141. Wanneer bij de vereeniging van twee uitdrukkingen eene van
beide of beide hare beteekenis hebben gewijzigd om te zamen een nieuw
begrip te vormen, zoodat de beteekenis der vereenigde uitdrukkingen
eene andere is dan die, welke de bloote som der op elkander volgende
deelen zou medebrengen, wordt de graphische verbinding uit den aard
der zaak door de grammatica en de duidelijkheid geëischt. Immers
men heeft dan blijkbaar niet meer eene vereeniging van twee in den
geest duidelijk gescheiden begrippen, door de opeenvolgende woorden
uitgedrukt, maar eigenlijk een nieuw begrip, dat slechts door beide
vereenigd vertegenwoordigd wordt, zoodat het aaneenschrijven voor de
juiste opvatting noodzakelijk is.
Tot dergelijke vereenigingen behooren:
142. 1) Een aantal verba, verbonden met een substantief, adjectief of
adverbium van wijze, in welke de beteekenis der genoemde woorden of van
het verbum zelf is gewijzigd, als: gadeslaan, handhaven, huishouden,
raadplegen, rechtspreken, waarnemen, waarschuwen; gevangennemen,
goeddoen, goedmaken, goedvinden, hoogachten, kwijtraken, kwijtschelden,
liefhebben, loslaten, schadeloosstellen, vrijlaten, schoonmaken;
grootspreken, harddraven, hardrijden, liefkoozen, snelschrijven,
voortgaan, voortvaren, voortvloeien, weldoen enz.
Waneer echter het eerste woord een substantief is, dat eene bepaling
bij zich nemen kan, dan is zulks een bewijs, dat ieder lid op zich
zelf blijft bestaan, en dat er derhalve geene samenstelling plaats
heeft; waaruit voortvloeit, dat de woorden in die gevallen niet aaneen
geschreven behooren te worden. Daarom moet b.v. acht geven en -- slaan,
staat maken, prijs stellen enz. gescheiden blijven, dewijl men zegt:
acht op iets geven, geene acht op iets slaan, geen staat op iets maken,
hoogen prijs op iets stellen.
Daar de uitdrukkingen plaats nemen, -- hebben, -- vinden eene
dergelijke bepaling toelaten, als men b.v. zegt: Neem eene betere
plaats; Het heeft of vindt geene plaats enz., zoo behooren ook deze
woorden gescheiden te blijven. Alleen plaats grijpen, dat nooit eenige
bepaling toelaat en waarin grijpen overdrachtelijk wordt opgevat,
zou hierbuiten staan en, stipt genomen, aaneen geschreven moeten
worden. Wij erkennen echter gaarne, dat deze onderscheiding, hoezeer
ook grammatisch gegrond, in de practijk niet wel toepasselijk is,
en achten het niet raadzaam deze ééne uitdrukking van de vorige af
te zonderen. Wij blijven daarom plaats grijpen schrijven, evenals
plaats hebben, plaats vinden, plaats nemen.
Bij samenstellingen van adjectieven handelt het gebruik
anders. Deze worden alleen dan gescheiden, wanneer zij
werkelijk eene bepaling bij zich hebben of in een der trappen
van vergelijking staan. Men schrijft hoogachten, goedmaken en
goedvinden aaneen, ofschoon zeer hoog achten, hooger achten,
zeer goed vinden, beter vinden, het best vinden, beter maken te
recht gescheiden blijven, zoowel om den vorm dier uitdrukkingen,
als omdat het gronddenkbeeld daarin kennelijk eene wijziging
heeft ondergaan. Hooger achten toch is eigenlijk de versterking
van hoog achten, niet van hoogachten.
