of tweeklank komen. Zoo

zijn b.v. de g in dagen, de r en b in arbeid, de r, t en s in

koortsen tusschenletters: in strandt zijn s, t en r begin-, n,

d en t sluitletters.

b) Onder afgeleide woorden begrijpen wij hier ook de zoogenaamde

middelwoorden, ook wel onechte stammen geheeten, d.i. dezulke,

die door hunne voor- of achtervoegsels het voorkomen van

afgeleide woorden hebben, doch die niet van bekende grondwoorden

gevormd zijn, b.v. gezond, hagel e.a. Zij worden geheel als de

overeenkomstige woorden van bekenden vorm behandeld en vereischen

dus geene afzonderlijke regels; trouwens, zoodra hunne etymologie

bekend wordt, houden zij op middelwoorden te zijn en gaan zij in

de klasse der afleidingen over.

258. De scheiding der lettergrepen is geenszins iets willekeurigs,

maar hangt in iedere taal ten nauwste samen met hare eigenaardige

uitspraak en spelling. De Redactie gaat daarbij te werk naar de

volgende grondbeginselen, die onze taal zelve aan de hand geeft:

259. I. Wanneer in niet samengestelde woorden tusschen twee

opeenvolgende lettergrepen slechts één medeklinker voorkomt, dan

behoort deze tot de volgende lettergreep; b.v. in dra-gen, e-ten,

ho-pen, u-ren, za-lig, wa-sem enz.

De taal zelve leert duidelijk, dat zij zóó gescheiden wil

hebben. Vooreerst door het uitstooten van ééne a en u, dikwijls

ook van eene e en o, wanneer deze in het onverbogene woord of het

grondwoord verdubbeld zijn. In het tegenovergestelde geval toch zou

zij den dubbelen klinker eischen in draag-en, eet-en, hoop-en, uur-en,

zaal-ig, waas-em enz., evenzeer als in draag, eet, hoop, uur, zaal,

waas, waarin de tusschenletter als sluitletter voorkomt.--Vervolgens

door de verdubbeling der tusschenletter in woorden als heb-ben,

had-den, zon-nig, ken-ner enz., die onnoodig zou wezen, indien in

heb-en, had-en, zon-ig, ken-er enz. de enkele tusschenletter tot

de eerste lettergreep behoorde.--Eindelijk door de verandering der

uitspraak in dàg--dágen, bevèl--bevélen, slòt--slóten, en door den

overgang der f en s van woorden als brief, buis, lees, lief enz. in

de v en z van brie-ven, bui-zen, le-zer, lie-ve, hetgeen bewijst,

dat zij als beginletters worden aangemerkt.

260. Het is dus onloochenbaar, dat het Nederlandsch liever eene

volgende lettergreep met een medeklinker begint dan eene voorafgaande

daarmede te sluiten.--De ingelaschte d in bevrij(d)en, belij(d)en,

vlie(d)en, wij(d)en, na(d)er (van na) e.a.; de k in bijker en

kooiker van bij en (eenden)kooi; de woorden weldoe(n)er, opzie(n)er,

voorgan(g)er, voorstan(d)er, van doe-n, zie-n, gaa-n, staa-n; de

flauwe j, die in zee-en, thee-en gehoord wordt; de als j klinkende i

in koei-en, vlooi-en (van koe en vloo), bewijzen, dat onze taal eene

volgende lettergreep ongaarne met een klinker laat aanvangen; terwijl

daarentegen leiband, scheikunde, gelui, zijweg, van leiden, scheiden,

luiden, zijde; leelijk van leed, kwalijk van kwaad, schielijk van

schier toonen, dat zij niet schroomt eene lettergreep open te laten.

261. II. Wanneer er twee opeenvolgende tusschenletters voorkomen in

woorden, die niet samengesteld zijn noch afgeleid door middel van

een achtervoegsel, dat gelijk -de, -ste, met een medeklinker begint,

dan behoort de eerste tusschenletter tot de voorgaande, de tweede

tot de volgende lettergreep; b.v. in bul-ten, hel-den, kas-ten,

mel-ken, bul-tig.

Dat de eerste medeklinker tot de voorgaande lettergreep behoort,

blijkt vooreerst uit de spelling naal-den, paar-den, vaar-dig,

huur-der enz. met den dubbelen klinker, die anders geheel

overtollig zou wezen. Vervolgens uit de uitspraak van woorden als

hànden, hèlden, hìnden, hònden, hùlde; en uit de verdubbeling der

medeklinkers in kat-ten, bel-len, min-naar, kop-pig enz., welke in

het tegenovergestelde geval geen doel zou treffen.

