a) als teeken van den 2den naamval enkelvoud:
a) in samenstellingen, wier eerste lid een substantief
is, dat in niet twijfelachtige gevallen eene s aanneemt;
b.v. in dorpsschool, om de analogie van dorpsbestuur,
dorpsherberg, dorpsleeraar, dorpsonderwijzer (§ 208);
b) in de samenstellingen met het woord zin, als alleszins,
eenigszins enz. (§ 125 en 211);
b) als teeken van het meervoud in samenstellingen, wier
eerste lid een persoonsnaam is, die op -ier eindigt, als
kanonnierskazerne (§ 209).
B) Eene twijfelachtige s wordt niet ingevoegd in de volgende
gevallen:
a) niet in samenstellingen, wier eerste lid een substantief is,
dat op -el, -em, -en of -er eindigt, wanneer de s zou moeten
dienen om het meervoud te vertegenwoordigen; b.v. niet in
burgerstand (§ 209);
b) niet in absolute genitieven, als goedschiks, niet
goedsschiks (§ 210);
c) niet achter werkwoorden, b.v. leidstar, niet leidsstar
(§ 212).
De spelling der bastaardwoorden.
214. Evenals ieder beschaafd volk bezigen wij een aantal woorden, die
niet in den boezem onzer eigene taal ontstaan, maar bij onderscheidene
gelegenheden uit andere talen ontleend zijn. Die vreemde woorden
vervallen vanzelve in drie klassen: 1) de zoodanige, die geheel
Nederlandsch geworden, met het volle burgerrecht begiftigd, als het
ware genaturaliseerd zijn; 2) de woorden, die geheel vreemd zijn
gebleven; en 3) de woorden, die tusschen deze beide soorten in staan,
d.i. de eigenlijk gezegde bastaardwoorden.
215. De eerste klasse bestaat uit dezulke, die, meestal sedert
onheuglijke tijden bij ons in gebruik, hun vreemden vorm geheel en al
hebben afgelegd, in alle opzichten, in klemtoon zoowel als in klank,
aan echte Nederlandsche woorden gelijk zijn geworden, en wier derivata
op Nederlandsche wijze gevormd zijn. Deze schijnen geene uitheemsche
bestanddeelen, geene vreemde voor- noch achtervoegsels te bevatten,
en onderscheiden zich in niets van oorspronkelijke Nederlandsche
woorden dan door hunne afkomst en het gemis van Nederlandsche
verwanten in opklimmende linie. Tot de zoodanige behoort b.v. kerk,
gr. kyriakon. Dit woord verschilt in vorm niet van berk, merk en
werk, het heeft echt Nederlandsche afstammelingen: kerkje, kerksch,
kerkelijk, moederkerk, kerkdeur enz., maar kyrios, het grondwoord
waarvan kyriakon gevormd is, ligt buiten het Nederlandsche taalgebied.
Het grootste aantal der tot deze klasse behoorende woorden is
eenlettergrepig, als: aas (gewicht), ark, beest, beurs, boei, bres,
brief, bul (open brief), dom(kerk), feest, fijn, fraai, gom, graad,
inkt, kaap, kaars, kaart, kaas, kalk, kelk, kers, keurs, klaar, klerk,
kleur, kluis, koers, koets, koor, koord, korst, kous, krent, kroon,
kroot, kruin, kruis, kuur, kwart, lamp, lans, leek, lijn, mijl, munt,
nis, paar, paard, paars, part, peer, pen, pers, pijl, pijn, pil,
plaats, plein, pleit, pluim, pool, poort, poos, pop, post, preek,
prent, proef, prooi, proost, rest, saus, sein, soep, stool, straal,
taart, test, tijm, toer, toets, toon, toorts, trein, troef, troon,
vlam, vork, wijl (sluier).