143. 2) De talrijke klasse van werkwoorden met zoogenaamde
scheidbare en onscheidbare voorzetsels, als aangeven, achterstaan,
bijblijven, bovendrijven, doordringen, omslaan, opkomen, onderloopen,
overloopen, tegenspreken, uitmunten, voorstellen; aanschouwen,
doorzoeken, omsingelen, onderstellen, overwinteren enz. In deze
en alle dergelijke woorden toch heeft niet slechts het voorzetsel
zijne beheersching losgelaten, en is het in een bijwoord veranderd,
maar ook de beteekenis van het verbum is meestal òf geheel gewijzigd,
òf ten minste zoo ver op den achtergrond getreden, dat er een nieuw
begrip is ontstaan. Om dezelfde laatstgenoemde reden worden ook de
adverbia, die eene richting uitdrukken, met het verbum verbonden,
als: achterovervallen, afkomen, bijeenvoegen, heengaan, medenemen,
misloopen, rechtuitgaan, terugbrengen, toesnellen, samenstellen,
voorbijsnellen, vooruitloopen, wederbrengen, wedergeven enz.
144. 3) De bijvoeglijke naamwoorden vergezeld van de bijwoorden wel,
vol en al in de beteekenis van zeer, b.v. weldoend, welbespraakt,
welgeboren, welzalig, volkomen, volmaakt, volzalig, algoed, aloud,
alwijs enz., vermits die bijwoorden hier in eene gewijzigde beteekenis
staan.
Hetzelfde wat van vol en wel gezegd is, geldt ook van zeer, alsmede van
hoog en edel, wanneer deze in titels als adverbia gebruikt worden. Al
die woorden verliezen dan de beteekenis, die zij op zich zelve staande
hebben, en behooren dus met het volgende ware of als substantief
gebezigde adjectief verbonden te worden. Daarom schrijft men het
regelmatigst: Weledel, Weledelgeboren, Hoogwelgeboren, Hooggeboren,
Edelachtbaar, Grootedelachtbaar, Zeergeleerd, Hooggeleerd, Weleerwaard,
Hoogeerwaard, Zeergestreng enz. Vergelijk § 139.
Composita met het zelfst. voornaamw. al, als: alwetend,
alvermogend, alziend, behooren tot de eigenlijke samenstellingen,
dewijl bij eene ontbinding der deelen al in alles zou moeten
veranderd worden: alles wetend, alles vermogend.--Almachtig is
gevormd van almacht (vermogen om alles te doen.)
145. 4) De benamingen van kleuren, uit twee adjectieven bestaande,
hetzij het eerste in een adverbium verandert, als b.v. hooggeel,
lichtbruin, donkerbruin, hetzij het, gelijk in zwartbont en roodbont,
een waar adjectief blijft. Hier toch ontstaat een nieuw begrip;
donkerrood, lichtgeel beteekenen niet hetzelfde als donker rood en
licht geel, welke laatste uitdrukkingen ook voor comparatie vatbaar
zijn: donkerder rood, zeer donker rood; terwijl daarentegen zeer
donkerrood, zeer lichtgeel natuurlijk niet bestaan. Vergelijk de
aanmerking in § 142.
146. 5) De pronomina: degene, diegene, hetwelk, dezulke, dezelve en
dezelfde. Daar het graphisch verbinden van twee woorden, waarvan het
eerste zijne gewone verbuiging behoudt, strijdig kan geacht worden met
het strenge begrip van samenstelling, hebben Bilderdijk en anderen
het aaneenschrijven der genoemde uitdrukkingen veroordeeld. Deze
vereischen dus eene toetsing aan de gestelde beginselen.
Gene geeft, als het op zich zelf staat, te kennen, dat het bedoelde
voorwerp zich op eenigen afstand van den spreker bevindt, en onderstelt
altijd eene tegenstelling met iets anders, dat dichter bij is; ook
wordt het in die opvatting nooit van het lidwoord vergezeld. Degene
en hetgene (of hetgeen) daarentegen beteekenen, dat de aangeduide
personen en zaken door een volgenden bijzin bepaald worden, en drukken
dus een geheel eigenaardig begrip uit, hetwelk bij geene mogelijkheid
uit de beide woorden op zich zelve kan worden opgemaakt. Hier bestaat
dus, zoozeer als bij eenig ander woord, eene afdoende reden om, het
gebruik volgende, verbonden te schrijven: degene, desgenen, dengene;
hetgeen of hetgene.--Diegene en datgene verschillen van degene en
hetgeen alleen door meerderen nadruk, maar bevinden zich overigens
in hetzelfde geval en worden dus insgelijks te recht aaneen geschreven.