Dat de tweede tusschenletter tot de volgende lettergreep gerekend

wordt, volgt reeds uit den vorigen regel (I), en wordt nader bevestigd

door den overgang der f en s tot v en z in woorden als kalf--kalven,

erf--erven, baars--baarzen, els--elzen, zalf--zalven, hals--halzen enz.

262. Een twijfel is bij sommigen gerezen omtrent het afbreken der

woorden met de tusschenletters ng. De eigenaardige uitspraak van

dezen klank deed den schijn ontstaan, alsof ng slechts één enkele

medeklinker was. In wezenlijkheid echter is dit niet het geval. De ng

is, blijkens haar oorsprong, onloochenbaar de vereeniging van dezelfde

gutturale n, die in den-ken en zin-ken gehoord wordt, met de g in haar

oorspronkelijken klank (d.i. dien der Friesche en Fransche g, als in

grand, guerre enz.). Moge al de uitspraak allengs zijn gewijzigd,

zoodat de g bijna geheel verflauwd is en nauwelijks meer vernomen

wordt, dit kan toch geene voldoende reden zijn om de beide letters,

gelijk sommigen willen, als eene eenheid te beschouwen en daarom bij

het afbreken ongescheiden te laten. Stelde ng inderdaad een gewonen

enkelvoudigen medeklinker voor, men zou, volgens regel I en § 260,

ta-ngen, ze-ngen, to-ngen enz. moeten schrijven. Doch dit wil niemand,

en het zou ook geheel strijdig zijn met den aard der taal. In geen

enkel woord treft men vóór ng een helderen klinker aan, gelijk de

á é, ó in tá-kel, zé-gel, bó-gen; men vindt uitsluitend een kort

afgebrokenen, als in tàk, zèg, dòf. Dit bewijst onwedersprekelijk,

dat de voorgaande lettergrepen zonder uitzondering gesloten zijn, dat

wil zeggen, op een medeklinker eindigen, en steeds gesloten blijven,

ook wanneer de woorden verbuiging ondergaan, zoodat de n en g niet

beide tot de volgende lettergreep gebracht kunnen worden. Trouwens ng

laat zich aan het begin eener lettergreep niet uitspreken, wat bij de

schrijfwijze ta-ngen enz. ondersteld wordt. Schrijft men daarentegen

ding-en, dan zondigt men tegen het beginsel, boven in § 260 omschreven,

dat in onze taal zoo duidelijk is uitgedrukt. De beide schrijfwijzen,

di-ngen en ding-en, zijn dus evenzeer te verwerpen. Alleen din-gen is

met de afleiding en den aard van ons taaleigen in overeenstemming. Voor

de uitspraak kan het geen bezwaar opleveren, mits men den aard en de

kracht der letters kenne; en die kennis is bij alles, wat spelling

betreft, een onmisbaar vereischte, dat men recht heeft te onderstellen.

a) Vreest men nochtans door het scheiden der n en g (han-gen) de

bekende verkeerde uitspraak in de hand te werken, dan vermijde

men in het schrift het afbreken der zoodanige woorden, hetgeen

zonder groot bezwaar geschieden kan. Vangen, vanger, brengen,

brenger zijn geen langer woorden dan langst, vangst, op-brengst,

waarbij geene scheiding mogelijk is.

b) Dezelfde opmerking geldt nog meer bij de woorden kachel, echo,

richel, tichel enz., waarin niemand de regelmatige verdubbeling

der ch wil, ofschoon de eerste lettergreep als gesloten moet

beschouwd worden. Men scheide bij deze woorden de lettergrepen

liever niet; dan bestaat er geen gevaar, dat men de eerste verkeerd

zal uitspreken. De ch bij de eerste lettergreep te voegen en

lach-en, lich-aam af te breken, is volgens regel I slechts een

tweede vergrijp tegen ons taaleigen, dat eigenlijk de spelling

lach-chen enz. zou eischen. Het zou eene nieuwe taalfout zijn,

aan eene bestaande toegevoegd.