Een groot aantal andere is tweelettergrepig met den klemtoon op de
eerste syllabe, onverschillig of deze reeds in den oorspronkelijken
vorm den klemtoon had of dien eerst in het Nederlandsch gekregen
heeft. De tweede lettergreep is dan meestal geheel of nagenoeg
toonloos, waardoor zoodanige woorden het voorkomen hebben van
Nederlandsche woorden met een achtervoegsel. Hiertoe behooren: bijbel,
duivel, engel, fakkel, kamer, kamfer, kanker, karper, keizer, kerker,
ketter, kevie, kluister, konkel, koppel, kouter, kussen, lelie,
letter, menie, mijter, mode, monnik, mosterd, neger, olie, orde,
orgel, pauze, peper, perzik, priester, regel, rente, sekse, sekte,
singel, sintel, spiegel, suiker, tafel, tegel, tempel, tichel, tijger,
toren, zegen(wensch), zemel enz.
Verplaatsing van den klemtoon is geschied bij deken (decanus), kansel,
kelder, kemel, kervel, keten, keuken, kolder, schotel, venster,
vijver, zegen (vischnet), zolder en andere. Genoemde woorden komen
in vorm overeen met de echt Nederlandsche teugel, hamer, naaister,
lomperd, koude, merrie.
Zeldzaam zijn de tweelettergrepige, die, gelijk beschuit, bestel en
vernis, het voorkomen hebben van Nederlandsche woorden met praefixen,
als bedrog, verval. Andere gelijken weder op andere wijzen naar echt
Nederlandsche woorden: zoo hebben bakelaar en kandelaar denzelfden
vorm als kakelaar en wandelaar. Weder andere hebben den schijn van
composita, als aalmoes, altaar, bisschop, luipaard, meerkat, pelgrim,
die uiterlijk niet verschillen van aschschop enz.
216. De tweede klasse bestaat uit woorden, wier uitspraak en
accentuatie niet in het geringste veranderd of gewijzigd is, en die
juist zoo als in de vreemde taal worden uitgesproken. Hiertoe behooren
b.v.: facto, jure, incognito, partim, passim, raptim, totaliter,
generaliter, pro, contra, ergo, idem, item, punctum, anno, datum,
primo, secundo, medio, ultimo, lustrum, grammatica, logica, physica,
centrum, hypotenusa, praesens, praeteritum, participium, banco, bon,
bruto, franco, netto, tarra, debet, credit, a costi, whist, spadille,
manille, quadrille, basta, ponto, misère, budget, bonbon, bureau,
blanc-manger, bougie, cadeau, chapeau, chenille, conservatoire, douche,
eau de Cologne, joujou, shawl of châle, savoir-vivre, souper, diner,
carte-blanche, vaudeville enz.
217. De derde klasse bestaat uit woorden, die in de uitspraak
eene geringere of grootere wijziging hebben ondergaan, welke
echter niet voldoende is om hun het uitheemsch voorkomen geheel te
ontnemen. Zoodanige woorden zijn door die wijziging gerukt uit de
taal, waartoe zij oorspronkelijk behoorden, en zijn in zekeren zin
Nederlandsch geworden; doch het overblijfsel van de vreemde uitspraak
of van den vreemden vorm verhindert, ze gelijk te stellen met echt
Nederlandsche woorden en ze in de eerste klasse te rangschikken. Zij
behooren dus eigenlijk eenigermate aan twee talen, waarom men ze niet
ongepast bastaardwoorden kan noemen.
Wanneer woorden der tweede klasse op Nederlandsche wijze worden
verbogen of een Nederlandsch affix bekomen, al blijft hun vorm voor
het overige onaangetast, dan treden zij natuurlijk in de klasse der
bastaardwoorden; b.v. bougies, bons, datums, items, paternosters,
doctors of doctoren, bònnetje, cadeaus, cadeautjes, itempjes,
militairen, militaire macht enz.
