1) Wanneer in een compositum eigennamen of van eigennamen gevormde
adjectieven voorkomen, als:
a) in de benamingen van koopwaren, waarin het eerste lid de naam
is van de landstreek of de plaats, die de waar oplevert, of vanwaar
zij uitgevoerd wordt, b.v. Baai-tabak, Cayenne-peper, Java-koffie,
Manilla-sigaren, Riga-balsem, Smyrna-vijgen, Zuidzee-traan enz.
Deze schrijfwijze heeft voornamelijk ten doel, den eigennaam duidelijk
te doen uitkomen. Wanneer deze echter in de uitspraak onherkenbaar
misvormd is, kan het doel door de scheiding niet meer bereikt worden,
en schrijft men de deelen werkelijk aaneen; b.v. sinaasappel, voor
Messina's-appel, enz.
b) in de zelfstandige naamwoorden, waarvan het eerste lid een adjectief
is, gevormd van een eigennaam, als: Berlijnsch-blauw, Engelsch-zout,
Friesch-groen, Pruisisch-zuur enz.
c) in de bijvoeglijke naamwoorden, bestaande uit de koppeling van twee
adjectieven, die van eigennamen zijn afgeleid, als: Engelsch-Russisch,
Fransch-Engelsch, Franco-Gallisch, Indisch-Europeesch, Indo-Germaansch
enz.
156. 2) Wanneer titels van personen, in burgerlijke, rechterlijke of
militaire betrekkingen, bestaan
a) uit twee bastaardwoorden, als: adjunct-commies, adspirant-ingenieur,
ambassadeur-plenipotentiaris, gouverneur-generaal, minister-resident,
procureur-crimineel, politie-commissaris, substituut-griffier,
auditeur-militair, admiraal-generaal, luitenant-generaal,
luitenant-kolonel, sergeant-majoor.
b) uit een Nederlandsch woord en een bastaardwoord, wanneer beide
reeds op zich zelve titels zijn, of wanneer het tweede een adjectief
is, dat dan, strijdig met ons taaleigen, achter het substantief komt:
grootmeester-nationaal, kapitein-kwartiermeester, kapitein-geweldiger,
staten-generaal, raad-pensionaris enz.
157. 3) Wanneer geographische eigennamen bestaan uit een eigennaam
en een bijvoegl. naamwoord of een bijwoord, als: Groot-Britannië,
Klein-Azië, Nieuw-Holland, Nieuw-York, Rood-Rusland, Wit-Rusland,
Noord-Brabant, Zuid-Holland, Achter-Indië, Voor-Indië, Beneden-Egypte.
Het koppelteeken wordt natuurlijk niet gebezigd, wanneer het
tweede lid der samenstelling een gemeen zelfst. naamw. is;
dus niet in Amazonenrivier, Noordzee, Zuiderzee, Oostzee,
Oostergoo, Westergoo, Westland, Opsterland, Salland, Teisterbant,
Hartsgebergte, Reuzengebergte.
158. 4) Wanneer een bijvoeglijk woord, hetzij een adjectief, een
lidwoord of een voornw., alleen betrekking heeft op het eerste
lid eener volgende samenstelling, niet op dit woord in zijn geheel
genomen. In dit geval wordt het bijvoeglijke woord door een hyphen
met het compositum verbonden, als: bolvormige-driehoeksmeting,
platte-driehoeksmeting, dolle-hondsbeet, 's-Gravendeel, 's-Gravenhage,
groot-zegelbewaarder, 's-Heerenberg, 's-Hertogenbosch,
Mijns-Heerenland, oude-kleerkoop, klein-kinderschooltje,
oude-mannenhuis, ijzeren-spoorweg, rijnsche-wijnflesch,
desolate-boedelkamer, Beiersch-bierbrouwerij, Groene-weeshuis (naar
de kleeding der weezen), St.-Catharinagasthuis, Heilige-Geestgasthuis,
Lieve-Vrouwenkerk enz.
