Toevoegsel, in te lasschen tusschen § 119 en 120. [14]

In de verkleinwoorden, afgeleid van samengetrokken vormen, in

welke eene d is uitgestooten, is men tot dusverre gewoon geweest

die d in de spelling te herstellen. Men schrijft laadje, slaadje,

bedsteedje, sleedje, zoodje, zijdje, luidjes, van lade, salade,

bedstede, slede, zode, zijde, luiden (lieden). Aan de wettigheid

van die schrijfwijze werd nooit getwijfeld: zij scheen als vanzelf

aangewezen. En toch berustte zij op een misverstand, dat men

slechts behoeft op te merken, om er terstond de onjuistheid van in te

zien. De regelmatige verkleining van de genoemde woorden zou ladetje,

saladetje, bedstedetje, sledetje enz. zijn; doch die vormen heeft de

taal niet gewild, zij waren te slepend voor woorden van meestal zeer

alledaagsche beteekenis. Evenals de spreektaal in de grondwoorden

bijna uitsluitend de samengetrokken vormen la, sla, bedstee, slee,

zoo, zij, lui (van mnl. luide, liede) bezigt, deed men hetzelfde bij

de vorming der verkleinwoorden, die dus niet van de oorspronkelijke,

maar van de samengetrokken vormen zijn afgeleid. In die samentrekkingen

was de d van lade, slede enz. voorgoed verdwenen. Er kan geen de

minste reden bestaan om die d terug te roepen, en laadje, sleedje

enz. te schrijven. Die vormen zouden op grondwoorden als laad,

sleed enz. wijzen, die niet bestaan. De tongletter, die in de

genoemde verkleinwoorden gehoord wordt, is derhalve niet de d van

de oorspronkelijke woorden, maar de t, die noodzakelijk ingelascht

moest worden in deminutieven van woorden als la, slee, zoo, zij, alle

op klinkers uitgaande. Evenals van pa, ma, zee, ei, lei, kneu, bij,

bui enz. de verkleinwoorden paatje, maatje, zeetje, eitje, leitje,

kneutje, bijtje, buitje enz. luiden, behooren ook de van la, slee

enz. afgeleide met de t geschreven te worden. De Redactie aarzelt

dan ook niet eene spelling te laten varen, die op geenerlei wijze

te rechtvaardigen is, en schrijft daarom naar den eisch der taal:

laatje, slaatje, bedsteetje, sleetje, zootje, zijtje, luitjes enz.

Naschrift.

