1) Alle eigenlijke samenstellingen, waarbij, naar § 135, als men ze
oploste, invoeging, omzetting, of vormverandering van woorden zou
moeten plaats hebben: derhalve badplaats, bloeddorst, bloedgetuige,
bloedhond, bloedplakkaat, bloedschande, bloedschuld, bloedverwant,
bloedvlek, bloedworst, bloedwraak, bloedzuiger, boomvrucht,
bruggenhoofd, buitenlucht, geldbeurs, hongersnood, huishuur,
huurhuis, kaarsvet, menschenvrees, stiklucht, theeblad, theegoed,
zeedijk, zijmuur,--allerliefst, brandschoon, doofstom, huisbakken,
nagelvast,--elkander,--buikspreken, knikkebollen, koorddansen,
schaatsenrijden, watertanden, weggaan,--driehonderd, zestien enz.
Men schrijft algemeen en te recht tweehonderd, driehonderd,
vijftienhonderd enz. aaneen; daarentegen gescheiden:
twee duizend, tien duizend, honderd duizend, ofschoon die
uitdrukkingen oogenschijnlijk insgelijks als tweemaal, tienmaal,
honderdmaal duizend zijn op te vatten. De verbinding van honderd
met het multipliceerende telwoord heeft geen bezwaar in, omdat
dit laatste (althans buiten de gemeenzame spreektaal) niet
hooger klimt dan negentien, en dus altijd slechts een- twee- of
drielettergrepig is. Bij duizend echter kan het tot 999 stijgen,
zoodat men door alles aaneen te schrijven niet zelden een zeer lang
veellettergrepig woord zou verkrijgen, hetwelk moeilijk te overzien
zou zijn. Niet fraai toch en niet gemakkelijk te lezen zijn woorden
als zevenhonderdzevenennegentigduizend en dergelijke. Het kan dus
niet bevreemden, dat het Gebruik zulke composities niet heeft
gewild en in die gevallen de telwoorden gescheiden houdt. Het
zou dan ook niet raadzaam zijn, hier het verstandige Gebruik te
trotseeren; te minder daar eene logisch en grammatisch juiste
opvatting mogelijk is, waardoor de gebruikelijke schrijfwijze
volkomen gerechtvaardigd wordt. Men beschouwe in alle dergelijke
gevallen duizend als substantief, gelijk millioen, dat steeds
als substantief wordt gebezigd, zonder daarom den meervoudsvorm
aan te nemen. Negenhonderd twee en veertig duizend is grammatisch
evengoed te wettigen als negenhonderd twee en veertig millioen,
indien men duizend slechts als een zelfst. naamwoord aanmerkt.
139. 2) Alle zoodanige vereenigingen van woorden, die oorspronkelijk
door koppeling ontstaan zijn, doch allengs ware samenstellingen
zijn geworden en daarvan blijk geven door veranderden klemtoon
en onverbuigbaarheid van het eerste lid. Tot deze soort behoort
b.v. hoogepriester. Dit woord werd oorspronkelijk als twee
woorden beschouwd en als zoodanig gescheiden geschreven: de hóóge
priester, gelijk de hóóge geestelijkheid, een hóóg ambtenaar enz. De
Staten-overzetters des Bijbels begonnen er echter eene samenstelling
in te zien; zij hechtten de woorden aaneen, doch gingen soms nog
voort met hoog te verbuigen: des hoogenpriesters enz. Thans echter
blijft hooge steeds onveranderd, terwijl de klemtoon is versterkt
en zelfs op priester overgegaan: des hoogepríésters; twee zaken die
onwedersprekelijk bewijzen, dat het woord eene samenstelling is en
wel eene eigenlijke, dewijl hooge in des hooge priesters door het
gemis der n onmogelijk tot priester zou kunnen behooren en dus los
in de lucht zou hangen.