159. Omtrent het schrijven der telwoorden zou men in twijfel kunnen
staan, in hoeverre zij al of niet verbonden moeten worden. Raadpleegt
men het gewone gebruik, dan vindt men een telwoord alleen dàn graphisch
aan een volgend gehecht, wanneer het de waarde van een multiplicatief
adverbium heeft; b.v. twee in tweehonderd (tweemaal honderd);
ook worden dertien, veertien, vijftien enz. tot negentien aaneen
geschreven; in alle andere gevallen laat men de deelen gescheiden. Men
schrijft b.v. zeshonderd negen en veertig duizend vijfhonderd
negentien, zes en twintig enz. Daar echter ook het langste telwoord
een zelfstandig deel eener rede uitmaakt, doet zich de vraag voor,
of dit gebruik niet is af te keuren, en of niet alle bestanddeelen
van een samengesteld telwoord ten minste door koppelteekens behooren
vereenigd te worden. Bij eene nadere beschouwing echter laat zich
de vraag niet anders dan ontkennend beantwoorden, omdat in zulke
vereenigingen al de vereischten eener compositie ontbreken, namelijk
een overheerschende klemtoon, de duidelijke samenvatting der leden
in ééne voorstelling, en de wijziging der beteekenis van ten minste
één lid. Zoo zoekt men b.v. in driehonderd vier en vijftig millióén
zevenhonderd drie en zestig dúízend negenhonderd acht en zéventig
vergeefs naar een woord, dat door zijn sterkeren nadruk al de overige
woorden overheerscht en tot een geheel verbindt. Men hoort kennelijk
drie hoofdaccenten, namelijk op millioen, duizend en zeventig; deze
zijn even sterk en bewijzen mede, wat iedereen trouwens bij zich
zelven kan waarnemen, dat de geest het geheele getal niet in eens
omvat, maar het zich achtereenvolgens in drie gedeelten voorstelt,
die men zelfs, zonder eenig nadeel voor de duidelijkheid, door
komma's zou kunnen scheiden. Eindelijk, ieder woord wordt in deze en
dergelijke verbindingen in zijne gewone beteekenis opgevat, behalve
dat de getallen, die in vereeniging met honderd als multiplicativa
staan (tweehonderd, achttienhonderd), door de ellips van maal of
malen eene gewijzigde kracht bekomen, ten blijke waarvan zij dan ook
met dit woord graphisch verbonden zijn. De Redactie ziet derhalve
geene overwegende reden, om hier van de algemeene gewoonte af te
wijken, die ten overvloede door het overeenstemmend Gebruik in alle
beschaafde talen gewettigd wordt. Zij laat dus al de bestanddeelen
van een samengesteld telwoord gescheiden, behalve tien en honderd,
die aan het onmiddellijk voorgaande gehecht worden: dertien, veertien,
vijftien, negentien; tweehonderd, zevenhonderd, zeventienhonderd enz.
160. Meer grond bestaat er voor het graphisch verbinden der
bestanddeelen van samengestelde ranggetallen, als b.v. drie en
twintigste, vier honderd en zevende, zeshonderd vier en negentigste. In
deze en dergelijke uitdrukkingen worden de verschillende leden door
het afleidingssuffix -de of -ste, aan het laatste lid gehecht, tot
een geheel verbonden, zoodat zij, in den tegenwoordigen toestand
der taal, tot die soort van eigenlijke samenstellingen behooren,
waarover in § 140 gehandeld is. Intusschen pleiten gedeeltelijk
dezelfde redenen, die in de vorige § zijn aangevoerd, hier tegen de
verbinding der bestanddeelen. Men heeft dergelijke samengestelde
uitdrukkingen dan ook nooit als eigenlijke composita beschouwd,
hetgeen daaruit blijkt, dat men oudtijds de suffixen -de en -ste, ten
minste achter de hoofdbestanddeelen, herhaalde, en b.v. schreef: het
hondertste ende tiende jaer; drie dusentste vierhonderdste ende seven
ende tachtigste. Daarom achten wij het ongeraden, met de bedoelde
uitdrukkingen zoo geheel anders te handelen dan met de eigenlijke
getallen, en, in strijd met het gevestigde Gebruik in onze en andere
beschaafde talen, wanstaltige woordvormen voor te staan, die het
oog dikwijls niet zou kunnen overzien. Wij aarzelen derhalve niet,
ten opzichte der ranggetallen eene uitzondering op den regel van §
140 te maken en voort te gaan met gescheiden te schrijven: negen en
zeventigste, vijfhonderd dertiende, enz.
B. Hoe te handelen met de verbindingsklanken tusschen de leden eener
samenstelling?
161. De tweede onzekerheid bij het schrijven van samengestelde
woorden betreft den vorm van het eerste lid, die uit de uitspraak niet
altijd duidelijk blijkt, hetgeen bij vele tot verschil in spelling
aanleiding geeft. Zoo schrijven b.v. sommigen pereboom en tarwebrood,
anderen perenboom en tarwenbrood. De Leer der Spelling moet hier
uitspraak doen.