In hetwelk heeft het lidwoord het blijkbaar alle beteekenis verloren,
daar hetwelk volstrekt niets méér zegt dan het bloote welk, evenals het
ouderwetsche dewelke niets méér beteekent dan het gewone welke. Toen
zich nog in de vorige eeuw dewelke en hetwelk door grooteren nadruk
van welke, welk onderscheidden, hadden artikel en relatief beide
kracht, en kon het verbinden misschien met recht veroordeeld worden;
thans is hetwelk ongetwijfeld als eene koppeling te beschouwen en,
gelijk het gebruik wil, in één woord te schrijven: hetwelk.
In dezulke, van zaken gebezigd, komt zulk in zijne gewone opvatting
(als zoodanig) voor; dezulken echter, van personen gezegd, beteekent
doorgaans niet: zij, die zóó zijn, maar: zij, die zóó doen. De regel
zou derhalve eischen, dat de woorden in het eene geval gescheiden,
in het andere verbonden geschreven werden. Intusschen blijkt het
verschil niet altijd even duidelijk en loopen de beide beteekenissen
soms ineen. Het komt ons niet raadzaam voor in enkele gevallen eene
onderscheiding te maken, die niet altijd kan worden toegepast en
die steeds in eene spitsvondigheid bestaat. Daarom zien wij geene
voldoende reden om bij dit woord van het gebruik af te wijken, en
schrijven wij derhalve steeds verbonden: dezulke, dezulken.
Zelf drukt absolute identiteit uit, en kan het best door in eigen
persoon omschreven worden. Dit begrip echter staat bij dezelve,
hetzelve zoo ver op den achtergrond, dat het niet meer merkbaar is. Wie
zich dus nog van de genoemde persoonlijke voornaamwoorden mocht
willen bedienen, zou geene reden hebben om ze anders dan verbonden
te schrijven: dezelve, hetzelve.
Eenigszins anders is het gelegen met dezelfde en hetzelfde: het
lidwoord behoudt daarin zijne kracht, en zelfde, een versterkte
vorm van zelf doet het begrip van absolute identiteit ten sterkste
uitkomen. Men kan dus een oogenblik in bedenking staan, of die
uitdrukkingen wel als composita te beschouwen zijn. Wanneer men
echter in aanmerking neemt, dat zij voor het taalgevoel inderdaad een
ondeelbaar begrip uitdrukken, en dat het woord zelfde in de beteekenis
van absolute identiteit nooit op zich zelf staat, dan zal men zeker
geen genoegzamen grond vinden om bij die woorden van het gebruik af
te wijken. De Redactie blijft derhalve schrijven: dezelfde, hetzelfde.
Het lidwoord een is nooit aan een volgend woord verbonden geworden;
daarom schrijft men gescheiden: eene zekere soort, een zeker gevoel,
en dus ook een zelfde geval, een zelfde begrip, waarin zelfde geene
absolute identiteit, als in dezelfde, maar slechts eene relatieve,
slechts volkomene gelijkheid ten opzichte van de eene of andere
hoedanigheid, uitdrukt.
Ook in mijns gelijke, zijns gelijke, haars gelijke enz. behouden
de woorden mijns, zijns enz., die de objectieve genitieven
zijn van de personalia ik, hij enz. en door gelijke geregeerd
worden, geheel en al hunne eigene beteekenis, evenzeer als dit
gesubstantiveerde adjectief. Er is dus evenmin reden om mijns
enz. aan gelijke te hechten, als om mijner en onzer aan erbarmen,
gedenken of schamen te verbinden in: Hij heeft zich mijner erbarmd;
Wil mijner gedenken; »Zoo zullen we Uwer ons nooit schamen" enz.