218. De veranderingen, die de eigenlijke bastaardwoorden ondergaan
hebben, bepalen zich in den regel tot het uiteinde van het
woord. Soms wordt de vreemde uitgang geheel weggelaten, b.v. in
praefix, lat. praefixum; instinct, lat. instinctum; soms wordt
die uitgang slechts gewijzigd, b.v. in linie, lat. linea; olie,
lat. oleum; citroen, fr. citron; meloen, fr. melon; consequent,
nu eens lat. consequens, dan eens lat. consequenter; syllogisme,
gr. syllogismos. Het afwerpen of wijzigen van den uitgang heeft niet
zelden ook eene wijziging der voorgaande lettergreep ten gevolge:
b.v. in titel, lat. titulus; artikel, lat. articulus; vocaal,
lat. vocalis; systeem, gr. systêma; republiek, fr. république;
sigaar, sp. cigarro.--Somtijds echter bepaalt de geheele verandering
zich tot de wijziging van de uitspraak der eindlettergreep, zonder dat
zulks eene verandering in de spelling teweegbrengt; b.v. in officier,
fr. officier.
Bij woorden, uit levende talen ontleend, heeft echter niet zelden ook
eene wijziging in het lichaam van het woord plaats; b.v. in grenadier
en genie, waarin niet slechts de uitgangen ier en ie anders klinken
dan in fr. grenadier en génie, maar ook de g van gre en de e van
ge; vermicelli wordt bij ons doorgaans uitgesproken als vermiselli,
zelden als in het Italiaansch: vermitsjelli.
219. Dergelijke wijzigingen zijn echter verre van toereikend om in alle
gevallen aan een vreemd woord het voorkomen van een echt Nederlandsch
te geven. Niet zelden blijft er desniettegenstaande een vreemde
klank in over, b.v. in genie, logement, sergeant enz.; zoo ook in
artikel, titel, citer, die, om geheel Nederlandsch te kunnen heeten,
in artijkel, tijtel en sijter hadden behooren te veranderen, gelijk
onder andere met bijbel, mijter, tijger heeft plaats gehad. Zelfs het
zoo gebruikelijke cijfer kan niet als volkomen Nederlandsch beschouwd
worden, vermits de f van het lat. cifra niet in v is overgegaan,
en de uitgang -fer wel achter korte, als b.v. blaffer, keffer,
koffer, duffer, maar nooit achter lange klinkers of tweeklanken
voorkomt. In dit geval toch treft men alleen -ver aan: b.v. in
braver, gever, liever, grover, zuiver, ijver, stijver enz. In de
meeste gevallen blijft de accentuatie van het bastaardwoord zijn
vreemden oorsprong verraden. Hoogst zelden toch treedt de klemtoon
in meerlettergrepige woorden op de eerste syllabe over, waardoor
zij, gelijk aalmoes, altaar, kandelaar, olifant, het voorkomen van
Nederlandsche composita, of, gelijk ketel, schotel, venster, van
Nederlandsche derivata verkrijgen. Blijft de klemtoon op de tweede
of derde lettergreep rusten, als b.v. in probléém, publiék, orkáán,
diáken, epìstel, convocátie, execútie, dan worden zij terstond als
vreemde woorden herkend, te meer daar de klemtoon in meerlettergrepige
bastaardwoorden zelden die van echt Nederlandsche in kracht evenaart;
vergelijk b.v. evangelie, publicatie, met overmoedig, onderdanig. Ten
gevolge van een en ander onderkent men oogenblikkelijk diameter,
circulatie, evangelist enz. als vreemde woorden.