Wij zijn aan het einde van ons onderzoek gekomen. De vraagstukken

in onze Nederlandsche spelling, die vroeger of later verschil

van gevoelen hebben uitgelokt, of die tot dusverre tot twijfel en

onzekerheid aanleiding gaven, maar nooit opzettelijk werden beantwoord,

hebben wij achtereenvolgens behandeld. Wij hebben alles getoetst

aan de algemeene beginselen, die tot leiddraad moesten verstrekken,

alle punten in onderlingen samenhang beschouwd, en getracht onze

keuze zooveel mogelijk in overeenstemming te brengen zoowel met de

behoeften der practijk als met de eischen der wetenschap. Gaarne

erkennen wij, dat ons onderzoek niet al de moeilijkheden uit den weg

heeft geruimd, die aan het zoo ingewikkeld leerstuk der orthographie

onafscheidelijk zijn verbonden. De rijke verscheidenheid van klanken,

die eene levende taal bezit, met het geringe aantal letterteekenen,

waarover men te beschikken heeft, altijd nauwkeurig af te beelden, en

daarbij tevens de eischen in acht te nemen, die zoowel de afstamming

der woorden en hunne onderlinge verwantschap, als de betamelijke

eerbied voor het gevestigd gebruik kan doen gelden: ziedaar zeker

eene taak, die met onoplosbare bezwaren gepaard gaat. Maar wij durven

ons vleien, dat onze arbeid de zaak toch een stap verder gebracht

heeft; dat in de door ons aangenomen spelling talrijke gebreken zijn

opgeruimd, en de tot hiertoe in ons vaderland gevolgde schrijfwijze

zeker heeft aangewonnen in nauwkeurigheid, zuiverheid, regelmaat en

consequentie. De moeilijkheden, die de spelling in de practijk en bij

het onderwijs blijft opleveren, mogen dan onvermijdelijk wezen: het is

reeds veel gewonnen, indien wij er in geslaagd zijn die aanmerkelijk te

verminderen. Men houde hierbij wel in het oog, dat die moeilijkheden

niet alleen in ons Nederlandsch bestaan. Schijnt wellicht, bij eene

oppervlakkige beschouwing, in andere talen de spelling eenvoudiger

en gemakkelijker, het is ook inderdaad niet meer dan schijn. Zoodra

men de orthographie van het Fransch, het Engelsch, het Hoogduitsch

vooral, nauwkeurig overweegt, ontdekt men overal inconsequentie,

gemis van regelmaat, verwarring en willekeur: gebreken, die alleen

daarom minder sterk in het oog vallen, omdat zij nooit behoorlijk

in het licht zijn gesteld, terwijl men veelal lijdelijk berust in

het eenmaal aangenomen gebruik, door het wetgevend gezag van enkele

taalgeleerden of door den voorgang der beste schrijvers bepaald. Dat

gebruik kent men uit leerboeken of woordenlijsten, die men raadpleegt

zonder zich om gronden en beginselen, om regelmaat of verwarring,

te bekommeren. Ook onze Nederlandsche spelling kan op dezelfde

wijze uit gelijksoortige hulpboeken worden gekend, en reeds in

zooverre staat onze taal bij vreemde niet achter. Maar zij heeft dit

boven andere vooruit, dat hare schrijfwijze--langdurig onderzocht,

veelzijdig besproken en telkens opnieuw beproefd--met bewustzijn

uit erkende en deugdelijke beginselen is afgeleid en naar een vasten

maatstaf geregeld; dat zij weet wat zij doet, en waarom zij zóó en

niet anders handelt. Waarlijk, een voorrecht, dat wij wel op prijs

mogen stellen! Indien eene verstandige spelling gunstig getuigt van

de denkkracht der natie, dan zal voorzeker die onzer moedertaal niet

tegen ons volk getuigen.

Zaakregister.

De alleenstaande nommers verwijzen naar de paragrafen van den tekst.

A, is een der drie oorspronkelijke klinkers, blz. 37,

heeft een aantal zachte e's opgeleverd, blz. 38,

wordt in geslotene lettergrepen door verdubbeling verlengd 73.

Aaneen te schrijven of te verbinden zijn:

eigenlijke samenstellingen, waarbij, indien men ze oploste,

invoeging, omzetting of vormverandering zou moeten plaats hebben,

138,

eigenlijke samenstellingen, uit koppelingen ontstaan 139,

woorden, door middel van een achtervoegsel afgeleid 140,

werkw., verbonden met zelfst. nw., bijv. nw. en bijw.,

wanneer, wanneer niet 142,

met zoogenaamde scheidbare en onscheidbare voorzetsels en bijw. van

richting 143,

bijv. nw. met de bijw. wel, vol en al 144,

benamingen van kleuren 145,

voornaamw., welke 146,

telw., welke 138, aanm.

bijw., welke 147-149,

voorzets., welke 150,

voegw., welke 151,

tusschenw., welke 152,

titels, welke 139, 144.

aau, zie au.

Achtervoegsel of suffix heet elke achter een woord gevoegde letter of

lettergreep, die geen op zich zelf bestaand woord is, en niet dient om

te verbuigen of te vervoegen, maar om een nieuw woord te vormen. Ook

woorden, die ter vorming van nieuwe woorden achtergevoegd worden,

en òf in het geheel niet meer, òf niet meer zóó geschreven, op zich

zelve staande in gebruik zijn, worden tot de achtervoegsels gerekend;

b.v. -schap, -zaam, -aard, -erd; zie 100, 265;

waarin verschillend van een uitgang 242, aanm.;

welke bij het afbreken der woorden in hun geheel worden afgescheiden

265-267, welke niet 268;