De onzekerheid spruit uit verschillende oorzaken voort; het is
van belang die te kennen. Ook bij dit onderzoek is het noodig het
onderscheid in het oog te houden tusschen de eigenlijke samenstellingen
en de samenkoppelingen, van welke echter, gelijk reeds is aangemerkt,
sommige later voor oor en oog in eigenlijke samenstellingen zijn
overgegaan; vergelijk § 135 en 139. Deze verandering van vorm en
nog andere redenen, die straks ter sprake komen, maken ook het
onderscheiden van oudere en jongere samenstellingen noodzakelijk.
De letters, ten opzichte waarvan onzekerheid en verschil bestaat,
noemt men verbindingsklanken of verbindingsletters. Beginnen wij met
te onderzoeken, wat men er door te verstaan heeft, welke letters zoo
te noemen zijn.
162. De woordstammen, d.i. de woorden, van alle buigingsuitgangen
ontdaan, waren in den oudsten toestand der Indo-Germaansche talen
tweeërlei: vocalisch, uitgaande op een der korte klinkers a, i en u
(oe); of consonantisch, eindigende op eene n, voorafgegaan door eene
korte a, of door eene lange î of û (goth. ei of ô). Bij het vormen
van eigenlijke samenstellingen werd het eerste lid oorspronkelijk,
indien het een vocalischen stam had, in zijn onveranderden stamvorm
voor het tweede lid gevoegd; was het consonantisch, dan werd de n
afgeworpen, en de voorafgaande lange klinker verkort. Dientengevolge
eindigde het eerste lid der eigenlijke samenstellingen op weinige
uitzonderingen na--kennelijk alle onregelmatigheden--steeds op een
der korte klinkers a, i of u (oe). Daar nu deze klinkers een deel van
het eerste lid uitmaken, kon er toen bij eigenlijke samenstellingen
geene sprake zijn van opzettelijk ter verbinding ingevoegde letters.
Uit deze waarneming vloeit nog iets voort. Indien het eerste lid in
zulke composita voorkwam in zijn stamvorm, zonder eenig teeken dat
eene betrekking aanduidde, dan is het zeker, dat men oorspronkelijk
bij het samenstellen volstrekt niet dacht aan de verhouding van het
eerste lid tot het tweede, maar het aan den hoorder overliet zich
die verhouding daarbij te denken.
163. Het begrip van samenkoppeling sluit reeds uit zich zelf het
aanwezig zijn van verbindingsklanken uit. Eene koppeling bestaat in
het aaneenhechten van twee, soms van meer woorden, die in de rede
op elkander volgen; daarom komt het eerste lid natuurlijk niet in
zijn stamvorm voor, maar, zoo het een verbuigbaar woord is, in een
vorm waarin het in de rede zelfstandig kan optreden; een naamwoord
derhalve in een naamval van het enkel- of meervoud, een werkwoord
in de onbepaalde of in de gebiedende wijs. Zoo heeft b.v. het woord
God in godsdienst den vorm van den 2den, in godebehaaglijk dien van
den 3den, in godverheerlijkend dien van den 4den naamval, omdat
die woorden vereenigingen zijn van de uitdrukkingen Gods dienst,
Gode behaaglijk, God verheerlijkend. Het werkwoord spelen staat
in spelevaren in de onbepaalde wijs, doch met onderdrukte n, omdat
dit woord eene verbinding is van spelen varen (verg. lezen leeren);
in vergeet-mij-nietje staat vergeten in de gebiedende wijs.
164. Doch bestonden er oorspronkelijk geene verbindingsklanken,
verschillende oorzaken hebben samengewerkt om hun bestaan eerst te
onderstellen, en later werkelijk zulke letters in te voegen. Daar
de woordstammen onveranderd natuurlijk alleen in samenstellingen
voorkwamen, maar in de verbogen vormen, onder welke zij in de rede
optraden, allerlei wijzigingen ondergingen, geraakte de natuur van
de eindklinkers der stammen spoedig in vergetelheid, en begon men ze
voor opzettelijk ingevoegde klanken, voor bloote verbindingsletters,
aan te zien. Zij werden allengs zwakker uitgesproken, en gingen
ten laatste in de toonlooze e over. Zoo ontstonden b.v. dageraad,
nachtegaal, bruidegom van de stammen daga, nahta, bruthi. Wanneer men
deze woorden vergelijkt met de later gevormde dagboek, nachtverblijf,
bruidleidster, enz., dan krijgt de toonlooze e, ofschoon een deel van
het eerste lid zijnde, het voorkomen van eene ingevoegde letter zonder
beteekenis of reden van bestaan, van een blooten verbindingsklank. Haar
aanwezen bewijst intusschen, dat de genoemde woorden tot de oudste
samenstellingen behooren, uit den tijd, toen men de woordstammen daga,
nahta en bruthi nog kende.