De gebruikelijke verbinding van mijn en heer in den beleefdheidstitel
Mijnheer steunt op goeden grond, daar mijn in die samenstelling zijne
beteekenis verloren heeft, en om die reden in de overeenkomstige
woorden Mevrouw en Mejuffrouw tot me verzwakt is. Het meervoud Mijne
heeren echter kan niet als compositum beschouwd worden, vermits mijne
daarin, strijdig met het vereischte van samengestelde woorden, zijne
verbuiging behoudt.
147. 6) De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit twee adverbia,
waarvan het eene, ten gevolge der vereeniging, zijne beteekenis
gewijzigd heeft, als: weleer, veeleer, dusverre, hoeverre, zooverre,
zoolang, evenlang, evenzeer, zoozeer, evenveel, hoeveel, zooveel enz.,
verschillend van veel eer, hoe ver, zoo lang, zoo zeer enz.
Hiertoe behooren vanzelve ook die uitdrukkingen, waarin het tweede
lid een voorzetsel is, als bijwoord gebezigd, b.v. kortom, linksom,
middenin, nabij, rechtsom, rechtuit, rondom, ronduit; achteraan,
achterin, achterop, achterover, achteruit; bovenaan, bovenop, bovenuit;
onderaan, onderin, onderuit; tusschenin, vooraan, voorin, vooronder,
voorover, vooruit; voortaan enz. Ook af was oorspronkelijk een
voorzetsel en verkeert dus in hetzelfde geval; derhalve insgelijks:
achteraf, kortaf, linksaf, rechtsaf, vooraf enz.
Hier is natuurlijk geene sprake van het geval, waarin eene ware
praepositie door een adverbium voorafgegaan wordt. Alsdan toch
behouden beide woorden hunne eigene beteekenis, en zou het verbinden
ten onrechte plaats hebben. Daarom schrijft men gescheiden: midden
in den tuin; boven op den zolder; het water liep er onder uit.
148. 7) De uitdrukkingen, bestaande uit de bijwoorden van plaats hier,
daar en waar, wanneer deze, gepaard met een in bijwoord veranderd
voorzetsel, de waarde hebben van een voornaamwoord, dat door een
voorzetsel beheerscht wordt, als: hieraan (aan dit), hieraf (van dit),
daardoor (door dat), daarmede (met dat), waartoe (tot hetwelk) enz.
Ten opzichte van de bijwoorden ergens, nergens, overal en er, tot
hetzelfde doel met een voorzetsel vereenigd, maakt het Gebruik eene
uitzondering. Men schrijft gescheiden: ergens aan, nergens door,
overal bij, er bij, er van, er uit enz., hetgeen blijkbaar daaraan is
toe te schrijven, dat zoodanige uitdrukkingen met overal, ergens en
nergens alleen in gemeenzamen stijl voorkomen en meer gesproken dan
geschreven worden; en dat er meestal door tusscheninstaande woorden
van zijn voorzetsel gescheiden is: Men had er nooit aan gedacht;
Hij zou er in dat geval toch toe besloten hebben.
149. 8) De bijwoordelijke uitdrukkingen, die bestaan uit een
voorzetsel, gevolgd
a) van een zelfstandig naamwoord, dat in die verbinding nimmer een
bepalend woord bij zich neemt, wanneer òf dit zelfst. naamw. òf
het voorzetsel zijne beteekenis wijzigt, als: achterwege, onderweg,
overeind, bijgeval (door een toeval), integendeel, inzonderheid enz.
b) van een bijwoord of een bijvoeglijk naamwoord, wanneer een der
genoemde woorden of wel het voorzetsel zelve zijne beteekenis heeft
gewijzigd; als: overdwars, overlang, overluid, opnieuw, vanhier,
vandaar, vanwaar, voorwaar, voorzeker, voorgoed (verschillend van
van hier, van daar, van waar, voor zeker, voor goed, in welke laatste
uitdrukkingen de beide bijeenbehoorende woorden hunne kracht behouden).
c) van de zelfstandige voornaamwoorden al en een: bovenal (boven
alles), vooral, overal, aaneen, achtereen, bijeen, dooreen, opeen,
uiteen.