220. Ook nog op eene andere wijze openbaart zich niet zelden de
vreemde herkomst en natuur der bastaardwoorden, namelijk uit de
onmogelijkheid om op Nederlandsche wijze derivata te vormen. Wanneer
men het deminutief-suffix uitzondert, dat zelfs achter woorden der
tweede klasse kan treden, b.v. in bureautje, assessortje, dan is
men doorgaans genoodzaakt van de zoogenaamde bastaardachtervoegsels
gebruik te maken. Tiran of tyran b.v. levert niet op: tyransch,
tyrannelijk, tyranschap, noch het werkwoord tyrannen, maar
tyranniek, tyrannij, tyranniseeren; souverein niet souvereinschap,
maar souvereiniteit. Dikwijls komt daarbij de oudere, minder sterk
gewijzigde vorm weder te voorschijn; b.v. in apostolisch of apostoliek
van apostel; diaconie, diaconaal van diaken; of liever, apostoliek,
diaconie, diaconaal zijn niet afgeleid van apostel en diaken, maar zijn
de--onafhankelijk van apostel en diaken--overgenomen vreemde woorden
apostolicus, diaconia, diaconalis; gelijk systematisch en syntactisch
niet in den boezem onzer taal gevormd zijn van systeem en syntaxe,
maar van de adjectieven systematicus, syntacticus. Hetzelfde heeft
plaats bij titulair, commissaris, commissionnair, die niet van titel
en commissie zijn gevormd.
Zelfs woorden, die men anders tot de eerste klasse zou brengen,
blijven op deze wijze van hunne vreemde herkomst getuigen; b.v. abt,
doordien het niet abdesse, maar abdis, lat. abbatissa, geeft; fout door
foutief; klant door klandizie; cirkel door circulatie en circulaire;
cel door cellulair; cent zelfs door centesimaal, terwijl het niet
één Nederlandsch derivaat heeft.
221. De spelling der woorden, die stellig tot de eerste klasse
behooren, levert weinig zwarigheden op. Die woorden worden
beschouwd als genaturaliseerd, als geheel verdietscht en met het
volle burgerrecht begiftigd. Zij worden daarom nagenoeg algemeen als
oorspronkelijke Nederlandsche woorden geschreven. Niemand spelt thans
meer caars, caart, cleur, clooster, coster, coucen, cruis, groupe,
persic, punct, train, troupe, enz. De Redactie meent overeenkomstig
dit gebruik als beginsel te moeten aannemen, dat de Nederlandsche
spelling in al die woorden behoort gevolgd te worden, ook in die,
waaromtrent de gevoelens min of meer verdeeld zijn. Zij schrijft
derhalve sieren en singel met eene s, en troon zonder h, ofschoon
sommigen nog aan cieren, cieraad, cingel en throon de voorkeur
geven. Deze woorden toch worden geheel als Nederlandsche behandeld
en verbogen, treden met echt Nederlandsche in compositie en vormen
derivata op Nederlandsche wijze: opsieren, versieren, sierplant,
sieraden, sieradiën (gelijk kleinoodiën, dat echt Nederlandsch is);
omsingelen; onttronen, hemeltroon, troonopvolger, enz.
222. De woorden cedel (blijkens den ouderen vorm cedul het Fransche
cédule, en niet naar het lat. schedula gevormd), ceder, lat. cedrus,
en cijns, lat. census, geven bedenking, of zij al of niet tot de eerste
klasse moeten gebracht worden. Zij zijn volkomen Nederlandsch van
klank en hebben geene vreemd klinkende derivaten. Cedel wordt zelfs
saamgetrokken tot ceêl, en helpt gedenkcedel, huurceêl, ceêlmaker
enz. vormen; ceder komt voor in cederachtig, cederboom, cederhout,
cijns in cijnsbaar, cijnsplichtig; alleen de c verraadt de vreemde
herkomst. Volgens de Analogie behooren die woorden derhalve tot de
eerste klasse en zou de c door de s moeten worden vervangen. Hier staat
echter tegenover, dat zij steeds zonder uitzondering met c geschreven
en daarom ook alleen onder dien vorm bekend zijn; dat zelfs het zoo
gewone ceêl altijd zijne c behouden heeft; dat de cederboomen en het
cederhout te weinig populair zijn om onder de veranderde vormen seder,
sederen, sederhout terstond herkend te worden; en dat cijns weinig
meer wordt gebruikt, maar een historisch woord is geworden, dat dus
een vasten vorm heeft aangenomen. Wanneer wij dat alles bedenken,
achten wij het niet raadzaam in strijd met het heerschende gebruik eene
spelling te veranderen, waaromtrent nooit verschil van gevoelen heeft
bestaan, om eene andere aan te nemen, die door velen niet terstond
begrepen zou worden. Wij beschouwen daarom de genoemde woorden als
bastaardwoorden, die door hunne spelling van hun vreemden oorsprong
getuigenis geven, en blijven schrijven: cedel (ceêl), ceder, cijns.