165. Even willekeurig schijnt de toonlooze e in vele samenstellingen,
wier eerste lid vroeger op dezen thans afgesleten klinker eindigde,
b.v. in wiegelied, harteleed, bruggegeld, ruggegraat, willekeur enz.,
van de verouderde vormen wiege, harte, brugge, rugge, wille.
166. Bij samenkoppelingen hebben andere oorzaken gewerkt om letters,
die inderdaad tot het eerste lid behooren, als ingevoegd te doen
beschouwen. De tweede naamval, die thans alleen in het enkelvoud van
het manlijke en onzijdige geslacht een kenmerkenden uitgang heeft (-s,
-es, -n of -en), nam voorheen ook bij zwakke vrouwelijke woorden,
als vrouwe, kerke, eere, eene -n aan: der vrouwen, der kerken, der
eeren. Het meervoud, dat thans in alle naamvallen op eene -n of eene
-s eindigt, ging vroeger bij alle sterk verbogen woorden op -e uit
(in den 3den naamval op -en): honde, geite, dinghe, of bij sommige
onzijdige op -er: kinder, kalver. Het was dus natuurlijk, dat men,
toen er geene vrouwelijke genitieven op -n, geene meervouden op -e
of -er meer bestonden, de -n, -e of -er in woorden als vrouwenkleed,
eerenprijs, paardeboonen, kinderkamer, raderwerk enz. voor ingevoegde
letters aanzag.
Voorheen vormde men, naar het schijnt meest van werkwoorden,
adjectieven op -el, als behaghel, krijgel, schamel, vergetel, vermetel,
verstandel. Zij werden vooral in samenstellingen en afleidingen
gebezigd, als in schamelheid, vergetelheid, vermetelheid. Was nu zulk
een adjectief buiten gebruik geraakt en vergeten, dan kreeg -el in
eene samenstelling het voorkomen van willekeurig ingevoegd te zijn,
b.v. in schorselwoensdag, schortelkleed, schrikkeljaar, schrikkelmaand,
troostelbier enz.
167. Toen men nu eenmaal van het bestaan van verbindingsklanken
meende overtuigd te zijn, was het natuurlijk dat men bij het vormen
van nieuwe composita, als op het gevoel af, naar bestaande modellen
te werk ging en dikwijls geheel ten onrechte letters invoegde. Op
die wijze ontstonden, naar het voorbeeld van koningsmoord,
vaderlandsliefde, kindskind, de composita jongelingsvereeniging,
belegeringswerken, vrijheidsliefde, dochtersman, waardoor de s in
composita ook achter vrouwelijke substantieven allengs het teeken van
den tweeden naamval werd; naar ganzemarkt, paardekooper, hoenderhok,
waarin het eerste lid een meervoud voorstelde, ook andere waarbij men
aan een enkelvoud dacht, als ganzepen, paardestaart, hoenderei; naar
krijgsman, krijgstuig ook leidsman, scheidsmuur; naar schorteldoek,
schrikkeljaar ook ringelduif, noteltere (noteboom).
Dientengevolge heeft men thans het volste recht om van
verbindingsklanken te spreken; en, daar het niet altijd met zekerheid
kan bepaald worden, of eene letter tot het voorste lid behoort,
of slechts ingelascht is, zullen wij ook de wettig aanwezige onder
den naam van verbindingsklanken of -letters begrijpen. Onder deze
benamingen worden derhalve hier verstaan de letters -e, -n, -s,
-el, -en en -er, voorkomende in het midden van samenstellingen,
en niet behoorende tot den hedendaagschen stam van het eerste lid;
dus b.v. de e in dageraad, de s in wolfsklauw, de lettergreep el in
schorteldoek, en in menschenbloed, er in hoenderhok, omdat de stammen
der eerste leden thans dag, wolf, schort, mensch, hoen luiden.