263. III. Hetzelfde streven der taal, waarop de Regel der

Gelijkvormigheid (§ 49) berust, namelijk om de duidelijkheid te

bevorderen door in afgeleide en samengestelde woorden den vorm der

deelen zooveel doenlijk ongeschonden te bewaren, openbaart zich ook

bij de verdeeling der woorden in lettergrepen. Het duidelijkst ziet

men zulks bij samenstellingen. Daarin toch blijft iedere letter

in het woord, waartoe zij behoort. Men scheidt aldus: eer-ambt,

mein-eed, uit-een, haard-asch enz., en niet, gelijk de twee vorige

grondbeginselen zouden medebrengen, ee-rambt, mei-need, ui-teen,

haar-dasch enz.

Dat de taal het volstrekt zóó wil, blijkt uit de spelling kwab-aal,

bedil-al, slok-op, al-om, veel-al, wel-eer, niet kwab-baal, bedil-lal,

slok-kop, al-lom, ve-lal (naast ve-len), wel-leer enz.

a) Alleen en wanneer met verdubbelde l en n maken hier

uitzonderingen. Die spelling bewijst, dat men deze woorden niet

meer als samenstellingen van al en een, wan en eer herkent.

b) Ofschoon de gewone uitspraak door verkeerde toepassing van

regel II vrij algemeen in aar-daker en aar-dappel de d, en in

el-kander en mal-kander de k bij de volgende lettergreep voegt,

zoo kan dit misbruik geene voldoende reden zijn om bij de genoemde

woorden eene inbreuk op den regel te maken. Men breke daarom

af: aard-aker, aard-appel, elk-ander, malk-ander (uit manlijk,

d.i. ieder, en ander).

264. Hetzelfde beginsel openbaart zich, ofschoon minder regelmatig,

bij de afgeleide woorden. Vooreerst worden dezulke, die gevormd zijn

met (onscheidbare) voorvoegsels, als be-, ge-, her-, on- enz., welke

eigenlijk samenstellingen zijn, geheel op de wijze der composita

behandeld. Men scheidt aldus: be-dwelmen, ge-dragen, her-overen,

on-eens, ont-erven, wan-orde; niet, gelijk de vorige grondbeginselen

zouden vorderen: bèd-welmen, gèd-ragen, hé-roveren, ò-neens, on-terven,

wá-norde; de uitspraak en de spelling bewijzen duidelijk het tegendeel.

Al onze voorvoegsels be-, er-, ge-, her-, on-, ont-, oor- en wan-

zijn oorspronkelijk op zich zelve bestaande woorden geweest. De

daarmede gevormde woorden zijn dus eigenlijk composita. Dat

die voorvoegsels nu niet meer, althans niet onder dien vorm,

als zelfstandige woorden gebezigd worden en eene veel algemeener

beteekenis hebben aangenomen dan zij oorspronkelijk hadden, is

de oorzaak, dat de Nederlandsche grammatica de daarmede gevormde

woorden tot de afleidingen brengt. De Hoogduitsche taalkundigen

beschouwen zulke woorden nog altijd als samenstellingen; en onze

spelling bewijst, dat zij, wat den uiterlijken vorm ten minste

betreft, nog steeds daartoe behooren.

265. Ook de woorden, door aanhechting der achtervoegsels -achtig,

-haft, -haftig, -schap en -zaam gevormd, zijn oorspronkelijk composita,

en volgen den regel der samengestelde woorden. Men scheidt aldus:

aap-achtig, bok-achtig, snap-achtig, wit-achtig, held-haftig,

partij-schap, voogdij-schap, moei-zaam. Dat de taal zulks eischt,

blijkt zoowel uit de uitspraak als uit de spelling. Wilde zij hier

de twee vorige beginselen gehuldigd hebben, zij zou a-pachtig,

bok-kachtig, snap-pachtig, wit-tachtig uitspreken en schrijven.

De woorden op -aard zijn insgelijks samenstellingen (zie § 100)

en moeten derhalve op dezelfde wijze behandeld worden. Wij breken

daarom aldus af: bast-aard, dronk-aard, woest-aard, wreed-aard

enz., niet bas-taard, dron-kaard, wree-daard enz.; en schrijven

dienovereenkomstig: grijs-aard, laf-aard, niet grij-zaard,

laf-faard. Alleen de onregelmatig, d.i. van werkwoorden gevormde

grijnzaard en veinzaard kunnen niet anders dan als afleidingen

beschouwd, gespeld en afgebroken worden (grijn-zaard, vein-zaard).

