138. Volgens den eersten regel behooren aaneen geschreven te worden:

1) Alle eigenlijke samenstellingen, waarbij, naar § 135, als men ze

oploste, invoeging, omzetting, of vormverandering van woorden zou

moeten plaats hebben: derhalve badplaats, bloeddorst, bloedgetuige,

bloedhond, bloedplakkaat, bloedschande, bloedschuld, bloedverwant,

bloedvlek, bloedworst, bloedwraak, bloedzuiger, boomvrucht,

bruggenhoofd, buitenlucht, geldbeurs, hongersnood, huishuur,

huurhuis, kaarsvet, menschenvrees, stiklucht, theeblad, theegoed,

zeedijk, zijmuur,--allerliefst, brandschoon, doofstom, huisbakken,

nagelvast,--elkander,--buikspreken, knikkebollen, koorddansen,

schaatsenrijden, watertanden, weggaan,--driehonderd, zestien enz.

Men schrijft algemeen en te recht tweehonderd, driehonderd,

vijftienhonderd enz. aaneen; daarentegen gescheiden:

twee duizend, tien duizend, honderd duizend, ofschoon die

uitdrukkingen oogenschijnlijk insgelijks als tweemaal, tienmaal,

honderdmaal duizend zijn op te vatten. De verbinding van honderd

met het multipliceerende telwoord heeft geen bezwaar in, omdat

dit laatste (althans buiten de gemeenzame spreektaal) niet

hooger klimt dan negentien, en dus altijd slechts een- twee- of

drielettergrepig is. Bij duizend echter kan het tot 999 stijgen,

zoodat men door alles aaneen te schrijven niet zelden een zeer lang

veellettergrepig woord zou verkrijgen, hetwelk moeilijk te overzien

zou zijn. Niet fraai toch en niet gemakkelijk te lezen zijn woorden

als zevenhonderdzevenennegentigduizend en dergelijke. Het kan dus

niet bevreemden, dat het Gebruik zulke composities niet heeft

gewild en in die gevallen de telwoorden gescheiden houdt. Het

zou dan ook niet raadzaam zijn, hier het verstandige Gebruik te

trotseeren; te minder daar eene logisch en grammatisch juiste

opvatting mogelijk is, waardoor de gebruikelijke schrijfwijze

volkomen gerechtvaardigd wordt. Men beschouwe in alle dergelijke

gevallen duizend als substantief, gelijk millioen, dat steeds

als substantief wordt gebezigd, zonder daarom den meervoudsvorm

aan te nemen. Negenhonderd twee en veertig duizend is grammatisch

evengoed te wettigen als negenhonderd twee en veertig millioen,

indien men duizend slechts als een zelfst. naamwoord aanmerkt.

139. 2) Alle zoodanige vereenigingen van woorden, die oorspronkelijk

door koppeling ontstaan zijn, doch allengs ware samenstellingen

zijn geworden en daarvan blijk geven door veranderden klemtoon

en onverbuigbaarheid van het eerste lid. Tot deze soort behoort

b.v. hoogepriester. Dit woord werd oorspronkelijk als twee

woorden beschouwd en als zoodanig gescheiden geschreven: de hóóge

priester, gelijk de hóóge geestelijkheid, een hóóg ambtenaar enz. De

Staten-overzetters des Bijbels begonnen er echter eene samenstelling

in te zien; zij hechtten de woorden aaneen, doch gingen soms nog

voort met hoog te verbuigen: des hoogenpriesters enz. Thans echter

blijft hooge steeds onveranderd, terwijl de klemtoon is versterkt

en zelfs op priester overgegaan: des hoogepríésters; twee zaken die

onwedersprekelijk bewijzen, dat het woord eene samenstelling is en

wel eene eigenlijke, dewijl hooge in des hooge priesters door het

gemis der n onmogelijk tot priester zou kunnen behooren en dus los

in de lucht zou hangen.