168. Moest het vermelde noodwendig de strekking hebben om den
vorm onzer composita onzeker te maken, er kwam nog de bekende
eigenaardigheid van het Nederlandsch bij, dat wij de n achter
eene toonlooze e slechts zeer flauw uitspreken en soms geheel
onderdrukken. Daarom kan het gehoor alleen niet meer beslissen, of
men pere- of perenboom te schrijven heeft; daardoor hebben sommige
infinitieven, b.v. ruilen in ruilebuiten, spelen in spelevaren,
hunne n verloren. Dat onderdrukken had natuurlijk het meest plaats
in dagelijksche woorden, die men vaker hoorde uitspreken, dan men ze
geschreven zag. In het omgekeerde geval bleef de n bestaan. Dit ziet
men onder andere aan het zeldzaam voorkomende eerenprijs (naam eener
plant), dat men in de woordenboeken met eene n geschreven vindt,
naast het meer gebruikelijke eereprijs, in den eigenlijken zin van
het woord genomen.
169. Er is nog meer dat het bepalen van den vorm der composita moeilijk
maakt. In de vroegste tijden reeds ging men, schijnbaar althans, met
willekeur te werk, en vormde men, zonder eenig merkbaar onderscheid
in de beteekenis te stellen, nu eens eigenlijke samenstellingen, dan
eens koppelingen. De namen van de dagen der week leveren merkwaardige
voorbeelden van die schijnbare regelloosheid op. Zondag, Maandag,
Donderdag, Vrijdag, Zaterdag zijn eigenlijke samenstellingen, ofschoon
het eerste lid, blijkens lat. dies Solis, Lunae enz., stellig in de
betrekking van den genitief staat. Daarentegen zijn Dinsdag (Dies dach,
dag van den god Die) en Woensdag (Wodans dach), meer overeenkomstig
met de Latijnsche voorbeelden dies Martis en dies Mercurii, slechts
koppelingen. Die ongelijkheid, ofschoon zij waarschijnlijk hare
oorzaken heeft, laat zich thans niet meer verklaren. Men zal zulks
moeten erkennen, als men bedenkt, dat men in het Middelnederlandsch
zoowel Manendach, met den zwakken genitief van mane, als Maendach,
Donresdach (Donderdag) naast Donredach en Vriendach of Vrijndach
naast Vridach aantreft. Ook later ging men--voor ons verstand ten
minste--niet regelmatiger te werk. Zoo geeft, om slechts iets te
noemen, Kiliaan sonnenschijn op, als eene koppeling van schijn met
den zwakken genitivus sonnen; maar daarentegen maenschijn, als eene
echte samenstelling van maen en schijn.
170. Hier komt nog bij, dat de taal thans stellig naar
andere beginselen te werk gaat en meer naar duidelijkheid
streeft. Bepaaldelijk wil zij den vorm van het meervoud, waar
het begrip het denkbeeld van een meervoud medebrengt, terwijl
men zich oudtijds met den stamvorm vergenoegde. Dit blijkt
b.v. uit de vergelijking van de nieuwere woorden beeldengalerij,
krankzinnigengesticht, woordenboek enz. met de oudere beeldhouwer,
weeshuis, woordboeck enz.
171. Uit deze waarnemingen, beschouwd in verband met het
onderdrukken der n, volgt, dat men bij het verklaren en bepalen der
verbindingsletters, althans in de bijzondere gevallen, weinig of
geen licht kan vinden bij onze Ouden, omdat dezen, oogenschijnlijk
ten minste, zonder regelmaat te werk gingen. Zoo laat zich
b.v. niet uitmaken, of ons hedendaagsche zonneschijn en maneschijn
samenstellingen zijn van zon en maan in hun verouderden vorm sonne
en mane, dan wel koppelingen, bloote aanhechtingen van schijn aan de
zwakke genitieven sonnen en manen, met dezelfde onderdrukking der n,
die b.v. in spele(n)varen heeft plaats gehad.
172. Te midden echter van al die schijnbare onregelmatigheden
straalt een beginsel door, dat thans nog geldt, te weten het streven
naar welluidendheid, of liever, negatief gesproken, het zoeken om
onwelluidende vormen te vermijden.
Ontegenzeglijk klinkt het samentreffen van sommige medeklinkers
nagenoeg even onaangenaam, als zulks algemeen erkend wordt van de
onmiddellijke opeenvolging van twee klinkers, waarvoor men zelfs
opzettelijk een naam, hiatus, gaping, heeft uitgedacht. Sommige
verbindingsletters hebben dan ook buiten tegenspraak geen ander
doel, dan het vermijden van zulk een wanluidend samentreffen, en niet
zelden strekt de e alleen om twee medeklinkers, de n om twee klinkers
te scheiden.