266. Bij de woorden, kennelijk afgeleid door middel van ware

achtervoegsels, die geheel uit medeklinkers bestaan of er mede

beginnen, als: -d, -t, -s, -sch, -st, -de, -te, -se, -ster, gaat

de taal volgens hetzelfde beginsel te werk: het grondwoord blijft

in zijn geheel en het achtervoegsel wordt geheel afgescheiden. Bij

de achtervoegsels, die uit slechts éénen medeklinker bestaan of

met éénen medeklinker aanvangen, volgt dit reeds vanzelf uit de

twee vorige regels (I en II.) In overeenstemming daarmede scheidt

men aldus: klach-ten van klach-t, slach-ter, deug-den van deug-d,

lood-sen van lood-s, lief-de, hoog-te, vre-de, vee-te, smid-se

enz. Doch hetzelfde heeft insgelijks plaats bij die, welke uit

twee medeklinkers bestaan of met twee beginnen, namelijk bij -st,

-sch en het vervrouwelijkende -ster. Ook bij -sch, dat thans als

eene enkele s luidt, geschiedt zulks in overeenstemming met regel

I en II: vlee-schelijk, ei-schen, groot-sche. De gebruikelijke

scheiding gedwee-ste, mee-ste, mooi-ste, fraai-ste, lui-ste, en

naai-ster, brei-ster, vrij-ster, vlei-ster, is in strijd met regel

II, die gedwees-te, naais-ter enz. eischen zou; maar zij bewijst ten

klaarste, dat de taal ook de achtervoegsels, zooveel slechts doenlijk,

in hun geheel laat en als de afzonderlijke deelen eener samenstelling

behandelt. Hieruit volgt, dat men ook bang-ste, hard-ste, hoog-ste,

en bak-ster, zang-ster zal moeten scheiden, waarin drie of vier

tusschenletters voorkomen, omtrent welk geval de regels I en II

zwijgen.--Alleen de woorden naas-te (overtreffende trap van na) en

bes-te (voor betste) zijn uitzonderingen, die genoeg zijn gewettigd:

de eerste door de spelling met de dubbele a, ter voorkoming van

de uitspraak nàste; de tweede doordien de scheiding be-ste tot de

uitspraak bé-ste aanleiding zou geven.

267. De taal zelve toont derhalve ook hier duidelijk, dat zij den

vorm der deelen, waaruit de woorden bestaan, zooveel met de uitspraak

overeen is te brengen, ongeschonden wil voor oogen stellen. Maar

dan is ook de vraag opgelost, hoe men te handelen heeft met de t,

p en s, die in sommige verkleinwoorden vóór -je en -ken (of -ke)

ingelascht worden. Zij maken, wel is waar, geen onmisbaar bestanddeel

dier achtervoegsels uit, maar zijn toch alleen om hunnentwil aanwezig;

en zij behooren zeker niet tot het grondwoord, d.i. tot de voorgaande

lettergreep. Het taaleigen brengt derhalve mede, dat men aldus

verdeelt: stoel-tje, zoon-tje, boom-pje, bloem-pje, jong-ske(n),

penning-ske(n), doek-ske(n), enz.

Dat men rationeel handelt en de duidelijkheid bevordert door zoodoende

het grondwoord geheel af te zonderen, blijkt uit de vergelijking van

oor-tje (klein oor) en oort-je (geldswaarde), van buur-tje (buurman)

en buurt-je (kleine buurt), van vaâr-tje (vadertje) en vaart-je

(kleine vaart), van zee-tje (kleine zee) en zeet-je (zitje).

In het Grieksch, en in navolging hiervan ook in het Latijn,

pleegt men alleen die consonanten bij de volgende lettergreep

te voegen, waarmede Grieksche woorden kunnen beginnen. Men zou

geneigd kunnen zijn dit op onze taal toe te passen en op dien

grond de verdeeling bloem-pje, jong-sken te verwerpen. Men bedenke

echter, dat het Nederlandsch geen Grieksch is; dat alle woorden,

die thans met sch beginnen, voorheen met sk aanvingen; en dat pj

zich even gemakkelijk laat uitspreken als tj, blijkens Friesch

pjuuk (piek, schaatsenrijdershaak,) naast tjalk, tjilpen enz. De

uitspraak levert dus geen bezwaar op tegen de hier voorgeslagene

wijze van verdeeling, zoodat de Regel der Gelijkvormigheid hier

volle kracht kan hebben.

268. Reeds bij regel I is gebleken, dat de taal ten opzichte der

achtervoegsels, die met een klinker beginnen, als -er, -ig, -ier enz.,

anders te werk gaat. Daar zij zooveel doenlijk zoekt te vermijden dat

eene volgende lettergreep met een klinker begint, schroomt zij niet

eene sluitletter van het grondwoord te scheiden en bij het suffix te

voegen, b.v. verra-der, bin-der, tui-nier, toch-tig, zan-dig enz. Hier

gelden dus regel I en II.