Deze zelfde blijken van compositie vindt men in dollekèrvel,

edelgestéénte, hoogeschóól, koudescháál, koudvúúr, niewjáár, oudejáár,

roodekóól, roodáárde, zoetemèlk, zoutevìsch, zwartkrijt. Bij

kléínkind, mv. kléínkinderen, niet kleine kinderen, gróótvader,

gróótmoeder, óúdtante, blìndeman, dòlleman, gróótmeester, gróótvorst,

hóógaltaar, hóógambt, hóógmis, hóógtijd, gróótschrift, kléínschrift,

brúínkolen, smàldeel enz. is de klemtoon wel niet op het substantief

overgegaan, doch merkbaar versterkt, terwijl de onbuigbaarheid van

het adjectief de innige verbinding voldingend bewijst. Ook de titels

als Weledelgestreng, Edelgrootachtbaar (waarvan beneden), die uit

koppelingen ontstaan zijn, moeten, uit hoofde van de onverbuigbaarheid

der daarin voorkomende adjectieven, gedeeltelijk tot de eigenlijke

samenstellingen gerekend worden.

Op dezelfde wijze zijn door koppeling ontstaan de adjectieven,

samengesteld met de als adverbia gebezigde praeposities door, in en

over; b.v. doordroog, dooreerlijk, doorgoed, doorkoud,--indroog,

ingierig, ingoed, ingoor, inlui,--overgroot, overklein, overoud,

overvet, overzoet, overzout enz. In het Middelnederlandsch schreef

men veelal gescheiden: dore sondech, over scone, over vrome, uut

scone enz.; daar echter door, in en over op zich zelve staande nooit

in de hier bedoelde beteekenis gebruikt worden, en dus in door goed,

in droog, over heet enz. buiten alle verband zouden staan, moeten de

genoemde en alle dergelijke verbindingen als eigenlijke samenstellingen

aangemerkt en noodwendig aaneen geschreven worden.

140. 3) De woorden die, door middel van een suffix, van twee of meer op

zich zelve staande woorden zijn afgeleid, b.v. likeurstoker van likeur

en stoken. Daar het suffix -er het werkwoord stoken in een substantief

herleid heeft, kan het object likeur niet langer object blijven,

maar moet het noodwendig met stoker verbonden worden: likeurstoker,

of met een voorzetsel achteraan treden: stoker van likeuren.

Tot deze klasse van woorden behooren een aantal substantieven op -er,

-ster en -ing, als: broodbakker, houthakker, kleedermaker, mijnwerker;

achtenveertiger (van 48 ponden of jaren), driedekker (van drie

dekken); wafelbakker, turftonster, huisbewaarster; houtverkooping,

landverhuring, terzijdestelling enz.; alsmede de infinitieven: het

inachtnemen, het terechtbrengen enz.

Vervolgens vele adjectieven op -ig en -sch, als: viervoetig, van vier

voeten, zeshoekig, eenzijdig, stijfhoofdig; alledaagsch, bijderhandsch,

vanderhandsch, grootscheepsch, ouderwetsch, nieuwerwetsch, oudwijfsch,

nieuwmodisch, zoetemelksch.

Ook behooren hiertoe alle samengestelde bijwoorden met de adverbiale

s; b.v. bijkan(t)s, buitendijks, desgelijks, dikwijls, insgelijks,

nochtans (van nog-dan), rechtstreeks, telkens (te-elkens), thans

(te-hands), toenmaals, veelmaals enz. Daarom behoort men insgelijks

aaneen te schrijven: bijtijds, buitentijds, intijds, tegoeds (of te

goed), terloops, tersluiks (of ter sluik), tevergeefs (of vergeefs),

vannieuws enz. Daar de adverbiale s reeds een alleenstaand substantief

of adjectief in een adverbium verandert, b.v. daags, deels, fluks

(van vlug), links, rechts, steeds enz., zouden de woorden tijds,

loops, sluiks, goeds enz., indien zij alleen konden staan, op zich

zelve reeds adverbiën moeten zijn, waardoor de voorzetsels bij, te,

van enz. overtollig zouden worden.

Zelfs de woorden des en noods, tot adverbium vereenigd, behooren

verbonden te worden: desnoods. Deze uitdrukking toch is geen absolute

genitief, maar bestaat uit des, genitief van dat, door nood geregeerd;

men zeide voorheen algemeen en zegt thans nog wel: des nood zijnde

(daaraan behoefte zijnde), hetgeen uit misverstand eerst in des noods

zijnde overging, en vervolgens tot desnoods afgekort werd.

De grondbeginselen der Nederlandsche spelling Regeling der spelling voor het woordenboek der Nederlandsche taal · 第 18 / 30 题