173. Even zeker is het, dat buitengewoon lange samenstellingen
onwelluidend zijn en daarom door de taal zooveel mogelijk vermeden
worden. Dit blijkt duidelijk uit woorden als jongelingsvereeniging,
vondelingshuis en dergelijke, voor jongelingenvereeniging,
vondelingenhuis: vormen, die men niet gebruikt, omdat zij ééne
lettergreep langer zijn, ofschoon zij door de analogie van
boerenbedrijf, ziekenhuis enz. zouden gevorderd worden.
174. Van het tegenwoordige standpunt beschouwd, schijnt het alleszins
wenschelijk dat er regels gesteld worden, die volstrekte regelmatigheid
in de samenstellingen brengen, en waarbij men de beteekenis en de
onderlinge verhouding der leden niet voorbijziet. Uit alles echter
moet gebleken zijn, dat zulks geheel ondoenlijk is. Een aantal woorden
uit vroegeren tijd, samengesteld naar thans onbekende beginselen, of
schijnbaar tegen alle beginselen aan, hebben een vasten vorm gekregen,
die nu niet meer te veranderen is, b.v. eierdop, eierschaal. Aan het
stellen van algemeene regels, voor eene geheel consequente en tevens
logisch juiste compositie, is derhalve niet te denken, dewijl zulks
onvermijdelijk eene wijziging in den vorm van een zeer groot aantal
woorden ten gevolge zou moeten hebben, die, zoo zij daardoor ook
al niet geheel onkenbaar werden, dan toch een al te zonderlingen
indruk maken zouden. Wien toch zou het niet bevreemden dagraad,
bruidsgom en nachtgaal geschreven te vinden, ofschoon deze woorden in
overeenstemming zouden zijn met dagboek, dagregister, dagreis enz.,
met bruidsdagen, bruidstranen, bruidsgift, bruidsgoed enz., en met
nachtgewaad, nachtgoed, nachtkaars enz.
Logisch juist zijn de woorden ziekenhuis, oude-mannenhuis,
invalidenhuis, kinderhuis (met het oude meervoud kinder); minder goed
zijn weeshuis en duifhuis, hoewel te rechtvaardigen, als gevormd naar
de oorspronkelijke wijze van samenstellen; geheel onverdedigbaar is
daarentegen vondelingshuis. Doch wie zou zijne goedkeuring willen
hechten aan een regel, die voorschreef met strikt logische juistheid
kinderenhuis, vondelingenhuis, weezenhuis te schrijven, en duifhuis
door duivenhuis te vervangen, ten einde het met duivenhok en duiventil
in overeenstemming te brengen?
175. Is het stellen van algemeen geldige regels voor het vormen van
composita volstrekt onmogelijk, het is gelukkig ook niet noodig. De
Spelling heeft alleen te bepalen, hoe de gesproken woorden, haar
door de Etymologie of het Gebruik kant en klaar geleverd, behooren
geschreven te worden. Zij behoeft zich dus slechts te bemoeien met
die samenstellingen, wier vorm niet duidelijk uit de uitspraak blijkt,
en waarvan dientengevolge verschillende schrijfwijzen bestaan.
176. Doch ook zóó genomen heeft de zaak nog vele bezwaren in. Het
aantal der onzekere vormen is groot en bestaat uit verschillende
soorten; en daarnevens bevinden zich verscheidene woorden, tot
dezelfde soorten behoorende, die steeds onveranderlijk op dezelfde
wijze geschreven worden, wier vormen dus wel degelijk bepaald zijn,
maar naar verschillende en tegenstrijdige beginselen. Zoo schrijft
men onveranderlijk sterrekunde en instrumentmaker, met sterre en
instrument in den enkelvoudigen stamvorm; daarentegen, evenzeer
onveranderlijk, volkenkunde en sigarenmaker, met volk en sigaar
in den meervoudsvorm. Het is duidelijk, dat er geen regel bestaan
kàn, waarin beiderlei vormen gelijkelijk passen. Welke regels
men dus ook voor de onzekere vormen aanneme, er blijven altijd
eenige woorden over, die, zoo men te hunnen opzichte het Gebruik
wil blijven eerbiedigen, noodwendig buiten de regels vallen. Men
zou de zoodanige als uitzonderingen kunnen beschouwen en vermelden,
indien de uitspraak en spelling van alle even zeker ware als die van
de vier bovengenoemde, of indien er eenig herkenningsteeken bij die
uitzonderingen bestond. Daar dit echter in geenen deele het geval is,
en men toch wel niet verlangen kan, dat wij geheel beginselloos te
werk gaan, zoo blijft ons niets anders over, dan 1º. eenige regels aan
te nemen, die, zoo weinig mogelijk met het oude gebruik strijdende,
op de hedendaagsche richting der taal gegrond zijn, en daardoor recht
geven tot de verwachting, dat nieuwe woorden dienovereenkomstig zullen
gevormd worden; en 2º. de weinige woorden, wier vorm door het Gebruik
anders bepaald is, met die regels in overeenstemming te brengen. Uit
het aangevoerde toch moet niet slechts de onmogelijkheid gebleken
zijn van dit te vermijden, maar ook evenzeer de wenschelijkheid,
dat er eenmaal een einde kome aan de bestaande wanorde in het stuk
der compositie, en dat men daarbij duidelijk bewuste verstandige
beginselen volge. Wij voor ons ten minste rekenen ons verplicht
daarnaar te streven.