Deze zelfde blijken van compositie vindt men in dollekèrvel,
edelgestéénte, hoogeschóól, koudescháál, koudvúúr, niewjáár, oudejáár,
roodekóól, roodáárde, zoetemèlk, zoutevìsch, zwartkrijt. Bij
kléínkind, mv. kléínkinderen, niet kleine kinderen, gróótvader,
gróótmoeder, óúdtante, blìndeman, dòlleman, gróótmeester, gróótvorst,
hóógaltaar, hóógambt, hóógmis, hóógtijd, gróótschrift, kléínschrift,
brúínkolen, smàldeel enz. is de klemtoon wel niet op het substantief
overgegaan, doch merkbaar versterkt, terwijl de onbuigbaarheid van
het adjectief de innige verbinding voldingend bewijst. Ook de titels
als Weledelgestreng, Edelgrootachtbaar (waarvan beneden), die uit
koppelingen ontstaan zijn, moeten, uit hoofde van de onverbuigbaarheid
der daarin voorkomende adjectieven, gedeeltelijk tot de eigenlijke
samenstellingen gerekend worden.
Op dezelfde wijze zijn door koppeling ontstaan de adjectieven,
samengesteld met de als adverbia gebezigde praeposities door, in en
over; b.v. doordroog, dooreerlijk, doorgoed, doorkoud,--indroog,
ingierig, ingoed, ingoor, inlui,--overgroot, overklein, overoud,
overvet, overzoet, overzout enz. In het Middelnederlandsch schreef
men veelal gescheiden: dore sondech, over scone, over vrome, uut
scone enz.; daar echter door, in en over op zich zelve staande nooit
in de hier bedoelde beteekenis gebruikt worden, en dus in door goed,
in droog, over heet enz. buiten alle verband zouden staan, moeten de
genoemde en alle dergelijke verbindingen als eigenlijke samenstellingen
aangemerkt en noodwendig aaneen geschreven worden.
140. 3) De woorden die, door middel van een suffix, van twee of meer op
zich zelve staande woorden zijn afgeleid, b.v. likeurstoker van likeur
en stoken. Daar het suffix -er het werkwoord stoken in een substantief
herleid heeft, kan het object likeur niet langer object blijven,
maar moet het noodwendig met stoker verbonden worden: likeurstoker,
of met een voorzetsel achteraan treden: stoker van likeuren.
Tot deze klasse van woorden behooren een aantal substantieven op -er,
-ster en -ing, als: broodbakker, houthakker, kleedermaker, mijnwerker;
achtenveertiger (van 48 ponden of jaren), driedekker (van drie
dekken); wafelbakker, turftonster, huisbewaarster; houtverkooping,
landverhuring, terzijdestelling enz.; alsmede de infinitieven: het
inachtnemen, het terechtbrengen enz.
Vervolgens vele adjectieven op -ig en -sch, als: viervoetig, van vier
voeten, zeshoekig, eenzijdig, stijfhoofdig; alledaagsch, bijderhandsch,
vanderhandsch, grootscheepsch, ouderwetsch, nieuwerwetsch, oudwijfsch,
nieuwmodisch, zoetemelksch.
Ook behooren hiertoe alle samengestelde bijwoorden met de adverbiale
s; b.v. bijkan(t)s, buitendijks, desgelijks, dikwijls, insgelijks,
nochtans (van nog-dan), rechtstreeks, telkens (te-elkens), thans
(te-hands), toenmaals, veelmaals enz. Daarom behoort men insgelijks
aaneen te schrijven: bijtijds, buitentijds, intijds, tegoeds (of te
goed), terloops, tersluiks (of ter sluik), tevergeefs (of vergeefs),
vannieuws enz. Daar de adverbiale s reeds een alleenstaand substantief
of adjectief in een adverbium verandert, b.v. daags, deels, fluks
(van vlug), links, rechts, steeds enz., zouden de woorden tijds,
loops, sluiks, goeds enz., indien zij alleen konden staan, op zich
zelve reeds adverbiën moeten zijn, waardoor de voorzetsels bij, te,
van enz. overtollig zouden worden.
Zelfs de woorden des en noods, tot adverbium vereenigd, behooren
verbonden te worden: desnoods. Deze uitdrukking toch is geen absolute
genitief, maar bestaat uit des, genitief van dat, door nood geregeerd;
men zeide voorheen algemeen en zegt thans nog wel: des nood zijnde
(daaraan behoefte zijnde), hetgeen uit misverstand eerst in des noods
zijnde overging, en vervolgens tot desnoods afgekort werd.