a) al de woorden, bedoeld in nº. 1 (§ 188);
b) van de woorden, bedoeld in nº 3:
a) de samenstellingen, wier eerste lid een één- of
tweelettergrepige persoonsnaam is; alsmede de woorden
op -in of -inne, -es of -esse, die meerlettergrepig
zijn; b.v. boerendochter, heldendaad, vrouwenkleed,
koninginnenmantel (§ 193);
b) de samenstellingen, wier eerste lid een manlijke
diernaam is, die geene composita met s vormt;
b.v. apengezicht, berenklauw (§ 194);
g) botanische benamingen, wier eerste lid een diernaam is,
onverschillig manlijk, vrouwelijk of onzijdig, wanneer
de samenstelling geen lichaamsdeel aanduidt, maar op de
geheele diersoort ziet; b.v. duivenkervel, slangenkruid
(§ 195).