177. Het is duidelijk, dat de Spelling ook bij het stellen van zulke
regels, althans in de eerste plaats, behoort te werk te gaan naar
dezelfde beginselen, die bij het schrijven der grondwoorden gelden,
voor zooverre die hier van toepassing kunnen zijn. De Regels der
Gelijkvormigheid (§ 49) en der Afleiding (§ 54) bepalen den vorm der te
verbinden woorden, doch zwijgen natuurlijk van de verbindingsletters;
en daar men geheel van de onderstelling uitgaat, dat de Uitspraak niet
beslist, zullen voornamelijk de Analogie (§ 59) en de Welluidendheid
(§ 62) moeten geraadpleegd worden.
In één opzicht zal men genoodzaakt zijn van de aangenomen gewone
beginselen af te wijken: aan het Gebruik zullen hier aan de eene zijde
minder, aan de andere meer rechten moeten toegekend worden. Nergens
had dit vrijer spel dan in het stuk der compositie, waar zoovele
verschillende beginselen golden, en aanleiding gaven om de meest
uiteenloopende richtingen aan te nemen. Zal er eenige regelmaat in het
schrijven der samenstellingen bestaan, dan zal men soms van het Gebruik
moeten afwijken, zonder te kunnen bewijzen dat het volstrekt verkeerd
is, terwijl men het in andere gevallen zal moeten eerbiedigen, ofschoon
het moeilijk kan gerechtvaardigd worden; vergel. hier § 66. Zoo is de
spelling zedeleer en sterrekunde op zich zelve geheel wettig, als eene
samenstelling met den stamvorm zede en sterre; maar de Analogie en de
hedendaagsche richting der taal eischen zedenleer en sterrenkunde;
hier kunnen wij het Gebruik niet langer laten gelden. Daarentegen
zijn de gewone vormen eierdop, eierschaal (bij Kiliaan nog ey-dop,
ey-schale) verkeerd, en het meervoud door niets goed te maken; doch
wie zal nu eidop, eischaal willen geschreven zien?
178. Daar de bemoeiingen der Spelling zich niet verder behoeven uit
te strekken dan tot die verbindingsletters, die in de uitspraak niet
duidelijk worden gehoord, is het klaar, dat alle onderzoekingen zich
hier bepalen tot de n en de s. Men kan alleen onzeker zijn, of eene
toonlooze e al of niet door n gevolgd, en of eene s of z, waarmede
het tweede lid begint, al of niet door eene s wordt voorafgegaan;
b.v. of men konijnen- of konijnehaar, dorps- of dorp-schuit, eenigs-
of eenig-zins te schrijven heeft. Omtrent de overige letters, over
het al of niet aanwezig zijn van e en er, en van s, niet door s of
z gevolgd, beslist de Uitspraak.
Ten einde onder de duizenden samengestelde woorden niet geheel in
den blinde rond te tasten, zal het dienstig zijn vooraf na te gaan,
onder welke soort van samenstellingen de vermelde onzekerheden
worden aangetroffen. Bij dat onderzoek zullen wij het veiligst te
werk gaan, indien wij achtereenvolgens die woordsoorten uitmonsteren,
bij welke eene inlassching van verbindingsletters niet denkbaar is,
of in elk geval verkeerd zou wezen. Daar de verbindingsletters steeds
òf werkelijk uitgangen van het eerste lid zijn, òf als zoodanig worden
aangemerkt, zal men de samenstellingen naar de natuur van het eerste
lid in soorten of klassen moeten onderscheiden.