-aadje, zie hier -age,

-aard en -erd, niet -aart, -ert 100,

-age, niet -aadje 243,

-eel, -eele, -eelen 77, 79; wanneer -el- blz. 44,

-eeren, niet -eren 77, 79,

-ees, -eezen, niet -ezen 77, 79,

-el, in bijv. nw. en in samenstellingen 166, 167,

-eet, -ete, -eten, geen achtervoegsel 77, aanm.,

-er, soms een blijk van samenstelling 140,

-erd, zie hier -aard,

-heid, mv. -heden 77-79,

-ie, wanneer in het mv. i-en (iën), wanneer ie-en (ieën) 83,

-ief, -ieve, -ieven, wordt soms -iv-, 82,

-iek, -ieke, -ieken niet -ijk 86; wordt soms -ik- 82,

-iet, -iete, -ieten, wordt soms -it- 82,

-ig, soms een blijk van samenstelling 140,

-ijk, wanneer te verwerpen en in -iek te veranderen 86,

-ing, soms een blijk van samenstelling 140,

wanneer -ing te bezigen en niet -ling 113,

-isch, waarom niet -iesch 84,

-je, niet -jen 119,

-ken en -ke 119,

-lijk, neemt soms eene toonlooze e vóór zich; wanneer 112,

-ling, een samengesteld achtervoegsel 113,

-loos, -looze, niet -loze 77, 79; neemt soms eene toonlooze e vóór

zich; wanneer 112,

-pje 119,

-s, achter bijw. een blijk van samenstelling 140,

-sch, hoe te schrijven achter woorden op s 124; is soms een blijk

van samenstelling 140,

-ster, soms een blijk van samenstelling 109,

-tje, niet te bezigen achter woorden op d 119.

ae, waarom niet gebezigd in de plaats van aa 73,

waarom niet als voorstelling van den klank tusschen a en e in wereld

en vers 81.

Aesthetica of Schoonheidsleer, hare eischen aan de Spelling 36,

vordert vooral waarheid, d.i. overeenstemming tusschen uiterlijk

en innerlijk 234.

Affix (aanvoegsel) heet elke letter of lettergreep, welke ter vorming

van een nieuw woord vóór of achter een bestaand woord gevoegd wordt,

wanneer die op zich zelve geen woord is, òf, zóó geschreven, niet

meer als zoodanig gebruikt wordt. Affix is dus de algemeene benaming,

die voorvoegsel of praefix en achtervoegsel of suffix omvat; zie

deze woorden.

Afleiding,

Regel der Afleiding, hoe hij luidt 54; staat gewoonlijk beneden dien

der Beschaafde Uitspraak 57; in welke bijzondere gevallen niet 58;

zijn rang en waarde 72;

afleiding

der woorden op -hande en -lei 93,

op -halve 120,

der achtervoegsels -aard en -erd 100,

van admiraal 104,

van Dinsdag 128,

van kruit 127,

van litteeken 131,

van nochtans 97,

van omtrent 118,

van ootmoed 117,

van samen 108.

ai, is de oorspronkelijke tweeklank, waaruit de meeste scherpe e's

zijn ontstaan, blz. 39.

Apperceptie en appercipieeren, wat 20; kan door de spelling worden

bevorderd 21.

au, is de oorspronkelijke tweeklank, waaruit de meeste scherpe o's

zijn ontstaan, blz. 39,

de schrijfwijze au is geschikter ter voorstelling van den thans

bedoelden tweeklank dan aau 74.

Bastaarduitgangen, welke en hoe te spellen 242, 246,

-age, niet -aadje 243,

-eet, -ete, -eten, 77, aanm.,

-loog, -loge, -logen 77, aanm.,

-noom, -nomen 77, aanm.,

-oop, -open 77, aanm.,

-scoop, -scopen 77, aanm.

Bastaardwoorden, wat 214, 217,

hoe ontstaan 218,

waaraan te onderkennen 219, 220,

hoe te spellen 242-250.

Beginletters, wat 257, a.

Beschaafde Uitspraak, wat 11; moet door het schrift vertegenwoordigd

worden 39, doch kan nooit volkomen juist worden voorgesteld 42.

Regel der Beschaafde Uitspraak, hoe hij luidt 40; zijne

verhouding tot de dialecten 41; is de grondregel der spelling 40,

c en 69; overheerscht alle andere regels 46, 70, doch moet door

andere regels aangevuld worden 47.

Boekentaal, zie Schrijftaal.

C, te bezigen in Grieksche woorden ter vervanging der k 245.

waarom te behouden in cijfer 219, in cel, cent en cirkel 220,

in cedel, ceder, cijns 222.

ch, wordt niet verdubbeld 95,

de stomme ch achter s, in welke woorden te behouden, uit welke weg

te laten 123.

cht, wanneer te bezigen, wanneer gt 94.