Het voorzetsel te maakt hier natuurlijk eene uitzondering, zoowel
wanneer het alleen staat, als wanneer het met de datieven der
lidwoorden de en het tot ter of ten is samengesmolten. Eene der
gewone functies toch van te is juist het vormen van bijwoordelijke
uitdrukkingen, terwijl andere zulks slechts bij uitzondering
doen. Men schrijft daarom gescheiden: te huis, te land, te water,
ter zee, ten hove, ten dage, ter ure, te paard, te scheep, te voet,
ter been; te koop, te huur, te geef, ter leen, te kijk, te grabbel,
te zoek, te berge, te pas, te onpas, te rade, te recht, te onrecht,
ten onrechte, ten eerste, ten tweede, ten laatste enz.
Daar het lidwoord en het voornaamw. zelfde, volgens § 146, steeds
aaneen geschreven worden, en er geene reden bestaat om ze te
scheiden, wanneer er eene samentrekking met te plaats heeft,
maken uitdrukkingen als tenzelfden tijde, terzelfder tijd,
terzelfder plaats, terzelfder ure enz. natuurlijk uitzonderingen
op dezen regel.
In terstond, terug en terdege of terdeeg worden stond, rug en deeg
niet meer in hunne eigenlijke beteekenis opgevat; vandaar dat
die uitdrukkingen als samenstellingen te beschouwen zijn en dus
aaneenverbonden behooren geschreven te worden. Hetzelfde geldt, wel
is waar, ook bij te berge, maar die uitdrukking staat uitsluitend bij
slechts één werkwoord: te berge rijzen; hare bijwoordelijke natuur
wordt dus nagenoeg niet gevoeld, wat bij de andere drie wel degelijk
het geval is. Terstond en terdege toch kunnen bij ieder verbum gevoegd
worden, en terug dient om de beteekenis van een vrij aanzienlijk
getal verba te wijzigen: terugbrengen, -deinzen, -eischen, -gaan,
-geven, -houden, -roepen, -vragen, -zenden enz. De gevallen staan
dus geenszins gelijk; weshalve wij geene voldoende reden zien om hier
van het gevestigde gebruik af te wijken. Wij schrijven dus te berge
in twee woorden, maar terstond, terug en terdege of terdeeg aaneen.
De uitdrukkingen te leur en te loor, met het thans verouderde
substantief leur of loor gevormd, komen op zich zelve nooit voor,
maar de eerste alleen in verbinding met het werkwoord stellen, de
tweede alleen met gaan, en bij die verbinding nemen de vereenigde
uitdrukkingen eene nieuwe beteekenis aan, zoodat hier werkelijk eene
eenheid ontstaat en dus samenstelling plaats heeft. Volgens § 141
behoren deze uitdrukkingen derhalve, als te zamen een nieuw begrip
vertegenwoordigende, aaneen geschreven te worden: teleurstellen,
teloorgaan.
Van bij geldt nagenoeg hetzelfde als van te. In het Middelnederlandsch
werd het regelmatig gebezigd voor door, evenals het Engelsche by. Deze
beteekenis, hoewel zeldzamer, is nog niet geheel verouderd, blijkens de
uitdrukkingen: bij besluit, bij missive, bij een schrijven, bij eene
verordening, bij reglement enz. Daarom moet bij in uitdrukkingen als:
bij toeval, bij erfenis, bij uitzondering, bij loting, bij verkiezing
enz. evenzeer geacht worden zijne eigenlijke beteekenis te hebben als
in: bij ontstentenis, bij gebrek enz. Bijgeval echter wordt te recht
aaneen geschreven, omdat geval daar in de min gewone beteekenis van
toeval voorkomt.
