III.

153. De uitdrukkingen, waarin woorden voorkomen met verouderde

grammatische vormen, worden aaneen geschreven, omdat die woorden

bij eene scheiding eene zelfstandigheid zouden erlangen, waarop zij

bij den tegenwoordigen toestand der taal geene aanspraak meer kunnen

maken. Hiertoe behooren:

1) de uitdrukkingen, waarin het eerste lid in den sterken manlijken

of onzijdigen genitief voorkomt, als: goedsmoeds, droogsvoets,

blootsvoets, blootshoofds, heelshuids, luidskeels (ook luidkeels) enz.

2) de uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel, gevolgd door

een sterken manlijken of onzijdigen genitief, als: binnenshuis,

buitenshuis, binnenslands, buitenslands, binnensmonds, binnensrands,

binnenstijds, enz.

3) de uitdrukkingen, waarin de d van het zoogenaamde bepalende

lidwoord door den invloed van den slotmedeklinker van het voorafgaande

voorzetsel tot t verscherpt wordt of met dien medeklinker ineensmelt,

als: metterdaad, mettertijd, metterwoon, uitermate.

4) de uitdrukkingen, bestaande uit een substantief, dat bepaald wordt

door dèr, dès en wès, verouderde vormen van de voornaamwoorden die en

wat, hetzij beide eene bijstelling uitmaken, als: derhalve, dermate,

destijds, hetzij het eerste door het tweede geregeerd wordt, als:

desbevoegd, deskundige, weshalve.

5) de uitdrukkingen, bestaande uit een adjectief in den sterken

genitief op -er, gevolgd van een substantief in oneigenlijken zin

genomen, als: allerwegen, halverwegen (verschillend van halfweg),

gewapenderhand, langzamerhand, gelukkigerwijze, toevalligerwijze;

hand en wijze worden bijna als suffixen opgevat.

Een genitiefvorm op -er klinkt, uit hoofde van zijne overeenkomst

met de zeer gewone comparatiefvormen, minder vreemd dan die op -s

in bloots, goeds, heels enz. Dit schijnt de reden te zijn, waarom

het Gebruik de verbinding niet noodig acht, wanneer het substantief

zijne eigenlijke beteekenis behoudt, als in onverrichter zake, ouder

gewoonte, zaliger gedachtenis enz. Hieruit is het ook te verklaren,

waarom met luider stem, in aller ijl, te gelijker tijd, niet aaneen

geschreven worden, maar wel inderdaad, waarin daad niet in den

eigenlijken zin wordt opgevat.

Het gebruik van het koppelteeken.

154. Wanneer een der opgenoemde regels het graphisch verbinden

van woorden vordert, doch het werkelijk aaneenschrijven een woord

opleveren zou van een te vreemd en zonderling voorkomen, of dat uit

hoofde zijner lengte moeilijk zou te overzien zijn, dan worden de

deelen door een koppelteeken (hyphen) vereenigd.

De grondbeginselen der Nederlandsche spelling Regeling der spelling voor het woordenboek der Nederlandsche taal · 第 20 / 30 题