223. De spelling van de woorden der tweede klasse levert in het geheel
geene bedenkingen op. Het ligt in den aard der zaak, dat vreemde
woorden, die in de uitspraak geenerlei wijziging hebben ondergaan,
hunne oorspronkelijke spelling, de zichtbare voorstelling hunner
uitspraak, onveranderd behooren te behouden.
224. Veel grooter zijn de bezwaren, verbonden aan het bepalen van
de spelling der woorden, die de derde klasse uitmaken. Daaromtrent
toch zijn de gevoelens zoo verdeeld, dat men bezwaarlijk volkomene
overeenstemming tusschen twee schrijvers ontdekken zal. Wanneer men
echter niet in bijzonderheden treedt, dan kan men in het zoozeer
verschillend gebruik twee hoofdrichtingen onderscheiden, die, van
twee tegenovergestelde uitersten uitgaande, nagenoeg lijnrecht tegen
elkander inloopen. Men kan ze gevoeglijk de oudere en de nieuwere
richting noemen.
225. De oudere dagteekent van 1804, en heeft zich tot beginsel gesteld,
dat de bastaardwoorden over het algemeen hunne oorspronkelijke spelling
behooren te behouden. Zij wil alleen de uitgangen overeenkomstig
het Nederlandsche spraakgebruik gewijzigd hebben, en maakt geene
uitzonderingen dan alleen ten opzichte van die woorden, welke, onder
alle standen der maatschappij in gebruik, door allen op Nederlandsche
wijze geschreven worden. Deze richting laat derhalve verschillende
vreemde schrijfwijzen te midden van de inheemsche bestaan, onderstelt
in den lezer de kennis der vreemde spelling en uitspraak, en duldt
vele uitzonderingen; doch deze zijn geene noodwendige uitvloeisels
van het aangenomen beginsel, maar worden alle door buitenliggende
omstandigheden veroorzaakt.
226. De nieuwere richting, nagenoeg veertig jaren jonger, heeft
zich ten doel gesteld de spelling der vreemde woonden zoodanig in te
richten, dat de Nederlander de kennis der vreemde taal voor de juiste
uitspraak ontberen kan. Zij gaat kennelijk uit van de onderstelling,
dat men alleen dan recht heeft een vreemd woord te bezigen, wanneer het
geschikt is om zóó geschreven te worden, dat de lezende Nederlander,
toegerust met de kennis van de spelling en uitspraak zijner eigene
taal, aan de doode letter de levende uitspraak kan teruggeven en zich
de beteekenis herinneren.
Ook deze richting heeft hare uitzonderingen, vermits wij een aantal
vreemde woorden bezigen, wier klank niet kan worden afgebeeld, indien
men onze letters uitsluitend op Nederlandsche wijze wil uitspreken,
terwijl een aantal andere in Nederlandsch gewaad gestoken volstrekt
onherkenbaar zouden zijn. Deze uitzonderingen vloeien uit het
aangenomen beginsel zelf voort, hetwelk dus niet vol te houden is;
daarentegen worden de uitzonderingen op de oudere richting regelmatige
toepassingen van het hier aangenomen beginsel.
227. Beide richtingen hebben hare voor- en nadeelen, die de Redactie,
genoodzaakt eene keus te doen, onderling heeft te vergelijken en aan
de algemeene spellingbeginselen, in de Eerste Afdeeling ontvouwd,
te toetsen.