150. 9) Onder de praepositionale uitdrukkingen alleen tegenover,
rondom, niettegenstaande en ingevolge. De overige, bestaande uit een
voorzetsel, gevolgd van een substantief, blijven in overeenstemming
met § 142 gescheiden, omdat dit substantief zelf eene bepaling
eischt, bestaande uit eenen genitief of uit een ander voorzetsel
met zijne eigene beheersching; b.v. in geval van nood, naar mate
van zijne bekwaamheid; en zoo ook door middel van, uit hoofde van,
in overeenstemming met, in betrekking tot enz., terwijl men zegt
ingevolge dezen nood, niet van dezen nood of dezes noods. Derhalve ook:
uit kracht, door toedoen, door bemiddeling, naar gelang, naar luid,
op hoop, in spijt, ten spijt, ten behoeve, ten gevalle, ten aanzien,
ten overstaan, ten aanhooren, ten aanschouwen enz.
Natuurlijk kan er nog minder sprake zijn om die woorden aaneen
te schrijven, wanneer het substantief een artikel, pronomen
of adjectief bij zich heeft; b.v. als men zegt: naar de mate
zijner bekwaamheden, door het krachtigste middel van overreding,
in volkomene overeenstemming met zijne bedoelingen, in nauwe
betrekking tot uw welzijn enz. In zulke gevallen behoudt ieder
woord zijne eigene grammaticale waarde, en vervalt het begrip
van een samengesteld voorzetsel geheel.
151. 10) Alle uitdrukkingen, die de waarde van een voegwoord hebben,
en waarin de beteekenis van ieder deel niet volkomen duidelijk
uitkomt; b.v. alhoewel, alsmede, alsof, bijaldien, derhalve, dewijl,
doordien, evenals, ingeval, naarmate, nademaal, tenware, tenzij,
hoezeer, hoewel, zooals, zoodat, zoowel enz., en zoo ook daarenboven,
daarentegen, desniettegenstaande, desniettemin. Wanneer echter ieder
deel zijne eigene kracht kennelijk behoudt, worden zij niet graphisch
verbonden. Daarom schrijft men gescheiden: niet alleen.... maar
ook, nu eens.... dan eens, vanhier dat, vandaar dat, dan dat. Zoo
scheidt men ook: zoolang als, zoodra als; want zoolang en zoodra zijn
alleen reeds als voegwoorden in gebruik, en derhalve, wanneer zij
door als gevolgd worden, veeleer als bijwoorden dan als voegwoorden
te beschouwen. Vergelijk b.v. Zoolang hij ziek is, kan van de zaak
niets komen, met: Hij zal afwezig blijven, zoolang als zijn broeder
ziek is. Wanneer nadat en voordat een bijwoord ter versterking vóór
zich bekomen, worden voor en na, in overeenstemming met § 145, van
dat gescheiden: lang voor dat, lang na dat.
Uit deze en de vorige § volgt dat het voegwoord naarmate ook
graphisch onderscheiden is van het praepositionale naar mate:
Hij werd nederiger, naarmate zijn aanzien steeg. Hij zal naar mate
(of naar de mate) van zijne diensten beloond worden.
152. 11) Van de tusschenwerpsels worden helaas en eilieve aaneen
geschreven, en te recht, omdat laas, mnl. laes, lacy, op zich
zelf verouderd is, en lieve niet meer als een vocatief gedacht
wordt. Daarentegen behoort och of, hoewel de conjunctie of daar
de verouderde beteekenis van indien heeft, vaneen geschreven te
worden, vermits anders de constructie der volgende woorden niet te
rechtvaardigen is; vergelijk b.v.: Och, of (indien) gij mij gelooven
wildet (hoe zou ik mij verheugen).