Woorden, wier etymologische vorm volstrekt onkenbaar geworden is,

volgen de regels I en II; dus: we-reld, niet weer-eld, ofschoon

uit weer en ald; lie-verd, niet lief-erd, ofschoon -erd hetzelfde

woord is als -aard in grijsaard.

269. IV. Minder duidelijk verklaart zich de taal ten aanzien van het

verdeelen der woorden, waarin drie of vier letters bijeen staan, en

die niet rechtstreeks onder den voorgaanden regel vallen, omdat hunne

etymologie bij het algemeen onbekend is, als: ambt, arts, koorts,

toorts, ernst, hengst, erwt, schurft. Zij zijn deels oorspronkelijk

vreemde woorden, als toorts (fr. torche), venster (lat. fenestra);

deels afgeleide, als vor-st (van voor), worst (van wirren of werren, in

de war brengen, en vroeger ook vermengen); ambt is eene samentrekkhig

van ambacht. De vorm kan hier dus niet gevoeglijk als richtsnoer bij

het afbreken dienen. Dit verhindert evenwel niet, dat er tamelijk

goede regels te vinden zijn.--Vooreerst is het natuurlijk, dat men

tot de volgende lettergreep geene letters brengen mag, die zich niet

gezamenlijk aan het begin eener syllabe laten uitspreken, dus geene bt,

ft, wt. Daaruit volgt, dat men amb-ten, schurf-tig, erw-ten afbreekt,

niet am-bten, schur-ftig, er-wten, ofschoon de etymologie zulks eischen

zou.--Bij artsen, ertsen, schertsen, koortsen, toortsen enz. kan

men een oogenblik in twijfel staan omtrent de keus tusschen art-sen,

koort-sen en ar-tsen, koor-tsen, daar de ts, blijkens de verouderde

schrijfwijzen tsamen, tsestig, tseventig, tsidderen, zich aan het

begin eener lettergreep wel laat uitspreken. Wanneer men echter

bedenkt, dat de taal die woorden thans zonder t wil uitgesproken

hebben, en daardoor niet onduidelijk te kennen geeft, dat zij ts

voor niet welluidend houdt, dan zal men aan de verdeeling art-sen,

schert-sen, koort-sen zonder aarzelen de voorkeur geven.--Onder de

woorden met st, voorafgegaan door éénen of twee medeklinkers, als

angst, korst enz., zijn er eenige met t, niet met st, gevormd. Zeker

is zulks het geval met (wij) dorsten (durfden), waarschijnlijk ook met

dorst; de meeste echter zijn stellig afleidingen met st, als angst,

ernst, worst, die men derhalve volgens Regel III te behandelen heeft:

ang-stig, ern-stig, wor-sten. Het is uit dien hoofde het raadzaamst,

en zeker het gemakkelijkst, de weinige overige insgelijks op dezelfde

wijze te verdeelen, al zou de etymologie ook het omgekeerde eischen;

dus ven-ster, un-ster, glin-steren, heng-sten, hal-ster, bor-stel,

dor-sten, evenzeer als dien-sten, gun-sten, kun-sten, win-sten,

toekom-stig, van de bekende grondwoorden dienen, gunnen, kunnen,

winnen, komen.

270. V. In vreemde woorden en eigennamen, als: ábrikoos, ágrimonie,

Acropolis, Abraham, Acra, Adriaan, Aglaja, Atropos enz., waarin eene

vaste letter (muta) door eene vloeiende (liquida) gevolgd wordt, gaat

men, blijkens de uitspraak, naar het vreemde spraakgebruik te werk,

en brengt men de beide medeklinkers tot de volgende lettergreep,

zoodat men scheidt: a-brikoos, a-grimonie, A-braham enz.

Sommige dichters handelen evenzoo bij Nederlandsche woorden,

wanneer zij om het metrum tusschen eene muta en eene liquida

een toonloozen klinker uitstooten; b.v. bij a-dren voor aderen,

vo-glen, ne-drig. Anderen schrijven aadren, vooglen, needrig,

hetgeen de scheiding aad-ren, voog-len enz. onderstelt.

De grondbeginselen der Nederlandsche spelling Regeling der spelling voor het woordenboek der Nederlandsche taal · 第 26 / 30 题