D, niet in te lasschen in drieërhande, drieërlei, tweeërhande,

tweeërlei 93.

niet t, te bezigen als sluitletter van de achtervoegsels -aard en

-erd 100, en van het znw. aard 101,

te behouden in admiraal 104,

in iemand en niemand 116,

te vervangen door t in buskruit en rattenkruit 127,

is in t overgegaan in sommige woorden, die daarom met t, niet met

dt moeten geschreven worden 102,

niet te herstellen in thans, althans, doorgaans, nopens, volgens

enz. 122.

Dialecten, wat zij zijn en hoe zij ontstaan 10; hebben in de spelling

slechts eene raadgevende stem 41; zijn ontoereikend om de spelling

met e en o of ee en oo te bepalen 75.

ds, wanneer te bezigen, wanneer ts 99.

E, is geen oorspronkelijke klinker, maar uit andere ontstaan, blz. 37:

de zachte uit a of i, de scherpe uit ai, blz. 38 en 39,

als verbindingsletter in samenstellingen, hoe ontstaan 164-166,

wanneer de toonlooze e in te voegen in de woorden op -lijk, -ling

en -loos 112.

F, gaat over in v in dievegge 107,

vervangt ph in de bastaarduitgangen -aaf, -ief, -oof 246; doch niet

in het lichaam der Grieksche woorden 245.

G, te behouden in nog (tot hiertoe, bovendien) 132.

Gaping, zie Hiatus.

Gebruik (het), in samenstellingen 177.

Regel van het Gebruik, hoe hij luidt 65; beperking van den regel 66;

is geen eigenlijke spelregel 66, b.

Gelijkvormigheid in de spelling, wat 48; strekt ter bevordering der

apperceptie 49, f.

Regel der Gelijkvormigheid, hoe hij luidt 49; is grootendeels

dezelfde als die, welken men gewoonlijk den Regel der Afleiding

noemde 49, e; zijne strekking 49, f; is in rang de tweede algemeene

spelregel 71.

Genitief (zwakke), wat 182,

komt in samenstellingen slechts zelden voor 185-187; in welke

185, 194.

gt, wanneer te bezigen, wanneer cht 94.

H, niet te bezigen in nochtans 97, noch in troon 221, noch in Antonius,

Margareta, hypotenusa 255.

Hiatus, of gaping, wat 172,

wordt in samenstellingen vermeden door het invoegen van eene n

204, 205.

I, is een der oorspronkelijke klinkers, blz. 37.

heeft een aantal zachte e's opgeleverd, blz. 38.

vervangt soms ie in de achtervoegsels -ief, -iek, -iet 82.

ie, stelt een te langen klank voor om in het achtervoegsel -isch

gebezigd te kunnen worden 84,

gaat soms over in i in de achtervoegsels -ief, -iek, -iet 82.

IJ, oorsprong en waarde 85,

te veranderen in ie in het achtervoegsel -iek (-ijk) en in koffie,

melodie, poëzie 86;

in i in Januari, Juni enz. 87;

in ei in sacristein en karwei (werk) 88;

moet ei vervangen in malvezij en karwij (zaad) 88;

moet blijven in dozijn, ijzen, ijselijk 88, in bij, hij, wij, zij,

razernij enz. 89;

niet te bezigen in de plaats van y in de tweeklanken ay, ey, oey,

uy 86, aanm.

Indeclinabilia, zie Woorden (onveranderlijke).

J, hare waarde in het samengestelde letterteeken ij 85,

niet meer te bezigen achter de tweeklanken aai, ei, ooi, ui, oei 92.

K, niet te verdubbelen achter de toonlooze i 106,

te vervangen door t in litteeken voor likteeken 131.

Klemtoon, als kenmerk van bastaardwoorden 219;

verandering van den klemtoon, een blijk van samenstelling 134, 139.

Koppelingen, wat 136, 1372 en 163,

hoe zij in eigenlijke samenstellingen kunnen overgaan 139.

De grondbeginselen der Nederlandsche spelling Regeling der spelling voor het woordenboek der Nederlandsche taal · 第 27 / 30 题