a) al de woorden, bedoeld in nº 2, tenzij de n door Regel IV
voor de welluidendheid gevorderd wordt (§ 190);
b) van de woorden, bedoeld in nº 3:
a) die, welke het dagelijksch leven en de huishouding
betreffen, b.v. pennemes, kurketang (§ 192);
b) namen van boomen, wier eerste lid de naam is eener
vrucht of eener bloem, b.v. pereboom, tulpeboom (§ 196).
C) Naar gelang der omstandigheden worden afwisselend zonder of
met n geschreven de woorden, bedoeld in nº 4 (§ 197).
VI. Bij samenstellingen, wier eerste lid een bijvoeglijk woord is,
komen geene twijfelachtige gevallen voor; de spraakkunst beslist
ondubbelzinnig het al of niet aanwezig zijn eener n (§ 198-201). In
woorden, wier eerste lid een werkwoord is, wordt nooit eene n
ingelascht (§ 202 en 203).
VII. De verbindings-s dient in samenstellingen, wier eerste lid een
naamwoord is, òf als teeken van den tweeden naamval van het enkelvoud,
òf als teeken van het meervoud (§ 208-211). In de weinige woorden,
waarin zij achter een werkwoord voorkomt, staat zij alleen om den
wille der welluidendheid (§ 212).
VIII. Eene verbindings-s is alleen twijfelachtig in samengestelde
woorden, wier tweede lid begint met eene s, of met eene z, die scherp
(als s) wordt uitgesproken (§ 207).