Alleen een voegwoord kan niet het eerste lid eener samenstelling
uitmaken; alle andere rededeelen, zelfs het lidwoord van bepaaldheid,
b.v. in dewijl, en de tusschenwerpsels ei en he in eilaas en helaas,
treden als eerste leden van composita op. Voor zooverre echter de
samenstellingen met onverbuigbare woorden beginnen, is het duidelijk,
dat er geene sprake van verbindingsletters kan wezen. Immers vermits
deze letters steeds werkelijke of gewaande buigingsuitgangen zijn,
ontbrak bij de woorden, die met indeclinabilia, met bijwoorden,
voorzetsels of tusschenwerpsels beginnen, de aanleiding tot
het aanwezig zijn of tot het ontstaan van verbindingsletters
geheel en al. Men treft er onder dezulke dan ook geene aan, zelfs
niet waar de welluidendheid ze zou kunnen vorderen. Men schrijft
algemeen medearbeider, medeërfgenaam, medeïngezetene, medeoorzaak,
medeüitverkorene, waarin niemand ter wegneming van den hiatus eene n
invoegt; eene waarneming, die bewijst, dat ook die verbindingsletters,
die blootelijk voor de welluidendheid strekken, toch naar de analogie
der buigingsletters ontstaan zijn.
De met onverbuigbare woorden aanvangende samenstellingen leveren
derhalve ten opzichte der verbindingsletters geene onzekerheden op;
deze zijn dus alleen denkbaar bij die soorten van composita, wier
eerste lid verbuigbaar is. Doch ook van deze vallen terstond een paar
soorten weg, waarover men zich niet verder te bekommeren heeft. De
hoofdgetallen blijven in de eigenlijke samenstellingen onveranderd,
en staan in zooverre gelijk met de onverbuigbare woorden. Men zegt en
schrijft driewerf, viermaal, vijfhoek, zeskantig, driesprong, tiental,
honderdvoud, duizendvoudig enz. De vormen op -en, als tweeën, drieën,
vieren enz., komen slechts alleenstaande, nooit in samenstellingen
voor; het gewone vierendeel is eene verbasterde uitspraak voor
vierdedeel. Er bestond dus ook nooit aanleiding tot het ontstaan
eener verbindings-n, zelfs niet ten gevalle der welluidendheid, hier
evenmin als bij de indeclinabilia; men zegt tweeoogig en driearmig,
niet tweenoogig en drienarmig. De vrouwelijke genitiefvorm op -er
treedt slechts voor -lei en -hande in eenerlei, tweeërhande enz. en
baart geene twijfelingen. Van de telwoorden blijven derhalve alleen
die weinige ter nadere behandeling over, die, als geen en veel,
op de wijze van bijvoeglijke woorden verbogen worden.
Ook de zelfstandige voornaamwoorden vallen buiten het
onderzoek. Van deze komt alleen zelf als het eerste lid in
samenstellingen voor. Ofschoon men het voorheen wel eens eene s
gaf, en b.v. soms zelfsbedrog schreef, in het hedendaagsche gebruik
blijft het onveranderlijk zelf: zelfbeschuldiging, zelfvertrouwen,
zelfverloochening enz.
179. Uit het aangevoerde volgt, dat alle twijfelachtige gevallen
moeten gezocht worden onder woorden, aanvangende met zelfstandige
naamwoorden, werkwoorden of bijvoeglijke woorden, te weten
lidwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, bijvoeglijke voornaamwoorden
en onbepaalde telwoorden. Deze waarneming stelt ons in staat om
over den aard der verbindings-s en -n te oordelen. De n zal achter
zelfstandige naamwoorden òf het teeken moeten zijn van den zwakken
genitief, òf dat van het meervoud; achter bijvoeglijke woorden een
naamvalsuitgang; achter werkwoorden het teeken van den infinitief;
òf zij zal bloot euphonisch moeten wezen, wat achter allerlei woorden,
behalve indeclinabilia, kan plaats hebben. De s kan achter zelfstandige
naamwoorden den genitief of het meervoud aanduiden; achter bijvoeglijke
woorden zal zij het teeken van den sterken genitief wezen; òf zij zal
achter beide soorten als euphonisch zijn te beschouwen; achter stammen
van werkwoorden zal zij slechts de laatstgenoemde waarde kunnen hebben.